--------
HOOFDSTUK XXV.
------
Het was de Boeren tot nog toe wonderlijk meegeloopen. Bij het begin
van den veldtocht hadden zij aan alles gebrek, en geen ammunitie
genoeg, om een gevecht eenige uren vol te houden, en nu heerschte er
in de Boerenlagers overvloed aan ammunitie, levensmiddelen en
kleedingstukken, alles op den Engelschman buit gemaakt.
Doch ook de burgers, die thuis waren gebleven, zaten niet stil. Jan
Ferreira van Gatsrand maakte een groote hoeveelheid kruit, waarvan
de kwaliteit zeer werd geroemd, en patronen, die met het Engelsche
fabrikaat konden concurreeren, terwijl de smid H. Ras te Rustenburg
van wagenbandijzer een kanon smeedde, dat goed schoot, en
vervolgens aan een rifle-kanon begon.
Intusschen kwam er een formeele wapenstilstand tot stand, en vele
harten smeekten tot God om een eervollen vrede. Met bekwamen spoed
werden ook de vredesonderhandelingen aangeknoopt, doch er kwam een
plotselinge stremming, daar Engeland eischen stelde, die de
Transvaalsche regeering onmogelijk kon inwilligen.
Op nieuw verduisterden de oorlogswolken de lucht.
"Dat houd ik niet langer uit," zeide Lodewijk Jansen, terwijl hij
zijn forsche wenkbrauwen fronsde; "de Engelsche staatslui zullen ons
te glad af zijn in de politiek, en wij liggen hier werkeloos in ons
lager. Laten wij den stier bij de horens grijpen, en het Engelsche
kamp bestormen!"
"Dat is goed gezegd," riepen een aantal Boeren, die in de nabijheid
stonden.
"Wie doet er mee?" vraagde Jansen op luiden toon.
"Wij! En wij! En wij!" klonk het in het rond.
"En _ik_ wil niet de laatste zijn!" zeide de jonge Jan Kloppers,
terwijl zijn blauwe oogen begonnen te schitteren van geestdrift.
"En gij?" vraagden de Boeren, zich tot zijn vader wendend.
"Me dunkt," zeide de grijze voortrekker, "dat mijn hand nog sterk
genoeg is, om den Engelschen standaard naar beneden te rukken!"
"Hoera!" riepen de Boeren.
"Maar laten wij niet vooruit loopen op den gang der
onderhandelingen," voegde hij er aan toe op bedachtzamen toon; "onze
voormannen hebben getoond, goed en bloed over te hebben voor ons
volk, en wij mogen hun plannen niet doorkruisen."
"Dat is een verstandig woord," zeide Lodewijk Jansen, "maar geeft
generaal Wood ons de onafhankelijkheid niet terug, dan zullen wij
stormen, niet waar mannen?"
"Ja," riepen ze, "dan zullen wij het Engelsche kamp bestormen!"
"Want wij zijn voor generaal Wood evenmin bang als voor generaal
Colley," zeide de jonge Kloppers.
"Laten wij het elkander als mannen beloven," zeide Jansen, de
krachtvolle Voortrekker, "met woord en handslag -- houw en trouw in
nood en dood! In den strijd voor vrijheid en recht!"
Toen beloofden zij het elkander bij woord en handslag. Maar de
Transvaalsche regeering ontwierp met het oog op den dreigenden
toestand eene nieuwe proklamatie, die bij het ontbranden van een
nieuwen oorlog onder de Hollandsche Afrikaanders van de Kaapkolonie
en van Natal zou worden verspreid.
Het is de zoogenaamde "Derde Proklamatie"; zij tintelde van ernst,
gloed en verontwaardiging.
Zonder twijfel zou deze proklamatie bij de spanning, die er
heerschte in de Afrikaansche gemoederen, heel Zuid-Afrika in vuur en
vlam hebben gezet. En President Brand, de even schrandere als
voorzichtige President van den Oranje-Vrijstaat, van wien het
gevleugelde woord afkomstig is: "Alles komt terecht," stelde, van
den inhoud der proklamatie op de hoogte gesteld en zich volkomen
bewust van het hoogernstige van den toestand, alle middelen in het
werk, om nog tot een vreedzaam vergelijk te komen.
--------
HOOFDSTUK XXVI.
------
In den morgen van den 15den Maart verscheen Paul Kruger in het
Boerenlager van het Drakengebergte.
Het was een heerlijke morgen; de zon scheen aan den onbewolkten
hemel, en alles beloofde een schitterenden zomerdag.
Achthonderd Boeren gingen Kruger als een eerewacht tegemoet.
In de linkerhand hielden zij den teugel, en in de rechterhand,
rustend op de rechter dij, het geweer.
In onberispelijke orde trok de eerewacht, met de oude Boerenvlag
voorop, de hoogte op tot vóór de groote generaalstent van den
Kommandant-Generaal. De vierkleur wapperde in den frisschen
noordewind zoo vroolijk, alsof zij van zelf tegen de hoogte zou
opgaan, en de damp uit de neuzen der paarden was duidelijk
zichtbaar.
Nu werd halt gehouden, en Paul Kruger nam, op een verhooging plaats
nemende, onder eene ademlooze stilte het woord.
"Mannen, Broeders," zeide hij met bewogen stem, "ik ben zoo recht
verwonderd en verbaasd over de trouw, standvastigheid en
geestkracht, waarmede gij burgers zijt bezield geweest. Voorts
vermaan ik u, om toch steeds op God te vertrouwen, en te erkennen en
te weten, dat God met ons werkt. Niet door onze dapperheid of kracht
hebben wij dezen wonderbaren strijd gewonnen, maar wij moeten het
erkennen, dat het de Heere was, Die voor ons heeft gestreden. En nu
moedig ik u aan, om niet bij dat erkennen te blijven staan, maar
alles aan den Heere over te geven, al uwe bekommernissen voor de
toekomst Hem op te dragen, en aan Hem uwe geloften te betalen."
Op een wenk van den spreker nam nu Ds. Ackerman het woord, die de
Boeren opriep, met hem in te stemmen in den kreet: "God zegene onze
Republiek!"
Tot drie keeren toe werd de kreet vol geestdrift herhaald, en op den
uitdrukkelijken wensch van Piet Joubert werd er met niet minder
warmte, tot drie malen toe, aan toegevoegd: "God zegene geheel
Zuid-Afrika!"
Nu wendde zich de Kommandant-Generaal tot de burgers, dankte hen
voor hun vaderlandsliefde, en verzocht hen, zich thans van de
generaalstent te verwijderen, daar de voormannen nog een zwaren en
hoogst verantwoordelijken arbeid voor zich hadden.
Zonder morren trokken zich de Boeren onmiddellijk terug. Halverwege
tusschen het Engelsche en het Boeren-kamp stond de groote tent, waar
de vredesonderhandelingen werden gevoerd.
Het Engelsche gouvernement was vertegenwoordigd door generaal Wood
en vier leden van zijn staf; het Transvaalsche gouvernement door de
leden van het driemanschap: Paul Kruger, Piet Joubert en M. J.
Pretorius, alsmede door een viertal aanzienlijke burgers, terwijl
president Brand als vriend van beide partijen aan de beraadslagingen
deel nam.
De conferentiën duurden van 16 tot 23 Maart, en dank zij de
gematigdheid der Transvaalsche voormannen, het beleid van president
Brand en de ontegenzeggelijk milde houding der Engelsche regeering,
werden tot blijdschap van alle voor de Boeren kloppende harten, de
onderhandelingen met een gunstig gevolg bekroond en in den avond van
den 23sten Maart 1881 de vrede gesloten.
Het Transvaalsche volk herkreeg de zoo vurig begeerde staatkundige
vrijheid, doch Engeland bedong voor zich het laatste woord, zoo de
Zuid-Afrikaansche Republiek betrekkingen wilde aanknoopen met het
buitenland.
Dus verkregen de Boeren niet alles, wat zij wenschten, maar toch
_dat_, waarvoor zij hun _bloed_ hadden gestort, namelijk volkomen
onafhankelijkheid in eigen huishouding, en de oude Dirk Kloppers
zeide, met het oog op het jonge Transvaal, op vroolijken toon: "Er
moet later voor de jongeren ook nog wat werk aan den winkel
blijven."
------
"Al de lagers worden opgebroken, de wagens ingespannen, en de
Burgers verschijnen te tien uur marschvaardig vóór de groote
generaalstent van den Opperbevelhebber!"
Met deze order worden de Boeren in den vroegen morgen van den
volgenden dag, Woensdag 24 Maart, verrast.
Intusschen zijn Roos, Malan en Ferreira, de drie wakkere aanvoerders
bij de bestorming van den Amajuba, boven op den kop van den berg
verschenen, waar zij volgens afspraak den opperbevelhebber van het
Engelsche leger, generaal Wood, met zijn staf ontvangen.
De generaal bezoekt de plek, waar de Bergschotten werden vernietigd,
en vraagt eenige inlichtingen omtrent het verloop van het gevecht,
die hem bereidwillig worden verstrekt.
Zoo daalt men neder van den hoogen berg en begeeft zich naar de
generaalstent van Piet Joubert, terwijl de weg daarheen, aan beide
zijden drie dicht aaneengesloten rijen diep, is afgezet door 2500
Boeren te paard in hun gewone velduitrusting: de gevulde bandelier
over de borst, en het geweer rustend op de rechter dij.
Paul Kruger bevindt zich in de tent, doch generaal Joubert staat
vóór de tent, om den hoogen bezoeker te ontvangen.
Met ernstige blikken nemen de Boeren over de koppen van hun paarden
den Engelschen generaal op, van wiens beleid en onverschrokkenheid
zij reeds zooveel hebben gehoord. Maar hij wandelt met zijn
schitterenden staf van officieren tusschen hun rijen door, en
ontbloot zijn hoofd voor de dappere wacht van het Drakengebergte.
Vóór de generaalstent wordt hij ontvangen door Piet Joubert, en
beide bevelhebbers drukken elkander welgemeend en oprecht de hand.
Nu monstert Wood de Boerentroepen, en vorschend gaat zijn blik over
die gelederen, waar hij naast den baardeloozen jongeling den
grijsaard ziet, tot zijn oog blijft hangen aan een jongen, die, met
den gevulden bandelier over de borst en het geweer in de hand, dicht
in zijn nabijheid staat.
Hij wendt zich tot den jongen, en vraagt hem naar zijn ouderdom.
"Dertien jaar, baas," antwoordt de jongen.
Hij verwondert zich over dien jeugdigen leeftijd.
Nu neemt hij het geweer en den bandelier van den jongen, weegt het
te samen op zijn handen en verwondert zich nog sterker.
"Is dat geweer je niet te zwaar, ventje?" vraagt hij op
vriendelijken toon.
