De lange, grijzende baard verscheen voor het raampje en riep met
waardigheid: "wat moet je?"
"Ik ben twee gouden souvereins verloren in dit akelig gat -- help me
zoeken, en je zult een flinke fooi hebben!"
"Dronken lui zijn in den regel royal," dacht de menschkundige
korporaal, en hij ontsloot de deur. Maar voor de voorzichtigheid
sloot hij de deur ook van binnen.
"Flink zoo," zeide de huzaar met dubbelstaande tong, "die rebellen
moet je niet te veel vertrouwen!"
"Mijn eer als Engelschman zou op het spel staan," zeide de
korporaal, "als die daar ontsnapte," en de gestreepte mouw strekte
zich uit naar den ter dood veroordeelde.
Het olielampje werd nu op de vloer geplaatst, en na eenig zoeken
kwamen beide souvereins werkelijk te recht.
Met een voldaan gelaat nam de huzaar de twee goudstukken van den
korporaal aan, en met de opmerking: "Hier, ouwe ijzervreter, heb je
er één voor je moeite," gaf hij er één terug.
"Dank je, mijnheer de ordonnans," zeide de korporaal, "dank je," en
hij verliet in de vroolijkste stemming de cel.
Na een poos werd het weer rumoerig in het cachot.
"Ik wil er uit!" brulde de huzaar. "Korporaal, doe open -- ik krijg
hier de vliegende tering."
Met de meeste voorkomendheid werd aan dit verzoek voldaan.
"Ik ga een luchtje scheppen," zeide de huzaar.
"Ga je gang," zeide de korporaal zoo vriendelijk mogelijk, "maar
maak geen gerucht!"
"Komt hij terug, dan is het goed," dacht de korporaal, "en komt hij
niet terug, dan kan ik verklaren, dat hij nuchter was," en de
waarheidlievende man streek zich den langen, grijzenden baard.
De huzaar drentelde onverschillig naar de schildwachten van het
kamp, maakte een praatje en zeide tot hen: "Ik zal eens kijken, of
de Boeren slapen."
Hij kroop over den aarden wal en sloop vooruit.
"De vent is nog dronken, Jim," zeide de eene schildwacht, maar de
andere antwoordde niet en neuriede een lied.
De huzaar was intusschen nog al gauw terug.
"Kijk," zeide Jim, "zoo dronken is hij toch niet, dat hij zich in
den nacht onder de Boeren waagt."
De huzaar begaf zich naar het cachot, en liet zich weer vrijwillig
opsluiten, maar geen half uur later beukte hij met zijn ruiterlaars
alweer tegen de deur.
Hij was bepaald onrustig, maar de korporaal opende de deur en liet
hem door.
De korporaal vond het echter verdacht, dat de huzaar al weer
behoefte had aan frissche lucht.
Was de vent wel dronken! En was het misschien niet een Boer, die den
jongen kwam redden? Zat er niet een sluwe kneep achter?
Terwijl de ordonnans zich verwijderde, kwamen deze gedachten bij den
korporaal op.
"Nou, dat zou mooi worden," zeide hij tot zichzelven, "dat ik, een
geboren Engelschman, mij door een dommen Boer zou laten bedotten!"
Hij stak voor de voorzichtigheid een lantaarn aan, en ze omhoog
houdend, gluurde hij met zijn kleine oogen door het raampje.
De veroordeelde lag, in zijn wambuis, lang uitgestrekt, op de harde
bank, maar het gelaat was niet zichtbaar, want het was naar den
houten wand gekeerd.
En de laatste omstandigheid maakte den voorzichtigen korporaal toch
een beetje ongerust.
Hij nam den sleutel, opende de deur en lichtte den veroordeelde in
het gelaat.
Het _was_ de veroordeelde. Nu was de korporaal gerust.
De huzaar kwam na een poosje weer terug.
"Toe korporaal," zeide hij, "open het cachot, en laat er mij in; ik
ga slapen."
"Dat zou tijd worden ook," meende de korporaal, terwijl hij aan zijn
wensch voldeed.
