"Bindt zijn rechterhand op het blok vast," kommandeert hij. "En waar
is de bijl? O, ik zie hem al. Ik zal zelf het genoegen hebben, er de
hand af te kappen."
Zelfs de Kaffers ijzen van zulk een berekenende wreedheid.
"Zijt ge bang, lafaards?" roept hij woedend.
Nu naderen ze Kloppers, en binden zijn hand vast op het blok.
De bijl wordt er naast gelegd.
"Waar is de ijzeren stang?" vraagt de verrader.
Een Kaffer haalt hem; uit een hoek van het vertrek.
"Stookt het vuur wat op," beveelt hij.
Er worden eenige dorre blaren en takken op geworpen; het vuur begint
lustig te branden.
De verrader schuift de ijzeren stang tusschen de gloeiende kolen.
Nu begrijpt Kloppers de bedoeling; hij staart met ontzetting in het
vuur, naar de stang, die allengs rood gloeiend wordt.
"Dacht ik het niet?" zegt de verrader; "ik zal je nog wel murw
krijgen. Met den gloeienden bout zal ik je teekenen -- ik heb je
immers beloofd bij ons laatste onderhoud, dat je nog aan mij denken
zult? Jij teekent met dorens; _ik_ met gloeiend ijzer; dat is het
onderscheid."
En de Kaffers werpen steeds nieuwen voorraad op het vuur, en de
ijzeren stang begint te gloeien... te gloeien.....
De leeuwenjager en Jansen hadden den jongen Jan Kloppers spoedig
ingehaald.
Zij verhaalden hem de reden, waarom de oude Kloppers niet meer bij
hen was.
"Zou 't geen nieuw verraad zijn van Kees Botter?" vraagde hij
ongerust.
"Dat de vreemdeling den naam van Kees Botter noemde, die
onwillekeurig wantrouwen wekt, pleit voor de eerlijkheid van de
zaak," meende Jansen.
Jan moest dit erkennen.
Men gaf nu de paarden de sporen, om dichter bij het kommando te
komen, dat een aanmerkelijken voorsprong had.
De leeuwenjager was eenige passen achter gebleven, en
oogenschijnlijk verdiept in zijn eigen, weemoedige gedachten.
Maar plotseling hielden alle drie de teugels van hun paarden in. Zij
hadden den zwakken knal van een schot gehoord.
"Dat begrijp ik niet," zeide de leeuwenjager.
Hij wendde het paard naar de richting, van waar zij gekomen waren,
en luisterde met voorover gebogen lichaam.
"Vader is misschien in den val geloopen," zeide Jan; "ik houd het
hier niet langer."
Hij wierp den Moorkop om.
Samen reden zij in zekere spanning terug.
"Het geluid kwam uit de richting, die mijn zwager had ingeslagen,"
zeide Jansen.
De leeuwenjager zeide geen woord.
"Voorwaarts," zeide hij, en hij drukte de sporen diep in de zijden
van zijn vluggen vos.
De weemoedige gemoedsstemming van zoo even was nu als door een
tooverslag verdwenen.
Het was de leeuwenjager weer in al zijn kracht.
Daar hoorden ze, duidelijker nog dan zooeven, twee schoten dicht
achter elkander.
"Nu begrijp ik het nog minder," zeide de leeuwenjager --
"voorwaarts!"
Aan den tweesprong gekomen, sloegen zij het pad rechts in.
De hoeven van Dirk Kloppers' paard waren diep ingedrukt in den
weeken grond; ook de voetstappen van den gids waren duidelijk
zichtbaar.
Men sloeg het kreupelbosch in, en achter elkander reed men voort.
Jan reed voor, omdat de Moorkop het vlugste was.
Plotseling slaakte hij een angstkreet.
"Daar ligt vader's klepper," riep hij in groote opgewondenheid, "dat
is verraad."
"Wij zullen 't onderzoeken," zeide de leeuwenjager, terwijl hij uit
het zaâl sprong.
De twee anderen volgden zijn voorbeeld.
Het paard leefde nog, en had zich half over het pad in het
kreupelbosch gesleept.
Jan klopte het op den hals, en het trouwe dier liet een zwak
gehinnik hooren.
Jansen had intusschen de wonden ontdekt, die de twee kogels hadden
veroorzaakt.
"Wil ik het maar het genadeschot geven?" vraagde Jan, die medelijden
had met het stervende dier.
"Neen," zeide de leeuwenjager, die op alles bedacht was, "dat schot
zou ons kunnen verraden -- voorwaarts!"
De ruiters sprongen weer te paard, en spoorden hun dieren tot de
uiterste krachtsinspanning aan.