"Niks te zwaar," antwoordt de jongen; "ik kan er de Roodbaatjes zoo
lekker mee schieten."
"Pas op!" zegt de generaal, en hij heft den vinger schertsend
omhoog, "weet jij wel, dat ik ook een Roodbaatje ben?"
"Ik weet het," antwoordt de jongen; "doch wees maar gerust, baas, ik
zal je nou geen kwaad doen, want het is vrede."
"Kom, dat is eene heele troost voor mij," lacht de generaal, en hij
reikt den jongen op de hem eigen innemende manier de hand.
Intusschen is er in de generaalstent een koud middagmaal gereed
gemaakt, en de tafel is versierd met ruikers van prachtige gele en
roode bloemen, langs de hellingen van den Amajuba geplukt. Hier
vereenigen zich de gasten, terwijl Paul Kruger en Piet Joubert de
gastheeren zijn.
Er heerscht aan tafel een prettige, gezellige toon, en snel is een
uur verstreken. Nu neemt generaal Wood met zijn officieren een
hartelijk afscheid, en vertrekt, door een eeregeleide der Boeren een
eind weegs vergezeld, terug naar zijn kamp.
Maar Kruger, Joubert en Pretorius, de leden van het driemanschap,
wenden zich tot hun volk, danken hen voor de onvergetelijke
diensten, in bange uren aan het vaderland bewezen, prijzen hun moed
en hun lijdzaamheid in de moeilijkste omstandigheden, herinneren hen
aan de weldadigheden des Heeren en de treffende gebedsverhooringen,
en vermanen hen, om God de eere te geven der zegepraal, en met een
vast voornemen des harten te wandelen in Zijne inzettingen.
En nu is het oogenblik van vertrekken aangebroken.
Het Boeren-kommando zal, na een veldtocht van drie maanden,
huiswaarts keeren.
Reeds staan de wagens in drie rijen naast elkander gereed om te
vertrekken.
De jukken stootten tegen de harde hoornen der trekossen, de lange
zweepen klieven de lucht, de stijgbeugels rammelen, luide klinken de
kommando's, de ossen buigen den sterken nek, en knarsend, krakend en
stampend zetten zich de tweehonderd zeventig ossenwagens in
beweging.
De wagens vormen de voorhoede, en achter hen aan komen, in gesloten
gelederen, op hun vlugge, taaie, trappelende paarden, de helden van
Bronkhorstspruit en Lang-Nek, van Schuinshoogte en Amajuba.
Zij trekken voort zonder geschal of rumoer; kalm, bedaard en
ernstig. Maar in hun oogen blinkt ingehouden, mannelijke vreugde, en
de blanke loop hunner geweren schittert in de namiddagzon.
En boven op een berghoogte staat, in den kring zijner officieren, de
opperbevelhebber van het Engelsche leger.
Hij leunt op zijn sabel, en hij oogt de vertrekkende Boerenkrijgers
na.
En zij heffen het moedige psalmlied aan:
"Als God mijn schild en hulp wil wezen,
Wat zou een nietig mensch mij doen?"
En de wind neemt de toonen op van het lied, en draagt het tot de
berghoogte, waar hij staat, de dappere generaal Wood.
En zijn gelaat neemt een peinzende houding aan, en niemand zijner
officieren spreekt een woord.
Maar als de stofwolken in de verte oprijzen, en ros en ruiter voor
zijn oogen verdwenen zijn, wendt hij zich tot zijn staf en zegt, de
handen naar het noorden uitstrekkend: "Mijne Heeren, daar gaan de
helden van Zuid-Afrika!"
En hij knoopt den rooden wapenrok dicht, want het begint koeler te
worden, en zwijgend keert hij met zijn staf naar het Engelsche kamp
terug. En de passen van het Drakengebergte, de poorten der
Transvaal liggen eenzaam en verlaten.... En de trouwe wacht van het
Drakengebergte spoedt huiswaarts, naar vrouwen en kinderen, want
geen vijand bedreigt meer de poorten des lands....
--------
HOOFDSTUK XXVII.
------
Wij hebben den gewonden Engelschen infanterist Charles Marling, in
den avond van den 28sten Januari onder de hoede van Dirk Kloppers in
een wagen van gekwetsten bij den Lang-Nek achtergelaten.
De wagen was den volgenden dag noordwaarts getrokken de Transvaal
in, om de gewonden zoo mogelijk bij de hunnen terug te brengen.
Eén der geblesseerden behoorde thuis in de buurt van "Vredenoord",
en dit had Dirk Kloppers doen besluiten, om den gewonden soldaat aan
zijn vrouw ter verpleging te zenden.
Hij had er een brief bijgevoegd, dien de voerman af zou geven, en
waarin met betrekking tot den gekwetste het volgende stond te lezen:
.... "Gisteren avond vonden wij een Roodbaatje, die in het gevecht
een kogelwond aan het hoofd heeft gekregen, en die door bloedverlies
bewusteloos was geworden. Wij hadden hem wel naar het Engelsche kamp
kunnen zenden, maar ik denk, dat die kogelwond een langdurige en
zorgvuldige verpleging zal noodzakelijk maken, en ik vrees, dat de
Engelsche dokters, die de handen meer dan vol hebben, daaraan niet
zullen kunnen beantwoorden. En daarom zend ik het Roodbaatje aan
jou, Anneke!
Hier kwam van morgen een erg geleerd man in ons lager en zeide: "Wat
ben jullie Boeren toch rare menschen! Eerst schiet je de Engelschen
zooveel mogelijk dood, en later, als het gevecht over is, doet ge je
best, om de Engelschen, die nog niet heelemaal dood zijn, met kunst-
en vliegwerk op te knappen. Dat begrijpt ik niet!" Maar je broer
Lodewijk antwoordde hem: 'Jij bent te geleerd, om dat te begrijpen,
mijnheer, en daarom moet je maar in je eigen sop gaar kooken!'
Dus denk maar goed om het gekwetste Roodbaatje, lieve vrouw, en wij
willen hopen, dat hij moge genezen, en nog tot iets beters moge
worden opgeleid dan tot het dooden van menschen, wier eenige misdaad
het is, dat zij geen onderdanen willen zijn van de Engelsche
koningin!"
De brief bereikte even als de wagen met den gekwetste de oude vrouw
Kloppers, en terwijl zij zich verblijdde over het goede nieuws, dat
de brief bevatte, verwonderde zij zich toch over het gewonde
Roodbaatje.
Maar zij was een gulle, hartelijke, Afrikaansche vrouw, en zij
zeide: "Wat mijn baas doet, is nog altijd goed uitgekomen." En zij
spoedde zich naar den ossenwagen, en haar hart werd vervuld met
medelijden, toen zij in het holle gelaat van den gewonde staarde.
Snel riep zij eenige Kaffers, die den gekwetste voorzichtig naar
boven droegen, en in het kamerke van Jan, in de bruine houten
bedstede, werd hij op een zacht, veeren bed behoedzaam neergelegd.
Vrouw Kloppers onderzocht nu de wond, bette ze zorgvuldig met versch
koud water, belegde ze met linnen pluksel en legde een nieuw, stevig
verband.
Zij deed dit met vlugge, vaardige hand, zooals een huismoeder het
heeft geleerd, die haar gansche leven heeft geworsteld met de
gevaren en de wisselvalligheden der Afrikaansche wildernis.
Intusschen had zij één der Kaffermeiden reeds gelast, om een
krachtige bouillon gereed te maken, doch de gewonde staarde haar
aan, met den koortsgloed in de oogen.
Hij wierp zich rusteloos van de ééne zijde op de andere; hij was
inderdaad zeer ziek.
Met een ernstig gelaat zette zich moeder Kloppers bij den
vreemdeling neer, en het bord bouillon, dat de Kaffermeid bracht,
schoof zij zwijgend ter zijde.
Zij deed zelfs geen poging, om den zieke te doen eten, doch nu en
dan verkwikte zij zijn brandende lippen met een teug water.
Het werd namiddag -- zij zat nog bij de ziekensponde. Het werd avond
-- zij zat er nog.
Zij liet zich het eten boven brengen, en op een fluisterende vraag
van haar kleindochter Lena antwoordde zij: "Hij krijgt een harde
koorts; ik blijf van nacht bij hem op."
En zij deed het.
Bij het sobere licht eener brandende vetkaars hield zij den ganschen
nacht de wacht, en met de liefde en het geduld der echte
ziekenverpleegster lette zij op de geringste beweging van den
koortslijder.
Maar de koorts klom, en die ingevallen kaken begonnen te gloeien met
een bedriegelijk rood. Zijn onrust nam toe, en het scheen, alsof
zijn geest, door furiën werd voortgezweept.
Onophoudelijk wendde zich zijne blik naar het houten beschot aan
zijn voeten, en het scheen, alsof hij daar schrikwekkende visioenen
zag. Maar plotseling kon die angst en vertwijfeling, die hem
bezielde, overgaan in een groote diepe droefheid, en de toon, waarop
hij in die oogenblikken uitriep: "Mijn arme moeder, wat is er van uw
kind geworden!" had iets onbeschrijfelijk treurigs.
"Als hij maar tot rust konde komen!" zuchtte moeder Kloppers,
terwijl zij den zieke koude compressen met water op het hoofd legde,
maar ach! daar haperde het aan!
Tegen den nanacht nam het ijlen nog toe, en de verpleegster had
handen vol werk, om den koortslijder in bed te houden.
"Nog één zoo'n koorts, en hij is weg," steunde zij, en zijn
beurtelings geroep om zijn moeder deed de teederste snaren trillen
van haar eigen moederhart.
Zij was diep bewogen en wischte het klamme zweet van zijn gelaat.
En zij knielde vóór de bruine bedstede neder, smeekte dringend en
ernstig om de genezing van dezen vijand van haar volk.
En God verhoorde dat gebed.
Plotseling vloog hij overeind, en de koorts schudde hem als een
espenblad.
Toen viel hij machteloos neer en sloot de oogen.
Moeder Kloppers voelde in ongewone spanning zijn pols, en langzaam
verhelderde zich haar gelaat.
"Er komt hoop!" fluisterde zij tot zich zelven, en luisterend zette
zij zich aan het hoofdeinde neder.
De vreemdeling lag daar als een schijndoode; dat deed de uitputting.
Men kon nauwelijks merken, dat hij ademhaalde, maar moeder Kloppers
zeide: "Hij slaapt, en die slaap zal hem genezen."