Een uur lang bleef het nu rustig, en de korporaal had juist voor den
vijf en twintigsten keer zijn gouden souverein uit den linker
broekzak in den rechter vice versa overgebracht, toen de huzaar met
opgewonden stem schreeuwde: "Korporaal, laat er mij uit! Ik kan hier
niet slapen; de muggen bijten me flauw!"
Maar nu werd de korporaal toch ook een beetje wrevelig, en hij
zeide: "Ordonnans, dit is nu voor de _allerlaatste_ keer dat ik er
jou uitlaat, hoor!"
Met dit te zeggen, liet hij den huzaar er uit.
"En blijf als 't u blieft niet lang weg," riep hij hem nog na.
Maar de huzaar bleef dezen keer _langer_ weg, dan daar straks, en de
voorzichtige korporaal maakte zich weer ongerust. Doch toen hij,
door het raampje kijkend, den veroordeelde nog in dezelfde houding
zag liggen als daar straks, was hij volkomen gerust gesteld.
"En al komt de dronken huzaar in 't geheel niet terug, dat is 't nog
niets," zeide de waarheidlievende korporaal, "want dan zal ik op
mijn woord van eer verklaren, dat ik hem nuchter heb laten gaan," en
hij nam een hartigen teug uit zijn veldflesch en stopte de kleine,
korte pijp.
Het begon intusschen dag te worden; in het kamp kwam leven en
beweging, en luide klonk het gekraai der hanen van de boerenerven in
den omtrek.
De huzaar was niet terug gekomen, en de korporaal trok het zich niet
aan.
Met het geladen geweer op den schouder, naderde thans een luitenant
met een piquet infanterie de gevangenis.
De korporaal stond op van een soort ton, waarop hij gezeten had, en
deed de militaire eerbewijzen.
"De veroordeelde slaapt nog," zeide hij.
"In orde," zeide de luitenant; "open de deur!"
De korporaal nam den sleutel, en het slot ging knarsend open.
"Wat knarst dat slot!" zeide de luitenant.
"Het is verroest," zeide de korporaal; "ik zal het smeren."
Nu trad men de cel binnen.
De jonge Boer lag nog altijd op de harde bank, met het gelaat naar
den houten wand.
Hij sliep of scheen te slapen.
"Wek den slaper!" zeide de luitenant.
De korporaal naderde den slaper, legde de hand op den schouder van
den veroordeelde en riep met plechtige stem: "In naam der Koningin!"
Hij riep zoo hard, dat de veroordeelde het hooren moest.
Hij _hoorde_ het ook.
Hij stond op, en rekte zich heel gemoedelijk uit.
Het wambuis, dat hij aan had, scheen echter wel een dwangbuis te
zijn. Het was veel te nauw; het kraakte.
Maar de korporaal stond als versteend te kijken.
"Sakkerloot!" riep hij.
"Sakkerloot!" riep hij nog eens.
"Sakkerloot!" riep hij ten derden male.
"Wat beteekent dat?" vraagde de luitenant met de grootste
bevreemding.
De korporaal gaf geen antwoord. Hij staarde Herman Hoogerhuis aan,
die zich in Arie's wambuis had gestoken, alsof hij een spook had
gezien.
"Is dit de ter dood veroordeelde?" vraagde de luitenant met klimmend
ongeduld. "Spreek dan toch, kerel, en sta daar niet te soezen als
een oud wijf!"
De verstandige en vlugge korporaal kon nog geen woorden vinden. Hij
plukte aan zijn langen baard, alsof hij hem wou uitrafelen tot
spinrag.
"Houd dat wambuis in de gaten," beval de luitenant "en den korporaal
ook, want ik denk, dat hij aan tijdelijken waanzin lijdt. Ik ga naar
den kolonel om nadere instructies."
Doch _nu_ sloeg de redestroom bij den wijzen korporaal door de
sluizen heen.
