Zoo zette de expeditie zich in beweging.
De diepste stilte werd in acht genomen. Het spreken was den soldaten
verboden; fluisterend werden de kommando's gegeven.
In een grooten, halven cirkel omringden de schildwachten der Boeren
in het noorden het kamp der Engelschen, maar hun uittocht geschiedde
naar het zuiden en in de volmaaktste orde.
De schildwachten der Boeren merkten niets.
Intusschen werd het gevaar van ontdekking al geringer, en sneller
trok de kolonne op haar doel af.
Generaal Colley liep voor aan de spits; met een gids naast zich.
Zijn rijpaard werd door een gewoon militair aan den teugel geleid.
Dan volgden de Hooglanders, de Bergschotten, in hunne
schilderachtige uniformen; het hoofd gedekt met den witten helm, het
witte ledergoed over de roode uniform, gekleed in den geruiten
schotschen wapenrok en de witte slobkousen, en de bonte
beenbekleedsels onder de stevige, naakte knieën.
Op de Hooglanders volgden de met buksen gewapende marine-soldaten in
hun blauwe pijjekkers met een paar stukken veldgeschut, terwijl de
achterhoede werd gevormd door een afdeeling huzaren, wier kromme
sabels en attila's met zilveren snoeren duidelijk uit kwamen in het
heldere maanlicht.
Maar als jagershonden zwermden de dragonders om de voorttrekkende
kolonne heen, en met den vinger aan den trekker van den karabijn,
onderzochten zij op hun vlugge paarden de golvende vlakten in den
omtrek.
Doch er was geen onraad, en zwijgend werd de marsch voortgezet. Geen
geluid werd vernomen dan het gedreun der voetstappen, de hoefslag
van het paard, het rammelen der sabelscheden tegen de beugels, het
kraken en schuiven der ransels en de slaperige kreet van een vogel,
die in zijn nachtrust werd gestoord.
Eindelijk was het doel van den tocht bereikt; daar lag de Amajuba,
twee duizend voet hoog. De platte kruin teekende zich duidelijk af
tegen den nachtelijken hemel in het schijnsel der maan, die rechts
aan den hemel, boven het rustende Boerenlager, stond.
De berg liep steil op, oogenschijnlijk nòg steiler aan den
Engelschen kant dan aan dien der Boeren.
De troepen marcheerden tot op het punt, waar de eigenlijke kegel van
den berg begon, en de steilte der helling den verderen marsch der
kavallerie verhinderde.
Twee compagniën infanterie, alsmede de huzaren en dragonders, te
zamen 300 man, werden hier als reserve achtergelaten, en 400 man
met twintig officieren, allen flinke, stevige, dappere kerels, een
echte keurbende, zouden nu den berg beklimmen.
Generaal Colley wierp den mantel af, legde den bergstok neer, en een
rotsblok boven hem grijpend, riep hij met moedige stem: "Voorwaarts,
mannen!"
Het was een hard stuk werk; het verband was onmiddellijk verbroken,
Nu eens verdwijnend in de diepe, donkere kloven, dan weer optornend
tegen de bijna loodrechte rotswanden, kwam men langzaam voorwaarts.
De Schotten, aan het klimmen in hun hooglanden gewoon, hadden hier
al hun behendigheid noodig, en waar het niet anders ging, klauterde
men over de schouders der makkers als ratten omhoog.
Moeilijker nog was de taak der marinesoldaten, die het Gatling-kanon
naar boven moesten sjoppen. Zij spanden zich vóór den vuurmond, en
hun forsche gestalten bogen zich onder de haast bovenmenschelijke
inspanningen als taaie zweepstokken.
Zij grepen met hun sterke vuisten in de spaken, en lichtten het
kanon van het affuit. Tappelings liep hun het zweet van het gelaat,
doch aan alles is een grens, ook aan de menschelijke spierkracht.
Het was onmogelijk, om het geschut naar boven te krijgen, en de
generaal gaf bevel, de vruchtelooze pogingen te staken.
Zonder kanon volgden de marine-soldaten de infanterie.
Middernacht was nu al lang voorbij.
Het werd morgen.
Het licht van maan en sterren verbleekte, en langs den Oostelijken
horizon begon de gouden ochtendschemering aan te breken.
Met gespannen gelaatstrekken volgden de achtergebleven Engelschen
met hun oogen de klauterende kameraden.