Zij kortte haar nachtrust in, om zooveel mogelijk haar tijd den
koortslijder te kunnen wijden. Zij vermaande hare huisgenooten tot
de grootste stilte, en gaf in alles het goede voorbeeld. Telkens
moest zij denken aan die arme moeder in het verre Engeland, van wie
hij had gesproken in zijn ijlen, en een groot en diep medelijden
vatte post in haar hart. Zij bevochtigde nu en dan zijn heete,
verschroeide lippen met eenige druppels wijn, en op de geringste
zijner bewegingen lettend, zat zij daar aan zijn ziekensponde als
zijn goede engel.
Twee keeren sloeg hij even de oogen op, doch om ze onmiddellijk weer
te sluiten.
Eenige dagen later, op zekeren namiddag, toen het bedrijf de
afwezigheid van moeder Kloppers noodzakelijk maakte, had Lena de
plaats van haar grootmoeder ingenomen.
Zij was in haar handwerk en in haar gedachten verdiept, en zij
merkte het niet, dat de zieke haar reeds eenige minuten met groote,
verwonderde oogen lag aan te staren.
Vervolgens staarde hij naar boven, naar de lage, ruwe zoldering, en
naar buiten, naar het dichte, ruischende loover van den lindeboom,
vlak vóór het kleine venster.
Hoe stil, hoe gezellig en vredig was dit eenvoudig kamerke! En nu en
dan brak het zonnelicht door het lichte loover van den lindeboom
heen, en straalde als goud in het kleine vertrek.
Hij wreef zich peinzend het voorhoofd. Er was een gaping in zijn
herinnering, die hij trachtte aan te vullen, en nadenkend staarde
hij op zijn bleeke, uitgeteerde vingers. Nu eerst kwam een vermoeden
in hem op van de zware ziekte, die hij had te doorworstelen gehad,
en hij herinnerde zich den hotsenden ossenwagen, waarmede hij was
vervoerd geworden.
Doch hoe hij hier, in deze bedstede, was gekomen, kon hij zich niet
meer herinneren, want toen had de ijlkoorts hem reeds te pakken
gehad.
Nu trachtte hij zich op te richten, maar machteloos viel hij terug
in het veeren kussen. Doch Lena had met haar scherp gehoor begrepen,
wat hij wilde, en zij zeide op hare innemende, bevallige manier: "Is
onze patient eindelijk wakker?"
"Ja," zeide hij; "heb ik lang geslapen?"
"Ja, een heele tijd," antwoordde zij op vriendelijken toon.
"Waar ben ik eigentlijk?" vraagde hij met klimmende verbazing.
Zij deelde het hem mede.
"Ge zijt vriendelijke menschen," zeide hij bewogen; "ik ben u veel,
veel dank verschuldigd," en hij strekte zijn magere uitgeteerde
handen uit.
Doch zij bemerkte dit niet.
"Hebt _gij_ mij opgepast?" vraagde hij.
"Neen," zeide ze, "mijn grootmoeder."
"Kijk, daar hangt mijn roode uniform," riep hij; "daar, tegen den
muur."
Het scheen hem goed te doen, dat hij iets bekends zag.
"En mijn helm en mijn sabel! Maar wat hangt daar toch naast?"
"Ik weet het niet," antwoordde zij; "ik kan niet zien."
"Waarom niet?" vraagde hij verwonderd.
"Ik ben blind," antwoordde ze.
"Ach," zeide hij, "blind!"
"Maar moet ge niet wat te eten hebben?" vraagde Lena bezorgd.
"Nu," antwoordde hij met een hongerigen blik uit zijn diepliggende
oogen, "ik lust wel wat!"
"Dan zullen wij je helpen," zeide Lena op vroolijken toon, en zij
liep voorzichtig de trap af.
Het duurde niet lang, of zij kwam met grootmoeder terug.
Moeder Kloppers had reeds een bord soep meegebracht.
Zij kruiste de armen over elkander en zeide: "Zoo Roodbaatje, begin
je honger te krijgen? Daar ben ik blij om. Hier heb ik al wat goeïe
kost meegebracht, hoor," en zij stutte het kussen in zijn rug.
En terwijl zij het bord vasthield, greep hij haastig naar den lepel
en begon te eten.
Maar zij verwonderde zich zeer, keek hem aan met strakken blik en
zeide: "Bid je niet voor den eten?"
"Neen," antwoordde hij verlegen.
"En hebben je ouders je dan geen bidden geleerd?" ging zij voort.
"Ja," zeide hij met klimmende verlegenheid.
"En waarom bid je _nu_ dan niet?" vraagde ze in groote verbazing.
"Ik kan niet meer bidden," zeide hij treurig; "ik heb het verleerd."
"Ach, dat is erg," zuchtte de oude vrouw, en ook Lena zuchtte.
Zij waren beiden bedroefd. Het was, alsof de zon, die pas na een
aantal sombere dagen op nieuw begon te schijnen, plotseling door een
zwarte, duistere wolk werd onderschept.
Charles Marling _voelde_ die droefheid. Tegen harde, scherpe woorden
ware hij bestand geweest, maar tegen deze droefheid had hij geen
verweer.
Zwijgend nuttigde hij zijn bord soep en legde zich neder. Ware hij
alleen geweest, dan had hij misschien zijn handen gevouwen, om te
danken, doch nu wilde hij het niet doen, om den schijn van huichelen
te vermijden.
Doch moeder Kloppers en haar kleinkind namen het anders op, en deze
dag eindigde recht treurig op "Vredenoord".
En Charles Marling voelde zich diep ongelukkig.
--------
HOOFDSTUK XXVIII.
------
De vreemdeling zit voor den eersten keer onder den lindeboom.
Hij is in gewone Boerenkleeding; in plaats van de roode uniform
draagt hij den blauwen kiel.
Zijn wangen staan nog hol, en diep liggen de oogen in hun kassen.
Hij heeft veel geleden.
Over zijn moeder heeft hij na zijn ijlen niet meer gesproken.
Trouwens hij spreekt zoo weinig mogelijk.
Het beste kan het de blinde Lena nog met hem vinden.
Hij is ongelukkig door zijn verleden, en zij door hare blindheid --
dat schijnt onbewust een geheimzinnigen band te vormen.
Droomend gaat zijn blik over den tuin en den boomgaard, over de
golvende maïsvelden en de groene, schemerende heuvelen aan den
horizon.
Liefelijk strekt zich het landschap met zijn tallooze bloemen uit
voor zijn blik, maar zijn oog glijdt er onverschillig over heen.
Zijn geest is er niet bij. Zijn geest staart op zijn vervlogen leven
-- een diep treurig, verloren leven.
En op den achtergrond ziet hij een treurende, schreiende weduwe, die
haar zoon beweent -- en die zoon is _hij_.
Lena zet zich in zijn nabijheid neder. Hier, in de schaduw, heerscht
een aangename koelte. Daar binnen, in huis, is het heet.
"Wij zijn beiden ongelukkig," zegt hij na een langdurig zwijgen.
"Dat _gij_ ongelukkig zijt," zegt zij, "vermoed ik, maar dat
blindheid een vreeselijk ongeluk is, dat _weet_ ik."
"Zijt ge blind geboren?" vraagt hij met eenige belangstelling.
"Neen," antwoordt ze, "maar ik heb een ziekte op mijn oogen
gekregen, en zoo ben ik blind geworden."
"Kreegt ge de ziekte op beide oogen tegelijk?"
"Neen," zegt ze; "ze ging over van het ééne oog op het andere."
"En hoe lang is dat geleden?" vraagt hij met ongewone
belangstelling.
Zij deelt hem het verloop der ziekte mede.
"En heeft uw familie nooit een bekwamen oogarts geraadpleegd?"
vorscht hij.
"Neen," antwoordt het eenvoudige meisje; "hoe heeft ze dat gekund?
Wij leven hier in zeer bewogen tijden, en dan komt er niets van."
"Maar zou ik dan nog genezen kunnen worden?" vraagt zij met blijde
verrassing in haar stem.
"Ik weet niet," zegt hij, "maar ik heb er wel eens van gehoord. In
Londen -- daar zou 't misschien gaan."
"Daar zal ik nooit komen," zegt zij treurig.
"Ik denk het ook niet," zegt hij, en hij haalt de schouders op.
Er volgt een langdurige pauze.
Een groote Ulmer dog komt met langzame schreden aanloopen, en vleit
zich neder aan de voeten van zijn meesteres.
Van de groote duiventil achter het huis klinkt het gekir der duiven,
en in den bloementuin gonzen de bijen.
Charles Marling wendt zich op nieuw tot het meisje, maar zij kijkt
hem verwonderd aan, want zij begrijpt zijn spraakzaamheid niet.
"Ik ben ongelukkig," zegt hij; "ongelukkiger dan gij."
"Dat weet ik niet," zegt ze.
"Veronderstel eens, dat ge je moeder op het hart hebt getrapt, is
dat niet erger dan blindheid?" vraagt hij.
"Ja," zegt ze, terwijl zich hare glanslooze oogen op hem richten,
"dat is erger."
"En hebt gij dat gedaan?" vraagt ze op ernstigen toon.
"Ja," zegt hij, "dat heb ik gedaan."
En nu komt het er uit, wat hem foltert dag en nacht: in eens,
plotseling, hartstochtelijk, als een opschuimende fontein. Hij
vertelt, hoeveel smart hij zijn moeder heeft veroorzaakt, en hoe hij
met allen godsdienst als het grootste struikelblok tot het ware
geluk heeft gebroken.
Hij verhaalt van het bittere hartzeer, dat zijn moeder om zijnentwil
heeft gevoeld, en van den wreeden spot, waarmede hij haar laatste
vermaningen heeft aangehoord. Hij tracht zich niet te verschoonen,
maar schijnt er behoefte aan te hebben, om ten minste aan één mensch
in de wijde schepping te laten zien, welk een verworpeling hij is.
"'t Is verschrikkelijk," roept zij uit.
Zij rilt er van, maar aan een plotselinge ingeving gevolg gevend,
zegt zij: "Gij zijt als de verloren zoon in het evangelie -- keer
terug naar het Vaderhuis!"
Op den avond van dezen dag knielt in het groote, drukke Londen een
eenzame weduwe op haar kamer neder.
Op de tafel ligt een Zuid-Afrikaansche courant, waarin haar zoon
onder de vermisten bij het gevecht van Lang-Nek is opgegeven.
Doch in spijt van deze vreeselijke tijding geeft de moederliefde den
kamp nog niet op voor het behoud van haar kind.
Zóó sterk is de moederliefde -- zij worstelt tegen den dood.
"Heere," zegt de eenzame weduwe, "red mijn kind, als het nog leeft!
Red zijn arme ziel! Hij weet niet, wat hij doet -- red hem uit de
strikken van Satan, en breng hem terug als den verloren zoon!"
Dit gebed doet zij elken avond -- ach, den ganschen dag! Het is haar
kind, en het _blijft_ haar kind, al is het verdoold op de paden der
ongerechtigheid.