Hij sloeg zich met de vuisten voor het hoofd en riep, terwijl hij
den gestreepten mouw uitstrekte in de richting van Herman
Hoogerhuis: "Dat wambuis heeft mij schandelijk bedrogen;
schandelijk! Of eigentlijk het huzarenpak heeft mij bedrogen! Of
liever het wambuis _en_ het huzarenpak hebben mij bedrogen! Die
kerel daar heeft zich in het wambuis van den veroordeelde gestoken,
luitenant, en de veroordeelde in _zijn_ huzarenpak. Zoo is de
veroordeelde ontsnapt. Op mijn woord van eer, luitenant, zóó is het
gebeurd en niet anders."
"Zóó," zeide de luitenant langzaam, "is dat zóó in zijn werk
gegaan?" en met strengen blik nam hij Herman Hoogerhuis op, die er
bij stond, met de onnoozelheid van een pasgeboren kind op het
gezicht.
"Ik ben een ongelukkige, een lompert, een ezel!" huilde de
korporaal.
"Dat geloof ik ook," zeide de officier met hartgrondigen nadruk,
"een ezel, een echte! Maar schei er nu maar uit met je geleuter; je
straf zal je niet ontgaan. Wanneer is de Boerenjongen weggeloopen?"
"Misschien een paar uur geleden," steunde de korporaal.
"Voorwaarts, mannen! Ziet hem nog te krijgen! Misschien is hij door
onze schildwachten nog niet heen kunnen sluipen!" kommandeerde de
luitenant.
De soldaten stormden weg, om den jongen te vangen, en de korporaal
stormde het hardst van allen.
"Loopt maar niet te hard," riep Herman hem na; "die jongen zit
natuurlijk al lang bij de Boeren aan de koffie."
"Houd _jij_ je mond, tot je gevraagd wordt," beet de luitenant hem
toe -- "ben je ook een Boer?"
"Ik ben een Hollander, luitenant."
"Zóó -- je zult brommen; dat beloof ik je."
Maar de Hollander scheen zich dat vooruitzicht niet erg aan te
trekken.
Hij begon het "Wilhelmus van Nassouwen" te fluiten, en hij deed het
werkelijk op verdienstelijke wijze.
Arie was gelukkig ontsnapt.
Het huzarenpak had hem wel wat flodderig om zijn lichaam gehangen,
maar hij had de instructies van Herman Hoogerhuis stipt opgevolgd,
had de handen in de broekzakken gestoken, en was, ofschoon zijn hart
bonsde alsof het bersten zou, zoo onverschillig mogelijk langs de
schildwachten heen gedrenteld, en was op het oogenblik, dat een
nachtwolk het licht der maan onderschepte, over den wal geklommen.
Maar toen, buiten het kamp, had hij geloopen als een mensch, wien de
dood op de hielen zit, en eerst het krachtige "Wierda?" van een
bekende stem bracht hem tot staan.
Die stem kwam van achter een boschje. Hij liep er recht op aan.
"Goed volk," riep hij, "goed volk!"
"Ben jij 't Arie?" riep de stem van zoo even.
"Natuurlijk, wie anders?"
Met een juichkreet sprong Barend Jansen te voorschijn.
Een twaalftal jonge Boeren sprongen met hem uit den schuilhoek;
Columbus was er ook bij.
"Kijk," zeide Barend, "wij hebben hier den geheelen nacht in
hinderlaag gelegen voor het geval gij ontsnaptet, en de roodbaatjes
jou na zouden zetten. Wij vreesden reeds, dat het slimme plan van
Herman was mislukt, maar nu komt alles goed."
"Ja, nu komt alles goed," zeide Arie met bewogen stem, "als Herman
het maar niet ontgelden moet."
"Daarvoor is geen zorg," zeide Barend; "vandaag zal onze kommandant
nog een schrijven richten aan den Engelschen kolonel, dat Herman
geen haar gekrenkt mag worden; anders zullen de Engelsche
officieren, die in onze handen zijn, het moeten ontgelden."
De jonge Boeren gaven nu Arie allen de hand en schudden ze
hartelijk, en wenschten hem geluk met zijn ontsnapping. En de oude
Columbus strekte bewonderend de lange armen omhoog en riep: "Mijn
baassie is zoo glad als de slangen van Zoeloe-land, en geen
roodbaatje kan hem houden."