"Halt!" riep de leeuwenjager.
"Hier houden de indrukken van de paardehoeven op, en beginnen een
aantal voetstappen."
"Wat ligt daar toch op den grond?" vraagde hij, terwijl hij het pad
met zijn scherpen blik monsterde.
Jan sprong van zijn paard en nam een knoop op van den grond.
"Dat is een knoop van vader's jas," riep hij met schrik.
"Die hem in de worsteling is afgerukt," vulde Jansen aan.
"Hier, op _deze_ plek heeft hij onraad bespeurd," zeide de
leeuwenjager met nadruk! "daar is geen twijfel aan. Hier heeft hij
het paard omgerukt; ge kunt het duidelijk zien aan de richting der
hoeven."
"Dat eerste schot is van Neef Dirk geweest," voegde hij er bij met
verwonderlijke helderheid van geest, "en de twee andere schoten zijn
door zijn overrompelaars op het paard afgegeven. Toen was onze
vriend echter reeds lang van het paard gerukt. Maar éen ding begrijp
ik niet, namelijk dat Kloppers maar ééns heeft geschoten. Hij moet
iets vreeselijks hebben ontdekt, dat zijn kracht heeft verlamd. Maar
wij zullen 't onderzoeken, en hem redden, als het niet te laat is."
De ruiters volgden nu het spoor der vele voetstappen, en de groote,
zware stap van den ongelukkige, dieper ingedrukt dan de andere, was
duidelijk te onderscheiden.
Bijna aan de grens van het kreupelhout gekomen, beval de
leeuwenjager, de paarden in het struikgewas vast te binden.
Behoedzaam slopen de Boeren nu door het kreupelhout, tot zij een
blik op het open terrein konden werpen.
Zij zagen de houten woning onmiddelijk, links van hen, op een
betrekkelijk korten afstand.
Zij konden zien, hoe het platgetrapte gras als een soort voetpad
liep tot de voordeur.
"_Daar_ kan hij zijn," zeide Teunis Smit.
Door het struikgewas gedekt, slopen de Boeren nu met koortsachtigen
ijver voorwaarts, tot zij recht vóór het linker venster der hut
waren.
Ze waren er nu geen twintig pas van verwijderd.
Peinzend streek de leeuwenjager zich over het voorhoofd.
Dat was zoo zijn manier, als hij voor een moeilijke zaak stond, waar
hij niet door kon kijken.
"Wij _gissen_ een misdaad, en wij _gissen_ de misdadigers," zeide
hij, "maar 't is nog _gissen_. Wij moeten nu _zekerheid_ hebben."
"Laten wij er in eens op losstormen," zeide Jan, die door het
pijnlijkste ongeduld werd gefolterd.
Jansen onderzocht het slot van zijn geweer, maar de leeuwenjager
schudde het hoofd.
"Houd dit venster in de gaten," zeide hij tot Jan. "Wij zullen den
achterkant der hut opnemen."
Met Jansen ging hij nog een twintigtal passen verder; nu waren ze
wijd genoeg.
Het bleek nu, dat van af het linker venster wel de voor- doch niet
de achterdeur kon worden bereikt. Het achterste gedeelte der hut was
namelijk vlak op den rand eener diepe kloof gebouwd, en slechts aan
den achterkant, bij de achterdeur, was eenige ruimte gebleven; een
smal terras tusschen de hut en den rand der kloof.
Deze kloof werd van een aangrenzende kloof gescheiden door een
steilen, smallen, gekloofden rotswand, en deze rotswand liep van het
kreupelbosch, waar onze Boeren zich bevonden, in gebogen lijn tot
den achterkant der hut.
Nu keerden de leeuwenjager en Jansen terug tot Jan Kloppers, die in
heftige opwinding riep: "Ik heb daar juist voor het venster Kees
Botter gezien."
"Weet ge 't zeker?" vraagde Jansen met gespannen trekken.
"Ik weet het _zeker_," zeide Jan; "hij had een stang in de hand."
Doch nu was niets meer te zien dan een lichte, rossige gloed, alsof
er een groot vuur brandde.
"Dan is de stervende Botter gauw opgeknapt," zeide de leeuwenjager
met een schamperen lach, maar hij liet er onmiddellijk opvolgen:
"_Nu_ hebben wij zekerheid van het verraad, en al weten wij nog
niet, waarin dat verraad bestaat, wij willen onzen slag slaan!"
"Als het maar niet te laat is," steunde Jansen.
Maar Jan zeide geen woord. Hij hing aan de lippen van den ouden
Voortrekker.