Kan een moeder ooit haar kind vergeten?
En ver weg, in de wildernissen van Zuid-Afrika, op een donker
dakkamerke van "Vredesoord" buigt een jonge man zijn knieën en roept
om genade!
En de engelen leggen het oor te luisteren naar het smeekgebed van
een arm, gejaagd menschenhart, en zij nemen reeds de gouden harpen
van de marmeren zuilen.
------
We zijn weer eenige dagen verder.
De slag van den Amajuba is voorbij, en met dankbare blijdschap is
het goede nieuws op "Vredenoord" vernomen.
Stil en in zich zelven gekeerd zit Charles Marling op zijn oude
plaats onder den lindeboom.
Hij sterkt langzaam aan, en de hoofdwond betert goed.
Hij heeft een Engelsch testament in de hand en leest het met groote
aandacht.
_Nog_ is het winter in zijn hart, maar reeds zweven de lentewolken
er over heen, die het ijs zullen smelten.
Een groote, diepe droefheid vervult zijn ziel -- ja, het zal lente
worden!
De adem van den Eeuwige gaat over dit verloren hart -- zou het daar
geen lente worden?
Hij leest de gelijkenis van den verloren zoon.
En hij leest ze nòg eens en nòg eens.
Ach, dat is hij -- trek voor trek!
Maar hij wordt bewaard voor de vertwijfeling, en de ster der hoop
beschijnt zijn pad.
"En tot zich zelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen
mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!"
Nu beginnen de lentewolken te druppelen....
Nu zal het ijs gaan smelten...
"Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal tot hem zeggen:
Vader! ik heb gezondigd tegen den Hemel en voor u; en ik ben niet
meer waardig, uw zoon genaamd te worden; maak mij als éénen van uwe
huurlingen!"
Reeds is de zon ondergegaan, en nog altijd zit Charles te peinzen en
te lezen. En de tranen biggelen hem over de bleeke wangen.
"Kom, Marling," zegt Lena, die naar buiten komt, "het wordt te koud
onder den lindeboom."
Hij gaat naar binnen, als in een droom.
En in dezen nacht look geen slaap zijn oogen. Er was ook geen tijd
voor, want hij deed de reis naar zijn vader.
"En opstaande, ging hij naar zijnen vader. En als hij nog ver van
hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming
bewogen; en toeloopende viel hem om zijnen hals en kuste hem."
En toen grepen de engelen in de snaren hunner gouden harpen, want er
is bij hen blijdschap over éénen zondaar, die zich bekeert.
En nu was de lente waarlijk gekomen! Het lied van den zangvogel werd
gehoord, en de bloesems botten uit. De hemel neigde zich tot de
aarde, en weerspiegelde zich in het oog van een zalig menschenkind.
Het verloren kind had zijn vader teruggevonden en het eeuwige
rustpunt voor zijn hart.
Charles sprak dien morgen weinig, maar de verandering, die bij hem
had plaats gehad, blonk uit zijn oog en straalde van zijn gelaat, en
openbaarde zich in de teederheid, waarmede hij sprak.
Er was iets grootsch in dit huis geschied, en moeder Kloppers
vermoedde het, al wist zij 't niet.
In den loop van den dag verzocht Charles papier en inkt, en schreef
een langen brief. En telkens brak hij den brief af, en hier en daar
waren de letters uitgewischt, en dat kwam van de tranen, die op het
papier nedervielen.
Dezen brief sloot hij in een couvert, en adresseerde hem aan een
weduwe in Londen.
En deze weduwe was zijn moeder.
--------
HOOFDSTUK XXIX.
------
Weduwe Marling houdt een brief in de hand.
Reeds het adres is voor haar een verkwikking, want het is de hand
van Charles.
Dus hij leeft nog! En hij denkt aan haar!
Nu opent zij met een kloppend hart het couvert, en ze is blijde
verwonderd, zoo'n langen, langen brief te ontvangen.
De inkt is wel wat bleek, en de pen schijnt niet van het beste soort
te zijn geweest, doch dat hindert niet. Een lange brief is een
bewijs van een warm hart.
En nu zet de weduwe zich neder en begint te lezen.
"_Innig geliefde Moeder!_"
Zie, zóó heeft hij in langen tijd niet geschreven. De aanhef was
gewoonlijk koeler, harder.
"Dit is nu de eerste brief, dien Gij, lieve Moeder, in langen tijd
van mij ontvangt, en ik ben diep bedroefd, dat ik zoo'n trouw
moederhart zooveel pijn heb veroorzaakt."
_Is_ deze brief van Charles?
Ja, 't _is_ zijn brief, 't _is_ zijn hand.
"Ik hoop, dat de Heere mij in het leven moge sparen, om ten minste
eenigszins uwe liefde te vergelden, waar gij om mij zooveel
harteleed hebt doorgestaan."
De weduwe leest door -- in wondere, blijde verbazing -- maar de
letters beginnen te dansen voor haar oogen -- zij kan niet verder.
Het geluk is te groot, om het in eens te vatten.
Hier staat zij voor een buitengewone gebedsverhooring, en slechts
aarzelend durft zij aan die verhooring te gelooven.
Doch er is geen twijfel aan; het is geen droom. En is de brief nat
gemaakt door de tranen van haar kind, tranen van berouw, nu vallen
er de tranen op van de moeder, tranen van overstroomende blijdschap.
Het wordt licht in haar woning; het wordt licht in haar hart.
Zij begeeft zich naar het raam.
Het gewoel der wereldstad dreunt en dondert onder haar vensters
voorbij, en duizenden menschen dwarrelen dooréén, haastig en
gejaagd, ieder naar zijn doel.
Ach, zij zou nu al die menschen wel bij elkander willen vergaderen,
ja heel Londen, en tot hen roepen: "Zie, mijn kind was dood en het
leeft; het was verloren en het is gevonden -- weest nu blijde met
mij!"
Veel smart, veel bitter zielewee heeft haar jongste zoon, haar
Charles haar veroorzaakt, maar deze korte oogenblikken van zaligheid
wegen er tegen op, en maken alles, _alles_ goed!
Zij wil de menschen deelgenoot maken van haar vreugde, en zou zij
haar _God_ niet danken?
Op gebogen knieën dankt zij hem....
Nu neemt zij weer den brief ter hand, en met groote kalmte leest zij
hem ten voeten uit.
"Als Eduard komt," zegt zij, "wat zal hij zich verblijden!" Eduard
is haar oudste zoon -- zij heeft slechts twee kinderen -- en heeft
gestudeerd voor arts. Hij heeft zijn doctoraal examen met lof
afgelegd, en staat thans op het punt, zich te vestigen als arts in
de oogheelkunde, waarvan hij een bizondere studie heeft gemaakt.
Hij zou zich reeds hebben gevestigd, doch daar zijn moeder in
ruimere financiëele condities is gekomen, kan hij zich de weelde
veroorloven, om zich in de kliniek voor zijn ernstige taak voor te
bereiden.
Hij is ook heden morgen naar de kliniek gegaan, doch daar hoort zijn
moeder reeds zijn welbekenden stap, de trappen op.
Ge kunt wel zien, dat hij een broeder van Charles is, doch hij is
iets langer, heeft een donkerder opslag, en uit dat bleek gelaat
staren twee donkere oogen.
Heel zijn houding verraadt den man van studie en wetenschap.
Verwonderd staart hij zijn moeder aan, want het stildroevig gelaat,
dat hij zooveel jaren heeft gekend, heeft plaats gemaakt voor een
gezicht, waarop blijde ontroering ligt.
"Wat is 't, moeder?" vraagt hij belangstellend.
"Lees maar, mijn jongen," zegt ze, en ze reikt, terwijl haar de
tranen op nieuw in de oogen komen, aan Eduard den brief.
Eduard is niet als zijn moeder.
Hij is een man van zelf beheersching, en bedaard leest hij den
brief. Maar toch beeft zijn stem, als hij zegt: "Moeder, moeder, wat
een geluk!"
Hij leest den brief nog eens, langzamer dan zooeven.
"En hebt ge wel gelezen, dat hij wegens zwakte nog niet kan komen,
en dat hij wenscht, dat wij hem zullen halen?" vraagt Eduard.
Zijn moeder knikt bevestigend.
"En dan heeft hij het over een blind meisje, uit eene familie, die
hem van den dood heeft gered, zooals hij schrijft, en nu moet ik het
meisje genezen."
"Kan dat?" vraagt zijn moeder met spanning; "zou dat kunnen,
Eduard?"
"Het is mogelijk," antwoordt hij. "Wel te verstaan," laat hij er
bedachtzaam op volgen, "als Charles zich niet vergist, en door een
ziekte een verduistering van het hoornvlies is ontstaan. Dat _kan_
genezen. Verleden week heb ik nog zelf in de kliniek een operatie
bij een dergelijke oogziekte met het beste resultaat uitgevoerd."
"Dan gaan wij er heen," zegt de weduwe op beslisten toon.
"Ik vind het uitstekend, moeder!"
"En gij moet dat kind zien te redden. Ik ben aan die familie -- hoe
heeten ze ook nog!"
"De familie Kloppers," zegt hij.
"Juist; ik ben aan die familie Kloppers mijn leven lang de grootste
dankbaarheid verschuldigd."
"Dus wij gaan, moeder?"
"Wij gaan, zoo God wil. Zoo'n zeereisje zal u ook goed doen, Eduard;
dan hebt ge eenige ontspanning."
"Uitstekend," zegt hij, en hij wrijft zich vergenoegd de handen,
"uitstekend! Maar is zoo'n zeereis voor u niet bezwarend?"
"Een echte Engelsche vrouw heeft de zee lief, want daar ligt onze
kracht!"
"En ik verlang er naar," roept hij uit, "om den oceaan eens te zien
in zijn majesteit en heerlijkheid!"
"En wanneer zullen we gaan, moeder?"
"Hoe eerder, hoe liever; ik verlang naar mijn kind. De vrede is
gesloten -- laat ons over acht dagen gaan!"
"Over acht dagen, dat kan niet," lacht hij; "maar over veertien
dagen, dat zou gaan!"
"Wel nu, dan over veertien dagen," zegt de energieke vrouw, "maar
zeker niet later."
"Goed; ik zal straks bij het kantoor der Donald Currie-lijn aangaan,
om voorloopige informaties te nemen, doch ik wacht eerst nog op
Henri Stephens, met wien ik even naar het Park wilde wandelen."
Hij neemt den brief, die op de tafel ligt, nog eens ter hand.
"Is het u niet opgevallen, moeder, welk een gunstig getuigenis
Charles aflegt van de Transvaalsche Boeren?"
"Ja," zegt ze; "hij dweept letterlijk met de Boeren."