Maar Arie schudde het hoofd en zeide: "Neen, ouwe Columbus, dat is
niet de knapheid van je baassie. Herman Hoogerhuis heeft mijn leven
gered, en God komt al de eere toe."
"Is het niet zoo, kameraden?" vraagde hij.
"Ja," zeiden ze, "zoo is het."
"Nu," zeide hij, "laten wij dan ook een danklied zingen, hier op
deze plek, omdat de almachtige God mij van den dood heeft gered."
En de jonge Boeren zongen met hun heldere, frissche stemmen door den
stillen nacht:
"Prijs den Heer met blijde galmen;
Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.
'k Zal zoo lang ik leef mijn psalmen
Vroolijk wijden aan Zijn lof;
'k Zal, zoo lang ik 't licht geniet.
Hem verhogen in mijn lied!"
Maar Arie kon niet zingen; zijn gevoel overmande hem. En de tranen
biggelden over zijn gezicht, en het waren tranen van dankbaarheid.
En God heeft die tranen gezien.
------
De korporaal in geen geringen angst, had intusschen, het geheele
kamp gealarmeerd.
De schildwachten werden ondervraagd, en hadden ook den laatsten keer
den huzaar werkelijk gezien. Hij was op zijn gemak doorgedropen,
maar niet teruggekomen.
Vermoedelijk had hij zijn vermetelheid met het verlies van zijn
vrijheid moeten boeten, en was hij door de Boeren gevangen genomen;
dat was hunne meening.
Maar de korporaal wist het wel beter, en _nooit_ had hij meer in
angst gezeten dan van morgen.
Plotseling schoot er een zonderlinge, avontuurlijke gedachte door
zijn brein.
"Ik ga hem halen," zeide hij en hij klauterde over den wal.
"Wat mankeert dien vent?" riep de schildwacht verwonderd.
"Hij is niet wel bij 't hoofd," zeide de luitenant van het piquet,
"laat hem maar."
Maar de korporaal was wel goed bij 't hoofd, en hij rende dwars door
het veld op het dorp aan, tot hij bij een loopgraaf der Boeren
bijna over een langen vent was gestruikeld, die zich daar lag te
koesteren in de morgenzon.
Met de blijken van den grootsten schrik vloog de lange man overeind,
en hij scheen ernstige aanstalten te maken om te vluchten.
Maar blijkbaar kwam het roodbaatje met vredelievende bedoelingen,
want hij stak de handen omhoog en zeide: "Ik heb twintig jaar voor
de Engelsche glorie gevochten; nu mag het een ander doen; ik schei
er uit."
Doch Leen Blok verstond bijna geen woord Engelsch, en keek den
Engelschman aan, met zijn groote domme oogen.
"Verstaat u geen Engelsch?" vraagde de korporaal ernstig.
Leen Blok haalde de schouders op, en greep naar zijn langen, mageren
hals.
"Een gebrek -- in de keel?" vraagde de korporaal met warme
belangstelling; "spraakvermogen belemmerd?"
"Ik versta geen Engelsch," zeide Leen Blok, "kom, ga mee!"
En hij trok den Engelschman aan zijn mouw, en samen gingen zij naar
het dorp, naar den "vroolijken Olifant", waar ons gezelschap jonge
Boeren, achter het huis, in de met bloeiende kamperfoelie begroeide
veranda, dapper zat koffie te drinken.
Arie had juist voor den derden keer het geheele verloop van zijn
ernstig avontuur verteld, toen hij, den blik slaande in den gang,
met de grootste verbazing riep: "Lieve schepsels! Daar heb je den
korporaal, die bij mijn cel de wacht hield."
Leen en de korporaal traden nu in de veranda.
De korporaal maakte een buiging, sloeg met waardigheid aan en zeide:
"Mijne Heeren! Ik wensch u een goeden morgen."
"Goeien morgen!" zeiden de verwonderde Boeren.