"Luistert nu goed," zeide de leeuwenjager, "één van u gaat op het
venster los, de andere op de voordeur. _Ik_ neem de achterdeur. Als
ge den schreeuw van den Makauwvogel hoort, dan eerst, en niet
eerder, stormt ge op de hut los. Maar dan ook zoo snel mogelijk --
snel als de wind! Wij willen de schurken overrompelen, en de
overrompeling moet volkomen zijn!"
Zijn gedaante scheen grooter te worden onder het spreken; zijn
spieren werden strakker. De groote jager was op het spoor van het
wild, en het oude vuur sprong uit die staalgrijze oogen.
"Oom, laat _mij_ de rotswand nemen," riep Jan, maar de jager had
zijn groote ruiterlaarzen reeds uitgetrokken, en met het geweer over
den schouder, spoedde hij naar het klippenpad.
Hij zette er zijn voeten op en schreed er over heen. Wel gaapte aan
zijn voet de honderd voet diepe, met harde klipsteenen bezaaide
afgrond; wel brokkelde nu en dan een stuk steen onder zijn voeten
weg; wel waren er gapingen in den rotswand van drie, vijf voet, maar
wat beteekenden die gapingen, die afbrokkelende steenen, die honderd
voet diepe afgrond.... voor hem, den grooten Afrikaanschen jager?
Was hij niet in de gebergten van 't noorden langs de afgronden heen
gegaan, waar in een diepte van twee duizend voet de bergstroom naar
beneden dondert? Had hij niet dagenlang gezworven op de koppen der
hoogste bergen, op hun ijsvlakten, die nimmer smelten? En had hij
den arend niet opgezocht in zijn trotsch nest, op de vooruitstekende
rots, hoog boven de wolken, waar eeuwige stilte heerscht?
Hij stapte sneller door; zoo vast, zoo zeker, alsof hij den gewonden
buffel naging over de vlakte. Er was geen spoor van vrees, van
angst; geen spoor van duizeling. Daar gaapte een kloof van vijf voet
breedte vóór zijn voet -- hij sprong er over heen met de vaardigheid
van den klipbok. En nu was het klippenpad bijna afgeloopen -- daar
ging de achterdeur open, en trad de vreemdeling van heden morgen, de
gids, naar buiten.
Beiden herkenden elkander onmiddellijk, en zwijgend greep de gids
een langen, zwaren staak, om er den leeuwenjager mee in de diepte te
stooten. Deze greep den staak -- de gids liet plotseling los -- de
leeuwenjager waggelde op het smal en gevaarlijk pad. Doch snel had
hij zijn evenwicht terug, en terwijl de staak naar de diepte rolde,
was hij in drie sprongen op het terras, achter de hut.
De gids was van plan geweest, om den leeuwenjager den toegang tot de
hut te betwisten, doch toen hij in die van toorn fonkelende oogen
staarde, ontzonk hem de moed, en hij keerde zich om, naar de
achterdeur. Maar de leeuwenjager, die _nooit_ had misgegrepen, greep
ook _dezen_ keer niet mis, en met de woorden: "Verrader, sterf!"
slingerde hij hem in den honderd voet diepen afgrond....
Lodewijk Jansen en de jonge Jan hoorden de stem van den
leeuwenjager, maar het drama, dat op het terras achter de hut was
afgespeeld, hadden zij niet kunnen zien, en onmiddellijk daarop
vernamen zij den schorren schreeuw van den Makauwvogel. En terwijl
de leeuwenjager de achterdeur binnendrong, zag de zwarte reus, die
in de nabijheid van Kees Botter hurkte, het breede gelaat van een
Transvaalschen Boer vóór het raam verschijnen. "Wil ik?" vraagde
hij, terwijl hij een werpspeer greep, doch vóór zijn baas ja kon
zeggen, had reeds de kogel van Lodewijk Jansen gesproken, en zakte
de reus met doorschoten borst vlak vóór het raam in één.
Intusschen vloog de voordeur uit haar grendels, en rukte Jansen het
raam uit de vermolmde kozijnen.
Dit was alles veel sneller gebeurd, dan ik het hier kan zeggen, doch
in het hart van Kees Botter brandde, zelfs in dit hachelijk
oogenblik, de wraak met volle kracht. En terwijl zijn Kaffers waren
weggestoven als kaf voor den wind, richtte hij zijn tweelooper op
zijn gevangene, den ouden Kloppers.
