1) Lucifers.

--------

HOOFDSTUK XXIV.

------

De dappere Boeren begonnen de aandacht te trekken.

In den Oranje-Vrijstaat heerschte groote opgewondenheid, en de

Hollandsche Afrikaanders in de Kaapkolonie juichten bij elke

nederlaag, die de Engelsche troepen leden. In het Vlaamsche deel van

België werden geestdriftige volksbetoogingen gehouden, en over het

oude Holland werd een geest vaardig, die herinnerde aan de schoonste

dagen uit ons verleden. En terwijl in Amerika met klimmende

bewondering de heldenstrijd van het kleine, Transvaalsche volk werd

gadegeslagen, riepen edele mannen in Engeland met al luider stem om

staking van den roemloozen oorlog.

In deze omstandigheden waagde Paul Kruger een poging, om tot een

eervollen vrede te geraken, door uit het kamp van Lang-Nek, den

12den Februari 1881, het volgende schrijven te richten aan generaal

Colley:

"Excellentie, ik heb bevonden, dat wij tegen onzen zin gedwongen

zijn in een bloedigen strijd, en dat onze ingenomen posities van

dien aard zijn, dat wij niet kunnen ophouden, den eenmaal ingeslagen

weg van zelfverdediging te vervolgen, voor zoover onze God ons

daartoe de krachten schenkt.

Wij weten het, dat al onze bedoelingen, brieven of wat ook, nog

steeds het ware doel hebben gemist, omdat zij verkeerd werden

voorgesteld en begrepen door de Regeering en het volk van Engeland.

Het is om die reden, dat wij zelfs vreezen, U deze regelen te doen

toekomen. Maar Excellentie, ik zou mij niet voor mijn God

verantwoord achten, wanneer ik nog niet eenmaal aan u onze meening

had bekend gemaakt, wetende, dat het in Uwer Excellentie's macht

is, om ons in staat te stellen, van de door ons ingenomen positie

terug te komen.

Wij wenschen geen strijd te zoeken met het Engelsche gouvernement,

maar kunnen niet anders dan onzen _laatsten_ droppel bloed geven

voor ons goed recht, waarvoor elke Engelschman ook het zijne geven

zou. Wij weten, dat het edele Engelsche volk, wanneer eenmaal de

waarheid en het recht tot hetzelve kan doordringen, aan onze zijde

zal staan. Wij zijn zoo sterk in deze overtuiging, dat wij niet

zouden schromen het onderzoek eener Koninklijke commissie, die, wij

weten het, ons in ons goed recht zal herstellen. En daarom zijn wij

bereid, om, wanneer U wilt bevelen, dat Harer Majesteits troepen

_dadelijk_ terugtrekken uit ons land, wij aan hen zullen toestaan,

met volle eer uit het land te gaan, en wij onze nu ingenomen positie

zullen verlaten.

Wordt echter de annexatie volgehouden, en het bloedvergieten door u

voortgezet, dan zullen wij ons onder onzen God aan ons lot

onderwerpen, en _tot den laatsten man strijden_ tegen het ons

aangedane onrecht en geweld, en werpen dan de verantwoordelijkheid

van alle ellende, welke het land overkomt, geheel op uwe schouders."

Hierop antwoordde generaal Colley den 21sten Februari als volgt:

"Mijnheer, ik heb de eer, de ontvangst te erkennen van uwen brief

van den 12den dezer. In antwoord moet ik u berichten, dat Harer

Majesteits Gouvernement bereid is, wanneer de thans tegen Harer

Majesteits gezag gewapende Boeren met gewapend verzet ophouden,

eene commissie met uitgestrekte volmacht aan te stellen, welke

het schema moge ontwikkelen, waarop in Lord Kimberley's telegram

van den 8sten dezer gezinspeeld wordt, en aan u is medegedeeld

door zijn HoogEd. President Brand. Ik moet er bij voegen, dat

wanneer dit voorstel binnen acht en veertig uren aangenomen

wordt, _van af de ontvangst van dezen brief_, ik volmacht heb tot

staking der vijandelijkheden van onze zijde."

Het telegram van lord Kimberley, waarop in dezen brief wordt

gedoeld, bevatte deze zinsnede, "dat Harer Majesteits Gouvernement

bereid was, allen mogelijken waarborg te geven met betrekking tot de

behandeling der Boeren na hunne onderwerping, en dat zij in geen

geval als rebellen zouden worden behandeld, _mits_ zij eerst hun

gewapend verzet staakten."