"En u, beminnelijke jongeling, reik ik in 't bizonder de hand," ging
hij voort, zich tot Arie wendend, die thans weer in Boerenkleeding
was, "en had die edele Hollander u niet gered, dan had _ik_ het
gedaan."
"Een Engelschman een Boer redden, dat is nog nooit vertoond," lachte
Barend Jansen.
"Pardon, Mijnheer, ik ben geen Engelschman," zeide de korporaal met
groote waardigheid, en hij streelde met welgevallen zijn langen,
grijzenden baard.
"Ik _ben_ geen Engelschman," ging hij voort met klimmenden nadruk;
"Ik zou me schamen, als er door mijn aderen één druppel Engelsch
bloed stroomde. Wat ik ben, Mijne Heeren? Een Ier, een zoon van het
groene eiland. Wat ik ben? Een vurige voorstander van de Boeren,
omdat zij, evenals wij Ieren, vol heldenmoed worstelen voor hun
vrijheid. Neen, ik ben geen Engelschman, Mijne Heeren, op mijn woord
van eer; op mijn woord van gentleman."
En terwijl liet hij zijn blikken gaan over de eenvoudige Boeren, die
hem met groote oogen zaten aan te kijken. En met een minzamen
glimlach nam hij naast hen plaats, en zeide: "Is het geoorloofd,
Mijne Heeren?" en hij vatte een dampend kop koffie en dronk het leeg
tot den laatsten drupppel.
Maar Barend Jansen zeide: "Roodbaatje, jij kunt praten als een
advokaat, en wij kunnen jou niet bijhouden, Roodbaatje. Maar wij
zullen jou opsturen naar Heidelberg, naar Oom Paul, die heeft van
die dingen meer verstand."
"Goed," zeide de korporaal, "het zal mij zeer aangenaam zijn, kennis
te mogen maken met den hooggeachten President der Zuid-Afrikaansche
Republiek. Mijne Heeren, deze veelbewogen morgen is een keerpunt in
mijn leven."
Hierin sprak onze korporaal inderdaad de waarheid, want hij werd als
krijgsgevangene opgezonden naar Heidelberg, en bleef er tot het
einde van den oorlog.
Met Herman Hoogerhuis liep het beter af. Nog geen acht dagen later
werd hij uitgewisseld tegen een Engelschen officier, en dat de jonge
Boeren hem met gejuich ontvingen, behoef ik wel niet te zeggen.
--------
HOOFDSTUK XIX.
------
Reusachtige schaduwen strekken zich uit naar boven, naar het blauwe
gewelf met zijn tienduizende sterren.
Die reusachtige schaduwen zijn bergen.
Het zijn de bergen van het Drakengebergte.
Op één der bergtoppen, dicht bij een "nek" of bergpas, brandt een
eenzaam wachtvuur.
Dicht bij het vuur zitten een zestal Boeren. Het vuur verspreidt een
aangename warmte, want het is koud in den nacht op den bergtop.
Vier der hier zittende Boeren kent ge: Dirk Kloppers met zijn zoon
Jan, Teunis den leeuwenjager en Lodewijk Jansen.
De flikkerende, grillige vlammen werpen een rossig licht over hun
gebruinde en verweerde gelaatstrekken.
In levendige gesprekken snelt de nacht voorbij.
Reeds breekt de morgen aan.
Van goud en purper schittert de halve horizon, en aan den
oostelijken hemel legeren zich vlammende wolken als de herauten van
het groote Licht van den dag.
Reeds schitteren de toppen der bergen, en de duisternis en het
roofdier, het kind der duisternis, vluchten weg in spleten en
spelonken.
De Boeren zijn opgestaan van het wachtvuur; de morgenwind speelt om
hun slapen.
Lang staren zij naar het zuiden, naar Natal, in de richting van
Bosmans- en Blauwkransrivier, waar ruim veertig jaar geleden zooveel
moedige Boerenharten, de borst doodelijk getroffen door de assegaai,
de hersenpan verbrijzeld door een staalharde knods, ophielden te
kloppen.
Dáár, aan de oevers dier rivieren, daar slapen zij hun langen slaap.