"Past op!" riep de grijze Voortrekker, maar zijn trouwste vriend, de
leeuwenjager, waakte. Hij drukte het geweer van den verrader met
zijn sterke hand uit de doodelijke richting -- de kogel vloog in het
dak -- daar voelde hij een dolkstoot, diep in de borst. En vóór dat
Jansen in den rookenden kruitdamp gelegenheid had, om het roer op
den moordenaar aan te leggen, en vóór dat Jan, die juist bezig was,
het touw door te snijden, waarmede zijn vader was geboeid,
gelegenheid had, hem te grijpen, was de verrader reeds door de
voordeur ontsnapt.
"Gered!" zeide de leeuwenjager met zwakker wordende stem.
"Gered!" antwoordde Dirk Kloppers.
"Maar tot welken prijs!" voegde hij er aan toe met smartelijk
bewogen lippen.
Hij leidde den zwaar gewonde naar een stoel.
"Wil ik de wond onderzoeken?" vraagde Jansen.
De oude Kloppers schudde het hoofd.
Hij onderzocht de wond; het bloed gulste er uit.
Het was een vreeselijke, doodelijke wond.
Hij legde er een verband om.
Dan staarde hij den leeuwenjager in het bleeker wordend gelaat.
"Gered!" zeide hij nog eens, "gered! Doch tot welken prijs!"
En de ijzerharde Voortrekker ging naar buiten en snikte als een
kind.
Doch kalmer keerde hij terug.
Zwijgend zaten nu de drie Boeren naast den stervenden leeuwenjager.
"Mijn voorgevoel is uitgekomen," fluisterde hij; "geen macht der
wereld had mij kunnen redden!"
"Doch voor _mij_ gaat gij in den dood!" klaagde de oude Kloppers.
"Dat is de liefde, dat de broeder voor den broeder in den dood
gaat," fluisterde mild en vriendelijk de leeuwenjager.
"En dat is de _hoogste_ liefde, dat Christus voor zijn vijanden in
den dood ging," zeide Kloppers.
"Amen!" fluisterde de leeuwenjager.
Meer zeide hij niet.
De oude Kloppers had nog gaarne iets meer gehoord, maar de
leeuwenjager zweeg.
Het werd nu licht in de hut. Dat deed de zon, die door de wolken
brak.
Plotseling dacht Dirk Kloppers aan den laatsten wensch van zijn
stervenden vriend, dien hij eenige uren geleden had geuit.
Op zijn wenk werd de gewonde voorzichtig met zijn stoel opgenomen,
en uit de benauwde lucht der hut naar buiten gedragen, op het terras
bij de achterdeur.
"De zon!" riep de leeuwenjager met matte stem, "de zon!"
Er scheen een glimlach op zijn gelaat te komen; zijn stervend oog
ging over het landschap, dat zich thans, in den glans der
namiddagzon, in wonderbare heerlijkheid voor zijn blik ontplooide.
"Hoe schoon," fluisterde hij, "hoe schoon!"
"Zoo heeft de Heere uw laatsten aardschen wensch vervuld," zeide
Dirk Kloppers, "maar Hij kan nog meer geven."
Hij was diep bewogen, de oude Kloppers!
Ach hij had den stervende lief! Hij had hem lief, zooals David
Jonathan lief had, en het was de _teederheid_ der liefde, die hem
zoo deed spreken.
En de leeuwenjager verstond het woord van zijn ouden vriend, en hij
knikte, en hij zeide met nauwelijks hoorbare stem: "Hij kan en zal
en wil in nood, zelfs bij het naadren van den dood, volkomen
uitkomst geven!"
Toen drukte hij zijn vrienden de handen ten afscheid, doch de hand
van Dirk Kloppers hield hij langer vast dan de andere.
En toen vouwde hij de verstijvende handen en sloot de oogen, en
biddend bewogen zich zijn lippen. "O Zonne der gerechtigheid!" dat
was het laatste woord, dat de omstanders konden verstaan.
En Dirk Kloppers knielde neder op het smalle terras, naast zijn
boezemvriend, en bad stil tot zijn God, dat Hij den stervende mocht
opnemen in Zijn eeuwig koninkrijk.
En toen hij zijn oogen weer opsloeg, toen had de groote leeuwenjager
reeds den geheimzinnigen drempel overschreden van de vallei des
doods.
Hij lag met het hoofd achterover, vredig als een kind, dat in slaap
is gegaan.
En de wolken hadden zich verdeeld en legerden zich als bergen aan
den horizon, en de namiddagzon straalde van den diepblauwen hemel,
en het zomerwindje bewoog het loover van het geboomte, en de
regendruppels vielen van de bladeren als schitterende parels, en de
zangvogels zongen hun liederen....
En Dirk Kloppers en zijn zoon en Lodewijk Jansen stonden bij het
lijk van den grooten leeuwenjager en waren diep bedroefd....
------
't Is twee dagen later; vroeg in den morgen.