De voorsten geleken op een hoop kruipende mieren, en hadden bijna
den rand van den bergtop bereikt.
"Zij zullen er spoedig zijn," meende een dragonder met een paar
groote, roode knevels.
"Dat denk ik ook," zeide een huzaar met een leuk en vroolijk
gezicht.
"Nu zal de oorlog snel afgeloopen zijn," hernam de dragonder.
"Zoo?" zeide de vroolijke huzaar; "dat is jammer; ik had de Boeren
nog zoo graag eens een beetje schrik op het lijf gejaagd."
"Ge zijt hier pas, kameraad?" vraagde de dragonder.
"Geen twaalf uur geleden zijn wij in het kamp aangekomen. Zoo
kersversch uit Afghanistan, waar wij de spitse kegelhoeden der gele
Afghanen met onze sabels hebben terecht gezet, hè Jim?"
"Of we," zeide de aangesprokene lachend; "wat konden die Afghanen
loopen! De Boeren kunnen misschien hard loopen, maar harder dan die
Afghanen met hun woestijnvoeten kunnen zij het toch niet."
Nu mengde zich een jong korporaal der infanterie met een schrander
en ernstig gelaat in het gesprek.
"De Boeren loopen niet hard," zeide hij.
"Omdat wij hen daartoe misschien niet hebben uitgenoodigd," meende
de vroolijke huzaar.
"Wij hebben hen meer dan eens uitgenoodigd," zeide de infanterist.
"Ze hebben ons in Natal verteld," zeide de huzaar, "dat de Boeren
zoo goed kunnen schieten?"
"Dat kunnen ze in de perfectie," antwoordde de korporaal.
"Ik heb de gevechten bij den Lang-Nek en te Schuinshoogte
bijgewoond, en we hebben er leelijk van langs gehad."
"Van daag halen wij de schade in," meende de dragonder.
"Dat zit nog," zeide de infanterist, terwijl hij nadenkend naar de
hoogte tuurde.
"Denk je dan, dat de onzen er niet komen zullen, boven op den
bergtop?" vraagde de huzaar.
"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde de korporaal, "maar het is de
vraag, of wij den bergtop _houden_ zullen."
Maar deze opmerking wekte niets dan verwondering en gelach.
Zelfs Jim, die dood bedaard een stuk pruimtabak tusschen zijn zwarte
kiezen knauwde, spuwde van verbazing uit, en zeide met een
schamperen lach: "Heb je nou ooit zoo'n onzin gehoord!"
Doch onze infanterist was niet zoo spoedig uit het veld geslagen.
"Ik zeg je," zeide hij, en hij keek met zijn schrandere oogen naar
den bergtop, "die positie daar is te hoog, om goed verdedigd te
kunnen worden, en onze reserve hier is te ver af, om een ongeluk te
kunnen voorkomen."
"Dat is iets nieuws," zeide de dragonder, die tegenover de pas
aangekomen huzaren toch wilde toonen, dat hij er ook iets meer van
wist dan een gewoon mensch.
"Als hij voor de onzen te hoog is," ging hij voort, "dan is hij voor
de Boeren toch zeker te hoog."
"Neen," zeide de infanterist, en hij schudde het hoofd, "de berg is
voor de Boeren _niet_ te hoog. Zij zullen, gedekt door rotsblokken
en struiken, den bergtop bestormen, en onze krijgsmacht weg schieten
als den vogel van zijn nest."
"Dat wordt bepaald vermakelijk," riep de dragonder, terwijl hij
zelfbewust aan zijn roode knevels draaide. "Ge denkt, kameraad, dat
de onzen zich als op een presenteerblaadje door de Boeren zullen
laten doodschieten, maar zulke lammeren zijn onze Hooglanders niet.
Trouwens de Boeren zullen niet eens een aanval op den Amajuba durven
ondernemen. Zij kunnen goed schieten, dat is waar, en zij zijn flink
in de verdediging, maar om een aanval te wagen -- daar hebben zij
een broertje aan dood."
"En waarom zullen zij niet aanvallen?" vraagde de infanterist.
"Omdat," zeide de dragonder, "ze niet één keer ons kamp hebben
aangevallen, dat toch gemakkelijker te nemen was dan de Amajuba.