"Hij is dan ook al bij bizonder hartelijke menschen aangeland,"
meent Eduard.
"Hij legt in elk geval een gunstiger getuigenis af van de Boeren,
dan wij hier in de pers te lezen krijgen," zegt zij met eenigen
klem.
"Ik heb reeds lang aan de waarheid van die couranten-berichten
getwijfeld," zegt hij, "maar verleden week heb ik een lijvige
brochure gelezen, waarin duidelijk en zakelijk wordt aangetoond, dat
de Boeren gruwelijk zijn belasterd."
"Ik heb hart voor de Boeren," zegt de weduwe; "zij hebben mijn kind
van den dood gered."
"Maar als zij uw kind, in de vijandelijke uniform, van den dood
redden, dan zijn het niet de duivels, waarvoor zij worden
uitgekreten," zegt hij met nadruk.
Onder dit gesprek is Henri Stephens, de vriend van Eduard en
eveneens wordend arts, binnen gekomen.
"Wat een druk gesprek wordt hier gehouden," zegt hij met opgewekte
stem.
"Ik heb zoo even een brief ontvangen van Charles," zegt de weduwe op
levendigen toon, "en hij maakt het uitstekend."
"Kom aan, dat doet me pleizier," zegt Henri; "hij had licht op den
Amajuba kunnen blijven."
"Hij werd bij Lang-Nek zwaar gewond," zegt Eduard, "en is toen in de
handen der Boeren gevallen."
"In de handen der Boeren!" zegt Henri; "dan ben je ook voor je
pleizier uit!"
"Zij hebben Charles verpleegd als hun eigen kind," zegt de weduwe
met warmte.
"Dat gaat mijn verstand te boven," zegt hij schouderophalend.
"En van den dood gered," voegt de weduwe er aan toe, "dat zult ge
nog minder kunnen begrijpen?"
"Inderdaad, Mevrouw," zegt Henri, "dat begrijp ik nog minder."
"En waarom begrijpt ge dat niet?" vraagt Eduard, terwijl hij zijn
vriend met zijn donkere oogen vorschend aankijkt.
"Omdat het toch bekend genoeg is, dat de Boeren niet deugen," zegt
Henri.
"Ja, bekend genoeg -- maar is het waar?" vraagt Eduard met eenigen
nadruk.
"Natuurlijk is het waar," antwoordt de aangesprokene eenigszins uit
de hoogte.
"Maar laten wij daar nu niet verder op ingaan," zegt hij
vriendelijker; "je broer is er goed afgekomen, en dat is de
hoofdzaak. Ik ben er blij om en feliciteer je er mee."
Hij reikt Eduard en diens moeder de hand, die hartelijk wordt
aanvaard.
"Doch ik moet toch nog even op de Boeren terug komen," zegt Eduard
op bedaarden toon. "Ik laat ze maar zoo niet afmaken zonder
bewijzen. Dat er onder de Boeren schurftige schapen loopen, dat kan
wel waar zijn --"
"Dat denk ik ook wel," roept Henri er tusschen in met schamperen
lach.
"Maar onder ons volk loopen ook schurftige schapen," gaat Eduard
voort. "Doch dat het vòlk niet deugt, voor die bewering moet je
bewijzen hebben, Henri. En naar die bewijzen ben ik toch
nieuwsgierig."
"Nu, ik heb ze," antwoordt Henri met nadruk. "En nu gij er mij toe
dwingt, om er over te spreken, ga ik nog wat verder. Ik heb zoo even
beweerd, dat de Boeren niet deugen, maar ik heb me niet sterk genoeg
uitgedrukt. Het zijn _beulen_ en _dieven_; zij _mishandelen_ de
Kaffers en _stelen_ hun vee; zij _schenden_ de Kaffervrouwen en
jagen ze dan de woestijn in. _Dat_ zijn jou lieve Boertjes!"
"Mijnheer Stephens," zegt de weduwe met verontwaardiging in haar
stem, "zulke taal duld ik niet in mijn huis."
"Mevrouw," antwoordt Henri op beleefden toon, "het spijt mij zelf,
doch uw zoon heeft er mij toe genoodzaakt."
"Breng mij bewijzen," zegt Eduard, met moeite zijn zelfbeheersching
bewarend -- "bewijzen!"
"Ik heb ze," tart Henri.
"Dr. Philip?" vraagt Eduard op minachtenden toon.
"Neen, niet Dr. Philip," antwoordt de aangesprokene, "ofschoon Dr.
Philip alleszins een geloofwaardige getuige is. Maar ik zal een
onwraakbaren getuige oproepen, een man, met wien gij altijd hebt
gedweept; een man, die meer voor de Kaffers heeft gedaan dan al de
Boeren te samen. Ik bedoel Dr. Livingstone. Ge wilt bewijzen? Hier
heb ik een boek van Livingstone, dat over de Transvaalsche Boeren
handelt -- hier!" 1)
Hij haalt het boek uit den zak.
"Ik ken het," zegt Eduard; "'t is zonder toestemming van Livingstone
na zijn dood uitgegeven."
"Dat zegt niets," beweert Henri.
Hij slaat het boek op.
"Lees hier: _De van Riebeek 2) beginselen bestaan daarin_ _dat men
zonder gewetenswroeging de inboorlingen van land en vee en vrijheid
kan berooven. Uit het journaal van dezen zelfden van Riebeek blijkt,
dat in zijn persoon vereenigd waren de invoering van het christendom
plus een beginsel, rijk in tranen en rouw en weedom. Wij zien den
apostel 'van vrede op aarde, en welbehagen in menschen' onmachtig,
om zijne hongerige ziel in toom te houden bij het gezicht van het
vee der Hottentotten, in de nabijheid der forten grazende... De kerk
der Boeren is en is altijd geweest het groote bolwerk van slavernij,
veediefstallen en strooptochten tegen de Kaffers. De kerk sloot de
oogen, als het vee van Kaffers, Boschjesmannen en Hottentotten werd
gestolen, hun bloed als water werd uitgegoten, hunne vrouwen werden
verkracht, en hunne kinderen tot slaven werden gemaakt_."
"Zijt ge _nu_ overtuigd, Eduard?" vroeg Henri.
"Ik vraag _bewijzen_," zegt Eduard.
"Wel nu, is _Livingstone_ nog niet voldoende?" vraagt Henri met
bevreemding.
"Neen, Livingstone is me _zeker_ niet voldoende," zegt Eduard. "Hij
blijft voor mij een der grootste zendelingen onder de heidenen, die
ooit hebben geleefd, maar hij was een feilbaar en lichtgeloovig
mensch. Hij spreekt van het journaal van van Riebeek, doch dit
journaal rept met geen woord van dat monsterachtig beginsel, waarvan
Livingstone spreekt. Hij heeft over de Boeren geschreven, zonder hun
taal te kennen, zonder hun zeden te verstaan, zonder hun
geschiedenis te begrijpen. Waarschijnlijk heeft hij ter kwader ure
zijn oor geleend aan den één of anderen Boerenhater, en met zijn
eerbiedwaardigen naam -- ter goeder trouw, doch met groote
lichtvaardigheid! -- den afschuwelijksten laster gedekt. En zijn
vrienden hebben op die lichtvaardigheid de kroon gezet, door het
schotschrift, dat hij misschien voor het vuur had bestemd, in druk
te laten verschijnen."
"Ik vraag bewijzen, bewijzen!" gaat hij voort met klimmenden nadruk,
"geef mij _een_ bewijs, het _kleinste_ bewijs, maar ge kunt het
niet, omdat alles leugen en laster is, van a tot z."
"Livingstone is mijn zegsman," zegt Henri op koelen toon, "en als
Livingstone je niet voldoende is, dan spijt me dat. Ik betreur het
dan ook, dat Engeland aan de Boeren de vrijheid heeft teruggegeven."
"Ik vind het een edele daad van het ministerie Gladstone, dat het de
vijandelijkheden heeft gestaakt," meent Eduard, terwijl hij den
huisvriend een sigaar presenteert.
"Edel?" zegt Henri, terwijl hij de sigaar opsteekt, "edel? In de
politiek komt geen edel of onedel te pas. Onze mineralogen hebben
den Transvaalschen grond onderzocht, en niet voldoende goud
gevonden; dat is de hoofdreden van ons toegeven."
"Ik zou het betreuren," zegt Eduard, "als dit de hoofdreden was. Ik
meende toch, dat er vroeger goud is gedolven in de Transvaal."
"Dat is er ook," zegt Henri.
"En nu niet meer?"
"Ten minste niet voldoende," antwoordt Henri.
"Dan heeft God het goud van de Transvaal misschien voor onze wijze
mannen opgeborgen," meent Eduard.
"Dat denk ik ook," lacht Henri; "in elk geval is de bewering van jou
een gissing, maar wat geen gissing is, is dit, dat wij Engelschen
den aanleg hebben ontvangen, om de wereld te regeeren. En waar een
aanleg is, is een roeping ook!"
"Een mooie redeneering!" spot Eduard. "Een dief heeft aanleg, om te
stelen; anders zou hij geen dief zijn. En met te stelen vervult hij
juist zijn roeping -- bepaald een mooie redeneering!"
"Ja, jij met je ziekelijk idealisme zoudt de macht van ons volk
helpen afbreken," zegt Henri met bitterheid.
"En jij met je brutaal machtsbegrip," antwoordt Eduard, "wilt mijn
volk, dat ik liefheb, vernederen tot een roofridder en zeeschuimer.
Wanneer is Engeland ooit grooter geweest dan in het begin dezer
eeuw, toen de Europeesche vrijheid achter onze krijtrotsen een
veilig Pella vond? Toen streed het voor de vrijheid der volken, en
zal het nu de eeuw eindigen met de vrijheid der volken te knechten?
Moeten de Transvalers, omdat zij een klein, nietig volk zijn, onder
het juk?"
Hij sprak met toorn; zijn bleeke wangen kleurden.
"Hebt ge ooit," ging hij voort, "Barker's pakkende schilderij
gezien, waarop een zwart inlandsch opperhoofd uit Midden-Afrika aan
onze blanke koningin den bijbel overhandigt met de woorden: Hare
Majesteit, zie daar het geheim van Engelands grootheid?"
"Ik heb de schilderij gezien," zegt Henri, "er zat poëzie in."
"En _waarheid!_" vroegt Eduard er aan toe.
"Nu -- ga je mee?" vraagt Henri, terwijl hij opstaat.
"Als ge uw oordeel over de Boeren herroept -- dan ja!"
"En anders --?" vraagt Henri op ijskouder toon.
"En anders -- niet!" antwoordt Eduard met nadruk.
"Dan ga ik alleen," roept Henri met harde stem, "want ik herroep
mijn oordeel niet. De Boeren zijn en blijven voor mij een troep
psalmzingende schurken!"