Een aantal Boeren staan bij een open graf, gedolven in de schaduw
van een bloeienden doornstruik; in een dal van het Drakengebergte.
Niet in Natal, op Engelschen bodem, maar op Transvaalschen grond,
waar de oude Boerenvlag wappert, daar zou de leeuwenjager worden
begraven.
Zóó heeft Dirk Kloppers het besteld, en zóó geschiedt het thans.
Een ruwe, ongeverfde, houten kist is de laatste woning van den
grooten jager. Daar ligt hij, het hoofd iets hooger dan het overige
lichaam, met het geweer in den arm, den bandelier om de borst, in
volle jagersuitrusting.
En nu wordt de kist voor goed gesloten.
En langzaam en plechtig wordt de houten woning in de koele aarde
neergelaten.
En terwijl de frissche morgenwind door zijn grijze lokken gaat,
spreekt de oude Dirk Kloppers met zijn heldere, krachtvolle stem:
"Mijne vrienden! Wij bewijzen thans aan een man de laatste eer, dien
ik lief heb gehad mijn leven lang. Een man koel van blik en kort van
taal, maar met een hart vol gulden trouw! Hierin is de liefde, dat
de broeder voor den broeder in den dood gaat, en Teunis Smit is voor
mij in den dood gegaan. Hij is getrouw bevonden tot in den dood, en
wij zullen hem blijven eeren als één der helden van ons volk.
Een ernstig en lichtend voorbeeld heeft hij ons nagelaten van trouwe
vriendschap, een spoorslag, om ons leven gering te achten, om dat
van onzen broeder te redden.
Mijne vrienden! Teunis Smit is heengegaan, en het is, alsof een stuk
van mijn eigen leven daar ligt, op den bodem van het donkere graf.
Doch daarom willen wij niet versagen, maar integendeel het hoofd
moedig opwaarts heffen, want Christus heeft gezegd: 'Ik ben de
opstanding en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij
gestorven.' Onze harten zouden bezwijken, als wij niets zagen dan
dood en ontbinding, maar God lof! over de donkere graven schemert
het morgenrood der eeuwigheid, en _Christenen_ zien elkander _nooit_
voor den laatsten keer!
En zoo nemen wij van u afscheid, Teunis Smit! Gij zijt gevallen,
zooals een man valt door de hand der kinderen Belials, maar uw bloed
zal gewroken worden!
Rust zacht in dezen grond! Voor den Tranvaalschen grond hebt gij
gestreden -- in Transvaalschen grond zult gij rusten! Voor de
staatkundige vrijheid van ons volk hebt gij uw leven in de bres
gesteld -- moge thans, door Gods ontferming en genade! de hoogste
vrijheid uw deel zijn, de Vrijheid der kinderen Gods, die van de
banden der zonde voor eeuwig zijn verlost!
En in die hope roepen wij u, onzen vriend en broeder, voor 't
laatst: Tot weerziens toe! Tot weerziens in een beter en zaliger
land!"
En nu nemen de Boeren hun geweren, en geven een eeresalvo boven het
open graf van den grooten leeuwenjager. En de moedige knal hunner
geweren breekt zich in een honderdvoudig echo tegen de wanden van
het Drakengebergte, en hun paarden rukken driftig aan den teugel, en
bijten op de stalen gebitstang. En de Boeren zetten hun geweren
neer, en vullen het graf met aarde, en dekken het met harde
klipsteenen. En zij zingen nog het roerend schoone psalmvers:
"Gelijk het gras in ons kortstondig leven," en dan gaan zij heen.
En de leeuwenjager blijft alleen achter, onder den bloeienden
doornstruik.
En het Tamboeki-gras zal boven zijn graf, tusschen de klippen,
uitschieten.
En het zal elken winter verdorren, doch uit den ouden wortel zal
elke lente weer een nieuwe grasscheut te voorschijn komen.
En de doornstruik zal bloeien, en zijn vrucht zetten, vele jaren
lang. En eindelijk zal hij sterven van ouderdom, als geen veldbrand
hem vroeger heeft verteerd.
En nieuwe uitspruitsels zullen zijn plaats innemen.
En zoo zal dat voortgaan, om het graf van den grooten leeuwenjager,
in onophoudelijke, altoosdurende wisseling.
Maar eens zal die wisseling plotseling staken....
God houdt met Zijn sterke hand de oude wereldklok stil....
Dat is de dag des Heeren.... En het graf, dat altijd nam, zal nu
zijn buit terug moeten geven.
En Teunis Smit zal opstaan uit zijn graf, en wij, en alle menschen,
om geoordeeld te worden.