En dáár, in het zuidoosten, waar de golven der Bloedrivier
schitteren in de morgenzon, dáár hebben de Boeren zich gewroken, en
de grimmige, verraderlijke Zoeloe's bij duizenden geveld.
En ginds, ver het zuiden in, daar ligt Pieter-Maritzburg, de
hoofdstad van Natal, door de Boeren gesticht, naar hun aanvoerders
genoemd, door de Engelschen gestolen!
Pieter-Maritzburg en heel Natal -- 't is door de Engelschen
gestolen!
Ja, die Engelschen, dáár liggen ze, vóór de passen van het
Drakengebergte, vóór de poorten der Transvaal!
Daar liggen ze, met hun voetvolk, hun paardevolk, hun kanonnen! Als
de wolf voor de schaapskooi!
Dáár, vóór de poorten der Transvaal, stuwt Engeland zijn krachten
op, en het zal die poorte rammeiën, tot ze bezwijken!
De geheele macht van Engeland, dat zijn gebied uitstrekt in de vier
winden des hemels, zal zich hier, vóór deze zwakke poorten legeren,
en de zwakke macht der Boeren vermalen als in een ijzeren mortier.
Ach, die macht der Boeren, is ze niet zwak?
Liggen in de verschillende Transvaalsche steden en dorpen geen 6000
Engelschen (de vrijwilligers medegerekend) in garnizoen?
Die verschillende garnizoenen worden ingesloten door een macht van
3000 Boeren -- is die macht niet veel te klein?
En 1500 Boeren moeten de passen van het Drakengebergte houden -- is
het een wonder, dat generaal Colley zich van een even snelle als
besliste zegepraal zeker waant?
En dat is nog niet alles.
Hoe armoedig zijn de Boeren uitgerust!
Geen kanonnen, om de vijandelijke artillerie te beantwoorden; geen
dokters, om de gewonden en de gekwetsten te verbinden; en als ze
hoofd voor hoofd, _vijftien_ patronen hebben verschoten, dan is hun
ammunitie totaal uitgeput!
Ja, _zwak_ is de macht der Boeren!
En toch zijn ze sterk -- _sterker_ dan de Engelschen, want zij
strijden voor hun heiligste goederen, en zij hebben het _recht_ aan
hun zijde: het _recht_ en hun _God_....
Gij grijze Voortrekkers bij het eenzaam wachtvuur, ziet gij nu goed
het vijandelijke kamp daar in de nabijheid?
Maar zij wendden reeds den blik naar het noorden, naar de
Boerenlagers.
Dáár ligt het lager van kommandant Weilbach, en daarachter het lager
der Middelburgers, en aan de andere zijde het groote, uit 330
ossenwagens bestaande lager van den kommandant-generaal Piet
Joubert, en verder het westen in kronkelt de rook omhoog uit het
kamp der Oranje-Vrijstaters.
Met welgevallen rust het oog onzer Boeren op dit lager, want de
Oranje-Vrijstaat heeft strikt genomen met de Transvaal niets te
maken, maar hier heeft het broederbloed gesproken, en 300 dappere
mannen hebben hun vlugste paarden gezadeld en hebben gezegd: "Wij
willen met de Transvalers overwinnen of sterven!"
En hoor, wat M. Uijs, pas uit den Oranje-Vrijstaat gekomen, dezer
dagen, op een open ossenwagen geklommen, tot de vergaderde Boeren
heeft gesproken 1)
"Mijne broeders," heeft hij gezegd, in zijne eenvoudige, hartelijke
taal, "mijne broeders, ik behoef u niet veel uitleg te geven, wie ik
ben. Een mijner familieleden sneuvelde in Natal, de andere is bij u.