Bovendien, 't is heel verstandig van de Boeren, dat zij den storm
niet wagen. Immers onze troepen zullen den Amajubatop binnen een
paar uur in een vesting met stevige klipwallen hebben herschapen, en
de _Boeren_ zouden de lammeren worden, die zich weerloos konden
laten doodschieten."
"Ik moet ook zeggen," zeide de huzaar, "dat de gedachten van onzen
dragonder mij juister toeschijnen dan die van u, korporaal."
"Nu de toekomst zal het uitwijzen," antwoordde deze bedaard.
"Dat is goed gezegd," hernam de dragonder, "en de toekomst _zal_ het
uitwijzen, dat generaal Colley met zijn stafofficieren geen kinderen
zijn! Komt, jongens, wij zullen eens drinken op den goeden uitslag,"
en onze vier militairen namen ieder voor de kou een slok rum uit de
veldflesch.
Vastberaden zetten de Engelschen de beklimming voort; rusteloos
werken zij opwaarts. De vlugge Schotsche Hooglanders zijn de anderen
wijd voor, en klauteren als klipgeiten de hoogte op. De hellingen
zijn bedekt met kruipende, loopende, springende, zich omhoog
hijschende menschen, doch met een luid hoera hebben de Schotten
thans, over den bergrand heen, den platten kruin bereikt. Zij reiken
hun kameraden, die nog beneden zijn, de hand, nemen hun geweren en
ransels over, en trekken hen onder een vroolijk gelach naar boven.
Zóó is het doel van den tocht bereikt, en generaal Colley heeft met
zijn troepen den Amajuba, den trotschen berg, die als een reus
tusschen de andere bergtoppen uitsteekt, bezet.
Juist gaat de zon in het Oosten op, en liefelijker Zondagmorgen is
nog nooit op de bergen en dalen van het Drakengebergte neergedaald.
Tien duizenden bloemen langs de hellingen van den berg beuren hunne
met dauw gedrenkte kelken opwaarts, en schitteren als diamanten
tusschen het groen. Groote scharen duiven drijven op blanke wieken
door het onmetelijk luchtruim; prachtige vlinders klapwieken met hun
rijk gekleurde vleugels, en de nijvere bij vliegt van bloem tot
bloem, was en honig verzamelend.
Tusschen de boschjes in golven de maïsvelden in de morgenkoelte, en
ver, ver weg blinken stroomen en schemeren wouden, en boven die
wouden legeren zich de morgenwolken in wonderbaren vrede....
Generaal Colley laat onmiddellijk de overal rond liggende
klipsteenen tot wallen opstapelen, waarachter zijn soldaten veilig
zullen zijn, mòchten de Boeren een aanval wagen.
Hij zorgt er voor, dat in die wallen behoorlijke schietgaten worden
gelaten, en eerst nadat dit alles is verricht, geeft hij als een
voorzichtig veldheer aan de zijnen verlof, een stevig ontbijt te
gebruiken.
Doch hij gunt zich zelf geen tijd voor het ontbijt, want het machtig
gevoel der zegepraal doortintelt zijn borst.
Daar, dáár beneden, letterlijk aan zijn voeten ligt het kamp der
Boeren -- het pleit is gewonnen! Hersteld is zijn eer!
Over vier dagen zal generaal Wood komen.
Hij zal tot hem zeggen: "Generaal Wood, wat komt ge doen? Er is geen
Boer meer in de passen van het Drakengebergte."
Dat hij zijn eer heeft bezoedeld door vóór den afloop van den
wapenstilstand onzijdig gebied te bezetten, hij denkt er niet aan.
Dat hij _trouwbreuk_ heeft bedreven, 't komt niet in hem op.
Neen, hij geniet de zegepraal. Een glimlach van voldoening ligt op
zijn gebruind gelaat. En terwijl zijn oog zich verlustigt in het
gezicht van het Boerenkamp, daar diep beneden, ademt hij met volle
teugen de hooge berglucht in.
Daar vallen twee, drie schoten.
Het zijn schoten, door zijn volk op een paar schildwachten der
Boeren afgegeven.
Het is geschied tègen het bevel van den generaal. Er komt een rimpel
op zijn voorhoofd. Er _behoeft_ immers niet geschoten te worden; de
bloote aanblik van den door Engelsche troepen bezetten Amajuba zal
de Boeren doen inzien, dat zij _verloren_ zijn.