Nauwelijks groet hij, en met snelle, driftige treden gaat hij de
trap af.
Moeder en zoon staren elkander eenige oogenblikken aan.
"Daar gaat de opinie van Engeland," zucht de moeder.
"Ik vrees het ook," zegt de zoon, "maar die opinie zal ons toch
dezen heerlijken dag niet bederven!"
"Neen;" zegt de moeder, en de vreugde straalt opnieuw uit haar
oogen, "dat zal ze ook niet. Want mijn kind was dood, en zie -- het
leeft! Het was verloren, en zie -- het is gevonden!"
1) "The Transvaal Boer," by Livingstone.
2) Antonie van Riebeek, geboren te wijk bij Duurstede, was de
stichter der Hollandsche kolonie aan de Kaap.
--------
HOOFDSTUK XXX.
------
't Zal van daag een feestdag worden voor "Vredenoord". Ge kunt het
aan alles merken.
De Kafferdienstmeiden zijn op hun Zondags uitgedoscht, met strikken
en linten van schelle, schreeuwende kleuren, en zij loopen zoo vlug
als antilopen, want moeder Kloppers heeft hen van daag, nu de Boeren
van het oorlogsveld worden terugverwacht, een bijzondere traktatie
beloofd, en zij lachen en giegelen en knijpen elkander onder den
arbeid in de dikke ooren.
En moeder Kloppers staat met opgestroopte mouwen in het kookhuis, en
eenige Kaffers zijn bezig, om met vaardige hand groote lappen malsch
vleesch te braden, want dat kunnen ze, en een paar anderen snijden
groote stapels brood, en moeder Kloppers zorgt voor de koffie.
Maar Charles Marling kan nog niet veel doen, want hij is nog zwak,
doch hij doet wat hij kan, en smukt de huisdeur met lover en
bloemen. En Lena kan in 't geheel niets doen, en leunt zwijgend
tegen den breeden stam van den lindeboom vóór het huis.
En nu alles gereed begint te komen, om de verwachte gasten een
waardige ontvangst te bereiden, neemt de oude, krasse vrouw het
geheele huis nog eens zorgvuldig in oogenschouw, schikt den grooten,
rieten stoel in den hoek bij de tafel, waar haar man placht te
zitten, kijkt het wagenhuis na, of de wagens, de ploegen, de eggen
en de andere landbouwgereedschappen in nette orde zijn geplaatst,
heeft voor den eenen Kaffer, die vlug door werkt, een woord van lof,
en voor den anderen, die wat trager van inhoud is, een klinkende
oorveeg over, en neemt de blank gepoetste voorwerpen, die van daag
als spiegels blinken, met een goedkeurende glimlach op. Dan gaat zij
naar binnen en kleedt zich in haar beste kleed, zooals het de vrouw
des huizes betaamt, als het op "Vredenoord" feesttij is.
Nu kijkt zij op de oude, groote hangklok met de zware koperen
gewichten en de zwarte, dikke wijzers.
"Binnen een half uur kunnen zij hier zijn," zegt zij binnensmonds,
en zij gaat naar buiten, en plaatst zich vlak voor de oprijlaan en
Lena voegt zich bij haar.
En zoo staat moeder Kloppers daar te wachten, en dat oude, verweerde
gelaat wordt schoon in den dubbelen glans van liefde en blijdschap.
En geen bruid kan reikhalzender uitzien naar haren bruidegom, dan
zij naar haar man, haren dapperen, onversaagden Voortrekker!
Nu bukt zich Lena, en zij legt het oor luisterend op den grond, en
zij zegt na een pauze: "De grond begint te dreunen onder het
getrappel van vele hoeven." En in het volgend oogenblik wordt er een
knetterend geweersalvo gehoord, en daar boven op den laatsten
heuvelkam, daar verschijnen zij, op hun vlugge paarden, de
Scherpschutters van Zuid-Afrika!
En sneller jagen zij van de heuvelen naar beneden, en de oude
Boerenvlag wappert op den wind, alsof zij vleugels heeft, en nu
buigen de ruiters de oprijlaan in, tien, twintig, tachtig man, en
kletterend gaan de vlugge hoeven over de harde steenen van de werf.
En terwijl het zweet van hun flanken spat, houden de paarden, onder
de luide hoera-kreten der Boeren, als met een ruk midden op het erf
stil.
Aan de spits, naast den kommandant, rijdt Dirk Kloppers.
Met de vaardigheid van een jongeling springt hij uit het zaâl, en
met een vreugdekreet begroet hem zijn vrouw. En even als veertig
jaar geleden, toen hij uit den eersten Engelschen oorlog kwam, zegt
hij: "Anna, liefste!" en hij kust haar.
Met vochtige oogen staart zij hem aan, en zij fluistert: "God heeft
alles wel gemaakt!"
"En hier is je jongen, je Benjamin!" roept de oude Voortrekker met
een tinteling van trots in zijn van vreugde stralend oog.
En Jan snelt op zijn moeder aan, en hij kust die oude wangen, en zij
fluistert geroerd: "Heb ik je weer terug, mijn licht en mijn
zonneschijn!"
En daar komt Arie zich tusschen de uit het zaâl gesprongen ruiters
doorwringen, en hij zwaait met zijn hoed en hij roept met zijn
frissche stem: "Grootmoeder, wij zijn de Roodbaatjes op den rug
geweest," en zij zegt op haar hartelijken toon: "Zoo, mijn wildzang,
ben jij daar ook?" En nu schuift Herman Hoogerhuis zich in den
kring, en zijn bruine oogen staan vroolijker dan ooit, en moeder
Kloppers zegt: "Herman, van nu af aan behoort gij tot de familie
Kloppers, alsof gij mijn eigen kind waart, want uw zelfopofferende
daad is mij ter oore gekomen."
Maar nu heft moeder Kloppers haar oogen op naar de ruiterschaar, en
zegt met een weemoedigen klank in haar stem: "Ik mis Teunis den
leeuwenjager."
En de oude Kloppers antwoordt: "De groote leeuwenjager rust in het
koele graf, in de passen van het Drakengebergte, en als een eenzaam
schildwacht is hij achtergebleven."
En Lena staat er bij, zwijgend en luisterend.
Maar nù gaat er een trilling door haar gansche lichaam, want dicht
in haar nabijheid hoort zij het ruischen der geliefde Boerenvlag. En
zij legt de hand om den ouden vlaggestok, maar hij is afgesplinterd,
en de zwaar gebaarde vaandeldrager zegt: "Dat hebben de Engelsche
granaatscherven gedaan." En zij neemt het verweerde doek en drukt
het vol eerbied aan haar lippen.
En daar heb je waarlijk ook den ouden Columbus!
Hij ziet er al wonderlijk uit, met den witten helm op het zwarte
hoofd, en een dragondersabel op zij. Hij zwaait met zijn lange
armen, en het hoofd fier in den nek geworpen, stapt hij met groote
waardigheid naar de Kafferhutten, die achter op het erf staan.
Hij is spoedig herkend, en al wat Kaffer is, schaart zich om hem
heen, en ze roepen: "Daar is de ouwe Columbus -- o ouwe Columbus,
wat ben jij mooi!" Zelfs de kleine, halfnaakte Kafferkinderen met
hun zwarte kroeskopjes rijzen uit de mulle zandhoopen op, waarin zij
liggen te wentelen, en roepen, terwijl zij komen aanwaggelen: "O ou
Colum! ou Colum!"
En ze joelen en schateren van pret.
En de zwarte Kafferdeernen, met de glinsterende glaskralen om den
hals, vragen: "O ouwe Columbus, waar zijn jou bloote voeten
gebleven?"
"Die zitten in deze dragonderlaarzen," antwoordt hij heel deftig, en
hij stampt met de laarzen, dat de lange sporen rinkelen.
"En waar heb jij jou kousen van daan gehaald?" vragen zij met groote
nieuwsgierigheid.
"Wel," grinnikt hij, "ik kwam bij een verbandplaats voorbij, waar
een Roodbaatje zat, wiens beide beenen moesten worden afgezet. En ik
zeide aan den dokter: Baas, geef mij de kousen van dat Roodbaatje.
En hij vraagde: Waarom, Kaffer? en ik antwoordde: Wel, dat
Roodbaatje heeft geen kousen meer noodig, als hem beide beenen
worden afgezet. Toen zeide de dokter: Kaffer, jij bent een wijs
schepsel, en jij zult de kousen hebben. En zoo kreeg ik de kousen."
En de vroolijke Kafferdeernen lachen, terwijl zij dit verhaal
aanhooren, zoodat hun witte tanden blinken als elpenbeen, en zij
roepen opgetogen: "O ouwe Columbus, jij bent slim als de slangen van
Zoeloe-land!"
En de oogen van den ouden Columbus beginnen bij die lofprijzingen te
schitteren als de oogen van zijn grooten naamgenoot, toen hij aan
den horizon der deinende watervlakte de groene oevers van een
onbekend werelddeel zag opdoemen.
Intusschen hebben zich de huiswaarts keerende Boerenkrijgers in
gezellige groepen in den uitgestrekten boomgaard onder het groen
gebladerte neergevleid, en onophoudelijk loopen de Kaffers rond, om
voor de hongerige en dorstige magen hooge stapels boterhammen en
dampende ketels koffie rond te dragen.
De boomgaard levert op dit oogenblik in zijn bewegelijkheid een
tafereel, het penseel van een beroemden kunstenaar waardig, en
Charles Marling wandelt, door de levendigheid van het tooneel
aangetrokken, met belangstellenden blik tusschen die druk pratende
groepen door.
Zijn geschiedenis is onder de Boeren ook gauw bekend, en de jonge
Barend Jansen roept: "Kom, Roodbaatje, en schik hier bij ons aan!"
"Goed," zegt hij opgeruimd, "dat zal ik ook doen," en hij reikt de
Boeren, die hier in de schaduw van eenige groote kastanjeboomen zich
hebben neergevleid, de hand.
"Maak jij wat ruimte voor ons Roodbaatje," roept Barend tot Leen
Blok, "en gooi je lange, smalle beenen eens den anderen kant uit!"
Leen voldoet aan deze order, en Charles vleit zich in het malsche
gras bij de jonge Boeren neer, die vol scherts en vroolijkheid zijn.
Niemand laat hem merken, dat hij als Engelschman een vijand van hun
volk is, en de jonge Boeren behandelen hem als een kameraad.
Zij hebben misschien een uur bij elkander doorgebracht, daar komt
een kort, dik vrouwtje aanloopen, met een jongen hond aan haar
zijde. Haar gezicht gloeit van de warmte, en zij rent regelrecht op
Leen Blok aan.