Het schrijven van generaal Colley, dat door een parlementair werd

overgebracht naar het Boerenkamp aan den Lang-Nek, werd intusschen

doorgezonden naar Heidelberg, den zetel der Boerenregeering, en door

Paul Kruger als volgt beantwoord:

"Excellentie, Uw brief van 21 Februari 1881 bereikte mij heden,

den 28sten Februari, toen ik van een inspectie naar Heidelberg

terugkeerde.

In overleg met de regeeringsleden hier heb ik het genoegen, in

mijnen en hunnen naam u mede te deelen, dat wij zeer erkentelijk

zijn voor Uwer Excellentie's verklaring in naam van de regeering

van Hare Majesteit, dat zij onder zekere voorwaarden genegen is,

de vijandelijkheden te staken; dat het ons schijnt, dat nu voor

het eerst sedert den ongelukkigen dag der annexatie een kans is

ontstaan, om tot een vreedzame schikking te geraken; dat ons hart

bloedt over de noodzakelijkheid, om verder bloed te vergieten,

zoowel het bloed onzer burgers als dat van uwe dappere soldaten;

dat naar onze meening een samenkomst van gecommitteerden van

weerszijden misschien spoedig tot een bevredigend resultaat zal

leiden, weshalve wij de eer hebben, u voor te stellen, dat door u

en ons gecommitteerden zullen worden aangewezen, met behoorlijke

en voldoende volmacht, om de hoofdbeginselen van een eervollen

vrede vast te stellen en te ratificeeren."

Zoo scheen de zoete hoop, dat de oorlog zonder verder bloedvergieten

zou worden beëindigd, in vervulling te gaan. En om de

vredesonderhandelingen dan ook niet te belemmeren, gaf Joubert aan

den onvermoeider generaal Nicolaas Smit, die opnieuw met zijn

wakkere Boeren Natal was binnengetrokken, order, naar het

Drakengebergte terug te trekken.

Maar in het binnenste van generaal Colley kookte en giste het. De

versterkingstroepen onder generaal Wood waren in aantocht, en dan

zou hij het opperbevel aan dezen moeten overgeven. Hij zou geen

gelegenheid meer hebben, om de geleden nederlagen goed te maken; hij

was een geslagen generaal. Met al zijn kanonnen was hij niet in

staat geweest, om de passen van het Drakengebergte te forceeren; die

gedachte werd hem onverdragelijk.

Wel bestond er feitelijk wapenstilstand, maar de zucht, om aan den

oorlog met éénen slag een einde te maken, was hem te machtig. Hij

wilde de Boeren doen gevoelen: Ik ben u de baas -- en in het

schenden van den wapenstilstand was hij hun inderdaad de baas.

Het was de 20ste Februari; 's avonds tien uur.

De maan was opgegaan en stond in het eerste kwartier. Vriendelijk

blonken de sterren. Het was een milde zomernacht.

Het kamp van generaal Colley bestond uit een vierkante redoute met

aarden wallen van zes voet hoogte. Om die wallen was een gracht

gegraven.

Er heerschte een zekere spanning in het kamp. De generaal liep met

groote stappen, door zijn stafofficieren omringd, tusschen de tenten

door.

Hij besprak met hen de bezetting van den Amajuba.

"Als we eerst den Amajuba hebben, dan haalt er ons de duivel niet

meer af," zeide een der hoofdofficieren.

"En de Boeren nog minder," lachte een pas aangekomen

huzaren-officier.

"En de oorlog is met éénen slag geëindigd," meende de generaal.

Hij nam het horloge en keek naar den tijd.

"Mijne Heeren!" ging hij voort op levendigen toon, "het is tijd;

vóór de zon in 't oosten opgaat, moet de trotsche Amajuba de onze

zijn -- voorwaarts!"

Hij verwisselde de groote rijlaarzen met lichte bergschoenen en

slobkousen, en stak een revolver in den gordel. Over den wapenrok

wierp hij den mantel, want het was koel in de frissche nachtlucht,

en hij nam een stevigen bergstok, die hem dienstig kon zijn bij het

klimmen.

Stil, zwijgend maakten de troepen zich gereed. De paarden werden

gezadeld; patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Ieder infanterist

ontving behalve de gevulde patroontasch nog tachtig patronen, en

ieder man ontving voor drie dagen levensmiddelen en rum.

Nu ging de generaal langs de gelederen, monsterde ze met zijn

scherpen blik en deelde de troepen in. Slechts een reserve bleef

achter ter bewaking van het kamp.

De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81 · 第 16 / 20 题