Maar zijn voorhoofd effent zich weer, en met groote belangstelling
neemt hij waar, hoe het in het lager der Boeren levendig wordt. Het
is, alsof de voet van een mensch tegen een groot mierennest heeft
aangestooten: zoo woelt en gonst het door elkander.
Eén oogenblik schijnt er een zekere spanning in zijn gelaat te
komen, maar zijn oog wordt weer helder.
Hij ziet, hoe de Boeren in grooten haast hun ossenwagens inspannen.
"Goed zoo," mompelt hij, "goed zoo! Zij gaan naar huis -- de passen
van het Drakengebergte zijn de mijne!"
Hij wendt zich naar het oosten, en werpt een blik naar de zon. Zij
bestraalt een zelfbewust en vroolijk menschengelaat.
Doch lang voor de zon op dezen dag haar vlammende gloriebaan heeft
afgeloopen, zal de levenszon van generaal Colley zijn ondergegaan.
------
Bij een sober lamplicht zit Piet Joubert, de Kommandant-Generaal, in
zijn tent een rapport te schrijven.
Het begint nu licht te worden, en hij blaast de lamp uit.
Hij heeft den ganschen nacht gewerkt, en de oogen doen hem zeer. Hij
is blij, dat het rapport af is; hij heeft behoefte aan rust.
Daar komt een ruiter aangereden, alsof de dood hem op de hielen zit.
Hij houdt het dampende paard vóór de tent van den opperbevelhebber
stil. Onwillig kijkt deze op, maar de ruiter rapporteert: "De
Engelschen hebben van nacht den Amajuba bezet, en op onzen
schildwacht, die aan den noordelijken voet van den berg was
uitgezet, geschoten."
Verbaasd springt Joubert van zijn veldstoel op. Hij snelt de tent
uit, werpt een blik naar den Amajuba, alarmeert het lager en roept
tot de eerste afdeeling Boeren, die hij ontmoet: "De Engelschman is
op den Amajuba, en jullie moet er hem afhalen."
Daar de andere stellingen niet verzwakt mogen worden, zijn er niet
meer dan hoogstens 150 man beschikbaar, die onder aanvoering van den
wakkeren generaal Nikolaas Smit en onder de leiding der
veldkornetten Stephanus Roos, Joachim Ferreira en D. J. K. Malan te
ongeveer negen uur 's morgens de bestorming ondernemen.
Onder het vuur van den vijand bereiken de dapperen een diepe kloof,
waar zij, onder de beschutting van een overhangenden bergrand, hun
paarden achterlaten.
En nu begint de eigentlijke, gedenkwaardige bestorming, die in een
zegepraal of in den dood moet eindigen.
"Zouden zij 't werkelijk aandurven?" vraagt een lange officier der
Schotsche Hooglanders aan zijn sergeant.
"Ze zijn gek, als ze 't doen," zegt de sergeant; "ze loopen in den
muil van het verderf."
"Gek zijn ze niet," zegt de lange officier; "kijk maar -- ze weten
meesterlijk partij te trekken van de boschjes en de
vooruitspringende rotsen."
"Maar zij komen niet meer te voorschijn," lacht de sergeant; "ze
durven voòruit noch àchteruit; zij zitten in de klem."
"Toch niet," zegt de officier; "je vergist je leelijk. Kijk, daar
komt weer een groep Boeren te voorschijn."
"Waar?" vraagt de sergeant.
"Wel dáár, waar ik met den vinger heenwijs. Nu zitten ze weer achter
een struik," zegt de officier.
"Ze schuwen het daglicht, ze werken als de vleermuizen," zegt de
sergeant minachtend.
"Ik denk, dat die vleermuizen ons nog werk zullen geven," zegt de
officier.
Intusschen klimmen de Boeren in de gloeiende zonnehitte
onophoudelijk voorwaarts. Zij versmachten van dorst, en telkens
worden ze met een hagelbui van kogels begroet, maar ze geven 't niet
op. Zij klauteren als klipbokken tegen de helling op; zij hangen
tegen de rotswanden aan, alsof zij er een deel van uitmaken.
Nu bereiken zij een zeker punt, waar zij gedekt zijn voor het
vijandelijk vuur.
Hier worden de krachten verzameld en de dorst gelescht, want het
zwaarste stuk werk komt nog aan. Ook worden de Boerenkrijgers thans
in drie afdeelingen gesplitst: Malan neemt den linkervleugel,
Ferreira den rechter en Roos het centrum.