"Leen, daar is je vrouw," lachen de Boeren, "ontvang ze met
waardigheid!"
Onmiddellijk staat Leen op, en het kleine vrouwtje slaat haar korte,
dikke armen om zijn mageren hals, en strijkt hem het gele, sluike
haar uit het gezicht en snikt: "O Leentje, wat ben ik blij, dat ik
je weer heb!" Maar uit haar stem klinkt zooveel teederheid en
liefde, dat de jonge Boeren zelf worden getroffen.
"En wij hebben er negen lammeren bij gekregen," zegt ze, "en twee
kalveren, maar gij zijt mij meer waard dan alle lammeren en
kalveren, die er in de Transvaal zijn. En kom nu mee, Leentje,
dadelijk, want gij krijgt van daag je lijfgerecht!"
"Rijst met rozijnen?" vraagt de altijd hongerige Leen.
"Rijst met rozijnen," zegt ze plechtig, maar bij deze wending van
het gesprek barsten de jonge Boeren uit in een luid gelach.
Doch Trijntje stoort er zich niet aan, en slaat op nieuw de armen om
den mageren hals van haar echtgenoot.
Vlak achter Leen Blok graast zijn baloorige poney, en tusschen die
ruige, bruine oogharen flikkeren de kleine oogen kwaadaardiger dan
ooit.
Oogenschijnlijk begint hem het tafereel daar vóór hem schrikkelijk
te vervelen, en na twee keeren misgehapt te hebben, slaat hij zijn
bruingele tanden den derden keer vast in den rechter jaspand van
zijn meester, en tracht hem met de halsstarrigheid, waarmede dit
beest blijkbaar ter wereld is gekomen, uit de armen van zijn vrouw
te rukken.
Maar ook de vrouw houdt vast wat zij heeft, en zoo vechten Trijntje
en de poney beide om het bezit van den langen Leen. En het spijt me,
dat ik het zeggen moet, maar de Boeren steken geen hand uit, om de
strijdenden te scheiden, ja zij vinden de zaak integendeel heel
vermakelijk, en terwijl Barend Jansen heel bedaard een pijp stopt,
zegt hij: "Dat zaakje daar kan nog wel een poosje duren!" Doch nu
vermant zich de lange Leen, en met een krachtigen ruk en het verlies
van zijn rechter jaspand scheurt hij zich los uit den muil van het
ondier.
Het duurt nu niet lang, of hij heeft den poney getuigd en plaatst
zich in het zadel. En na de Boeren gegroet te hebben, zet zich de
kleine stoet in beweging.
De vrouw loopt naast haar man, en de jonge, speelzieke hond blaft
luid en driftig tegen de lange beenen van Leen Blok, die bijna den
grond raken.
Intusschen maken zich ook de Boeren langzamerhand gereed, om het
gastvrije erf van Dirk Kloppers te verlaten.
Zij zadelen hun paarden, nemen een hartelijk afscheid van de familie
Kloppers, en hun paarden de sporen gevend, rijden zij snel de
oprijlaan af tegen de heuvelen op.
Spoedig zijn zij achter den eersten heuvelkam verdwenen -- slechts
de oude Boerenvlag is nog zichtbaar -- zij wappert nog eens boven
den hoogsten heuvel -- en verdwijnt uit het gezicht.
Doch Dirk Kloppers stopt zijn pijp, en met de oude vrouw aan zijn
zijde houdt hij, zooals dat den baas van "Vredenoord" betaamt, met
bedachtzamen, onderzoekenden blik generale inspectie in huis en hof.
--------
HOOFDSTUK XXXI.
------
Er zijn weer eenige weken verstreken. Malsche regens zijn gevallen,
en hebben het dorstend aardrijk, dat om water schreeuwde verkwikt.
En de van droogte gespleten grond is op nieuw bedekt met een frisch
groen, en ver, in het zuiden, in de passen van het Drakengebergte,
is het eerste, teedere gras uitgesproten boven de groote, breede
grafheuvels.
Weduwe Marling met haar zoon Eduard zijn verleden week na een
voorspoedige reis hier te "Vredenoord" aangekomen en zijn thans de
hartelijk welkome gasten der familie Kloppers.
De ontmoeting tusschen de weduwe en haar kind, haar Charles, wil ik
niet beschrijven, daar ik het niet kan. Het was een éénig, zalig en
heilig oogenblik in beider leven.
In het groote woonvertrek van Dirk Kloppers zijn de huisgenooten
thans bijeen.
Eduard heeft met groote nauwkeurigheid en zorgvuldigheid Lena's
oogen onderzocht en is tot de overtuiging gekomen, dat zij door een
operatie het licht weer terug zou krijgen in haar oogen, en heden
zal tot de operatie worden overgegaan.
't Is een merkwaardige groep, die gij hier ontmoet.
Dicht bij het raam, zit de blinde Lena. Naast haar staat een kleine
tafel, waarop eenige heelkundige instrumenten liggen uitgespreid, en
vóór haar staat Eduard Marling, de kundige, Engelsche arts met dat
fijn en schrander gelaat.
Achter de groote tafel zit het oude echtpaar Kloppers, en hun zoon
Jan staat, leunend op den stoel van zijn vader, met groote
belangstelling te kijken naar de beginnende operatie.
De moeder van den dokter zit naast de vrouw des huizes, en haar zoon
Charles heeft met Herman Hoogerhuis recht tegenover haar plaats
genomen.
De jonge Arie staat dicht bij het raam, en Lodewijk Jansen, de
broeder van vrouw Kloppers, die, wat men noemt toevallig hier van
daag is aangekomen, zit met een gefronsd gelaat, en machtige
rookwolken uitblazend, in een hoek van het vertrek.
Dat er in het vertrek een groote spanning heerscht, behoef ik wel
niet te zeggen.
De weduwe bidt in haar hart tot God, dat Hij moge helpen en
bijstaan.
Maar er zijn er meer, die bidden.
De dokter brengt het hoofd der blinde in de goede houding.
Nu neemt hij van de kleine tafel een lancet.
Aller oogen zijn op den jeugdigen arts gericht, maar Lodewijk Jansen
barst los met harde stem: "Ik begrijp je niet, zwager, ik begrijp je
niet!"
"Wat begrijp je niet?" vraagt de oude Kloppers in de grootste
verbazing.
"Dat gij je kleinkind aan een Engelschman overgeeft," antwoordt hij
verontwaardigd.
"En waarom aan geen Engelschman?" vraagt de oude Kloppers.
"Omdat een Engelschman nooit te vertrouwen is," antwoordt hij op
ruwen toon.
Er volgt een pijnlijke pauze, en niets wordt gehoord dan het
eentoonig getik der oude klok aan den muur.
"Hoe zal dat eindigen!" zucht de weduwe, en moeder Kloppers werpt
een toornigen blik op haar broeder.
Maar de jonge arts wendt zich tot den huisheer.
"Mijnheer Kloppers," zegt hij schijnbaar kalm en met waardigheid,
"onder deze omstandigheden zie ik van de operatie af. Ik moet ten
volle worden vertrouwd, ook als de operatie geen resultaat heeft."
Hij legt het lancet, dat hij had opgenomen, bedaard neder op de
kleine tafel, doch de oude Kloppers zegt met zijne klankvolle stem:
"Gij hebt mijn vertrouwen, en gij houdt mijn vertrouwen."
"En wat denkt gij er van?" wendt zich de arts tot Lena. "Bedenk het,
ik behoor tot de vijanden van uw volk."
"Neen," zegt zij, en zij schudt haar zwarte lokken met bekoorlijke
aanvalligheid, "gij behoort niet tot de vijanden van ons volk."
"Zal ik dan beginnen?"
Zij knikt.
Hij neemt het vlijmscherpe lancet van de tafel en brengt het aan
haar linker oog.
Zijn moeder kijkt hem aan en ziet zijn bleek gelaat.
"O Heere," zucht ze, "bestuur zijn oog en zijn hand!" Maar zijn hand
beeft niet, en er is geen zweem van gejaagdheid of aarzeling bij hem
te ontdekken.
Nu buigt hij zich voorover -- vlak voor het gelaat van het meisje --
en nu doet hij de haarfijne snede door het verduisterde hoornvlies
van het linker ooglid.
Snel bedekt hij het geopereerde oog, en het lancet gaat nu door het
hoornvlies van het rechter oog.
En nu neemt hij het bedeksel weg.
Er heerscht een onbeschrijfelijke spanning onder de aanwezigen.
"Lena," roept hij, dicht voor haar staande, "wat ziet ge?"
Er komt geen woord over haar lippen.
"De operatie is mislukt," steunt de weduwe, en den jongen dokter is
de laatste bloeddrup uit het gezicht geweken.
Maar met groote geestkracht beheerscht hij zichzelve, en vraagt nog
eens: "Lena, wat ziet ge?"
Nu heeft het meisje haar spraakvermogen teruggekregen.
"Wat ik zie!" juicht ze, "ik zie mijn redder! Ik zie het zwart in
zijn oogen!"
Zij grijpt zijn handen en kust ze vol innige dankbaarheid. En zij
loopt en huppelt naar haar grootvader, en vleit het hoofd op den
schoot van haar grootmoeder neer.
En zij geeft al de huisgenooten de hand als oude kennissen, die zij
in langen, langen tijd niet heeft gezien. En dan springt zij weer
op, als een vlugge antilope en plaatst zich voor het raam en staart
naar buiten, en verlustigt zich in het gezicht van het golvende
maïsveld, van de geurende bloem, van het ruischende loover en van
het dartelend lam in de weide.
En in het overstroomend gevoel harer blijdschap vouwt zij de handen,
en zij roept met den eerbied, waarmede een gebed wordt uitgesproken:
"Ik zie de heerlijkheid des Heeren!"
Wie kan bij zulk een blijdschap onbewogen blijven?
De oude Lodewijk Jansen is overwonnen, en er biggelen twee groote
tranen in zijn grooten, ruigen baard.
Hij staat op en legt zijn zware hand op den smallen schouder van den
Engelschman.
"Dokter," zegt hij, "ik heb u grof beleedigd; vergeeft het mij!"
"Het is u reeds vergeven," antwoordt de aangesprokene op blijden
toon.
Dokter Marling is later groot en beroemd geworden in zijn vaderland,
en vele gelukkige operaties heeft hij bewerkstelligd, doch deze
operatie is diep in zijn hart gegrift gebleven.
"Gij zijt een Roodbaatje, doch gij kunt het niet helpen, en gij
verdiendet een Afrikaander te zijn," zegt Jansen met groote
rondborstigheid.
"'t Zal wel goed komen," meende de dokter in de vroolijkste
stemming.
Het was een gelukkige dag op "Vredesoord".
------
Charles is volkomen hersteld, en het oogenblik van het scheiden is
nu aangebroken.
Er is een sterke band gelegd tusschen het huisgezin van Dirk
Kloppers en de familie Marling, en daarom valt het scheiden niet
gemakkelijk.
Zij hebben elkander lief gekregen, en daarom doet het scheiden zeer.
De jachtwagen komt nu voor.
Jan heeft er den moorkop en den vos voor laten spannen, en hij zelf
zal, met Arie en Herman Hoogerhuis, onze gasten naar het naastbij
gelegen dorp brengen. Van daar is met de postwagen gelegenheid, om
de spoor te bereiken.
Alles staat gepakt en gezakt.
De oude Columbus neemt de zware koffers op zijn breeden rug en legt
ze in den wagen.
De vurige paarden rukken ongeduldig aan de leeren strengen.
En nu nemen de gasten afscheid; een hartelijk, roerend afscheid,
zooals menschen van elkander afscheid nemen, die elkander misschien
nooit -- nooit wederzien aan deze zijde van het graf.
En de dokter zegt bij het afscheid nemen; "Oom Dirk, wij gaan nu
naar Engeland, en wij zullen vertellen, wat wij hebben gezien en
ondervonden. Ik heb het vrijheidlievende volk der Boeren lief
gekregen, en ik zou niet weten, waarom het Hollandsche ras zich niet
vrij naast het Engelsche in Afrika zou mogen ontwikkelen. Me dunkt,
Afrika is groot genoeg!
Ik hoop de belangen der Boeren te bepleiten, waar ik kan, en waar
gij hebt gestreden met het _geweer_, daar zal ik voor de
Transvaalsche Boeren strijden met het _woord_. Er zit in het
Engelsche volk nog een kern, die van geen onderdrukking weten wil,
en ik zal den sluimerenden vonk voor vrijheid en recht aanblazen tot
een vlam, die het geheele volk zal aansteken!"
"Moge het u gelukken!" zegt de grijze Voortrekker met ernstige stem.
En nu stappen de gasten in het rijtuig.
Nog een laatste handdruk -- de moedige paarden werpen zich in het
tuig -- de jachtwagen rolt over het erf.
Allen zijn bedroefd, doch Charles is bedroefder dan de anderen. Hij
werpt een laatsten, weemoedigen blik achterwaarts op "Vredenoord",
op al die plekjes, die hem zoo lief zijn geworden, en daar, tegen
den ruwen stam van den lindeboom -- daar staat Lena, en zij zwaait
hem met haar zakdoek een laatst vaarwel toe -- zijn oogen
verduisteren zich -- ach, scheiden doet zeer!
En nu is het avond geworden.
De oude Kloppers en zijn vrouw zitten op de bank, onder den
lindeboom.
De maan werpt haar vriendelijk licht over "Vredenoord", en helder
beginnen de sterren te tintelen aan den wolkeloozen hemel.
't Is stil; nauwelijks beweegt zich een blad.
Slechts het geloei der ossen wordt gehoord uit de kralen, het
rinkelen der metalen bellen, die Kloppers' melkkoeien om den nek
dragen, het zachte gekir van een paar duiven op den nok van het dak,
en het weemoedig gezang van een Kaffer, op den drempel van zijn hut.
"En wat denkt gij," vraagt moeder Kloppers, "zal onze jonge dokter
succes hebben met zijn streven, om voor onze onafhankelijkheid te
pleiten?"
"Zijn streven is edel en groot," antwoordt de oude man, "maar ik
vrees, dat hij er zich te veel van voorspiegelt. Laat hij voor ons
pleiten! Hoe meer hoe beter. Doch wij moeten er geen overdreven
verwachting op bouwen, want de publieke opinie van Engeland is
vastgeroest in de gedachte, dat wij Boeren de Kaffers onderdrukken
en de vrijheid niet waard zijn! En de Engelsche regeering hunkert
steeds naar machtsuitbreiding."
Peinzend staart hij voor zich uit.
"Wij hebben niets," zegt hij na een pauze, "waarop wij kunnen bouwen
dan op God en ons goed recht!"
"En is dat niet genoeg?" vraagt zijn vrouw.
"'t Is meer dan genoeg," antwoordt hij, en hij staart weer peinzend
vóór zich uit.
"Zie, Anna," zegt hij, "veertig jaren geleden waren eenige honderden
Engelsche soldaten voldoende, om ons uit Natal te jagen; in den
laatsten vrijheidsoorlog schoten tien duizend Engelschen te kort, om
ons onder het juk te brengen, en over twintig jaar komt Engeland met
vijftig duizend man niet klaar!"
Nu zwijgt hij, en hij blikt naar de verte, waar de witte dampen uit
kloven en valleien langzaam omhoog stijgen.
Het geloei der ossen is verstomd, en het rinkelen der metalen bellen
heeft nu opgehouden. De duiven hebben hun nest opgezocht, en het
weemoedig gezang van den Kaffer wordt niet meer gehoord.
"Ik zie een schoone en heerlijke toekomst weggelegd voor ons
vaderland," zegt de grijsaard, "en het zal zich ontwikkelen tot een
groot en machtig volk, als het wandelt in de ordonnantiën des
Heeren, recht en gerechtigheid betracht en zijn roeping vervult:
christendom en beschaving te brengen onder de blinde heidenen!"
Hij is opgestaan; zijn oogen schitteren van edele geestdrift.
Als een profeet der oudheid, zoo staat hij daar, de godvreezende,
onversaagde Voortrekker. Zijn grijze lokken blinken als zilver in
het licht der maan.
"Kom, Anna," zegt hij, "'t is reeds laat; wij gaan naar binnen."
Beiden gaan naar binnen....
De deur sluit zich achter hen....
En het koele nachtwindje fluistert zijn weemoedige melodiën in de
kroon van den ouden lindeboom....
En in diepe rust ligt Vredenoord....
--------
[Transcriber's notes
Dit boek bevat een aantal zetfouten.
De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:
[het trouwe dier lekt zijn handen] -->
[het trouwe dier likt zijn handen]
[Hij vat de veldvlesch] --> [Hij vat de veldflesch]
[voor niets terugdeizende] --> [voor niets terugdeinzende]
[verborg hij in de plooiën] --> [verborg hij in de plooien]
[één onder hen, Kolumbus,] --> [één onder hen, Columbus,]
[den ijzeren voetzoel] --> [den ijzeren voetzool]
[wij zullen de Rookrokken] --> [wij zullen de Roodrokken]
[eindelijk, vrienlijker dan] --> [eindelijk, vriendelijker dan]
[oorlogzuchtig," antwoorde Botter.] -->
[oorlogzuchtig," antwoordde Botter.]
[antwoordde de dappere sergant.] -->
[antwoordde de dappere sergeant.]
[een inkpot en een] --> [een inktpot en een]
[Slechts êénmaal dreigde] --> [Slechts éénmaal dreigde]
['s Was erg] --> ['t Was erg]
[met nauwlijks onderdrukte] --> [met nauwelijks onderdrukte]
[Sinds gnneraal Wolseley] --> [Sinds generaal Wolseley]
[zijn niet gewild,] --> [zijn niet gewend,]
[vermogende Osborn aan] --> [vermogende Osborne aan]
["Kem," zeide de Voortrekker] --> ["Kom," zeide de Voortrekker]
[op den moordheuvel gesleert,] -->
[op den moordheuvel gesleept,]
["Ouwe Colombus, je] --> ["Ouwe Columbus, je]
[en stijgt uit het zaal.] --> [en stijgt uit het zaâl.]
deze fout komt nog 2x voor (zie hieronder. De correcte vorm,
"zaâl", is dialect voor "zadel".
[ook uit het zaal] --> [ook uit het zaâl]
[moeilijker positie's geweest] --> [moeilijker posities geweest]
[vielen de de brandende] --> [vielen de brandende]
[vas het geweervuur] --> [van het geweervuur]
[den 18. December] --> [den 18den December]
[zoo kagend aankeek] --> [zoo klagend aankeek]
[op uwe schouders, werpen,] --> [op uwe schouders werpen,]
[maar zijn and beefde] --> [maar zijn hand beefde]
[en Colombus ging] --> [en Columbus ging]
[brief te schrijvon.] --> [brief te schrijven.]
[nam den steutel,] --> [nam den sleutel,]
[was gelukkig ontstapt.] --> [was gelukkig ontsnapt.]
[ik leef mijn psalnen] --> [ik leef mijn psalmen]
[getroffen doer de assegaai] --> [getroffen door de assegaai]
[den yijand door het] --> [den vijand door het]
[En hij eu zijn] --> [En hij en zijn]
[En ten laaatste lachtte] --> [En ten laatste lachtte]
[behoedzaamhaid wordt] --> [behoedzaamheid wordt]
[doch toe hij in] --> [doch toen hij in]
[zelfs uitstekend gedekt,] --> [zelf uitstekend gedekt,]
[er bij neervallen"!] --> [er bij neervallen!"]
[voorzichtig als een sluipmoord naar.] -->
[voorzichtig als een sluipmoordenaar.]
[En hou ouder] --> [En hoe ouder]
[hij uit het zaal sprong.] --> [hij uit het zaâl sprong.]
[nog niet eemaal aan] --> [nog niet eenmaal aan]
[en langs deu Oostelijken] --> [en langs den Oostelijken]
[Met zijn schoten,] --> [Het zijn schoten,]
[ze zijn hart] --> [ze zijn hard]
[waarlijk sanatische boosheid] -->
[waarlijk satanische boosheid]
[om Gode de eere] --> [om God de eere]
[met den koorstgloed in de oogen] -->
[met den koortsgloed in de oogen]
[een flluisterende vraag] --> [een fluisterende vraag]
[deed de teederste snaren trilden] -->
[deed de teederste snaren trillen]
[want dich in haar] --> [want dicht in haar]
[den ouden Colombus!] --> [den ouden Columbus!]
[en zijn band!"] --> [en zijn hand!"]
[eu legt zijn] --> [en legt zijn]
[rondbortigheid.] --> [rondborstigheid.]
In de papieren versie ontbreekt zowel een inhoudsopgave als een
lijst met illustraties. Voor het gemak van de lezer zijn deze,
in de HTML-versie, toegevoegd aan het begin.
Er zijn een aantal interpunctie fouten gecorrigeerd maar die
worden hier niet verder genoemd.
Voetnoten zijn (indien nodig) hernummerd en naar het eind van
het betreffende hoofdstuk verplaatst.
In de HTML-versie is de originele paginanummering zichtbaar.
Er is daarbij gebruik gemaakt van bepaalde html-styles waardoor
pagina nummers wel zichtbaar zijn, maar niet hinderen bij het
zoeken op hele woorden, ook als ze (ogenschijnlijk) opgebroken
zijn door een paginanummer.
]