Ik ben gezonden niet door onze regeering, maar door het volk van ons
district, en alleen, om van u te komen hooren, wat gij van ons wilt,
en wat wij voor u doen kunnen, en verder om u aan te kondigen, wat
wij voor u willen doen. Wij hebben acht dagen geleden eenige
bijeenkomsten gehouden, en besluiten genomen, om memories, die
talrijk geteekend zijn, op te zenden naar onzen Volksraad, die nu
een buitengewone zitting houdt. Wij hebben verder op die
bijéénkomsten eendrachtelijk en vast besloten, om u te hulp te
komen. Gij moet u niet bekommeren, dat mogelijk onze President het
niet zal toelaten. Ik geef u mijn woord, of onze regeering wil of
niet, wij zullen toch komen. Wij hebben reeds vóór de zitting met de
raadsleden geraadpleegd, en ik kan u verzekeren, dat de groote
meerderheid er reeds voor was, om u, onze broeders, te komen helpen.
Broeders, wij zijn zwak; wij zijn nietsbeduidend tegen dien John
Bull, maar wij zullen komen, zooals een Abraham met geloof is
gekomen, om zijn zoon te offeren. God zal het voorzien. Hij is de
almachtige. Hij zal ons helpen. Verder, broeders, wil ik u raden om
te volharden als mannen van geloof en dapperheid. Staat vast op uwe
zaak, want die is rechtvaardig! Gij vecht en sterft als mannen voor
uw vrijheid. Wij zijn voor de vrijheid van ons en voor de vrijheid
van u, want die is u ontstolen.
Broeders, wij zullen uw bloedig spoor volgen, en wij zullen met u
strijden en met u sterven.
Gij kunt u wel voorstellen, hoe onze harten branden, wanneer wij in
onze huizen de onbarmhartige kanonnen op u hooren losdonderen, en
dan daarbij bedenken, waarom op u zoo wordt geschoten; om uw wettig
eigendom!
Broeders, uw volk is ons volk, en uw God is onze God! Houdt uw zaak
nog veertien dagen vast, en gij zult ons bij honderden hier zien, om
u te helpen. Wij zijn reeds bezig, om de kogels te gieten en de
geweren uit te wasschen. Ik vermoed, dat het gansche Afrikaansche
volk nu zal samen werken, om uwe zaak te steunen, en om een geheel
vrij volk te worden. Geloof mij, de Vrijstaat, Natal en de
Kaapkolonie staan op voor uwe zaak. Ik meen en geloof, dat deze
plaats is die plaats, welke God van eeuwigheid af heeft
verordineerd, waar wij onze vrijheid moeten uitvechten.
God zegene u en helpe u met moed en kracht, en Hij beware u voor des
vijands wreed geweld!"
Er komt al meer beweging in de Boerenlagers daar beneden....
Duidelijk kunnen onze Boeren het waarnemen van hun hoogen
observatiepost.
Er worden vuren aangelegd, en gekloofde telegraafpalen dienen tot
brandhout. De telegraafdraden zijn omgebogen tot drievoeters,
waarboven de waterketels worden gezet.
Er wordt gepraat, geroepen, geschertst en gelachen. Daar tusschen
klinkt het geloei der ossen, het gebulk der slachtbeesten en het
moedig gehinnik der paarden. Hier en daar wordt een schallende
oorveeg vernomen, een al te tragen Kaffer toegediend, in de verte
bewegen zich als nietige stipjes vlugge renboden, om rapporten over
te brengen, en om den hoek van een rots komen plotseling, op snelle
paarden gezeten, een honderdtal jonge Middelburgers aangestormd.
"Goeden morgen, kameraden," roepen zij in 't lager, en vlug stuiven
zij voorbij.
Maar nòg wordt de dreunende hoefslag hunner paarden in de verte
gehoord, als de bont door elkander dwarrelende geluiden van het
bewegelijk kampleven plotseling worden opgelost en verzwolgen door
een ernstigen, mannelijken, machtigen toon.
De krijgers ontblooten hun hoofden, en uit honderden keelen stijgt
het loflied omhoog:
"Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons, dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid,
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt uit goedheid zonder peil
Ons 't eeuwig zalig leven!
Hij kan en wil en zal in nood,
Zelfs bij het naadren van den dood,
Volkomen uitkomst geven!
Daar hebt ge 't. Dáár ligt het geheim van de kracht der Boeren.
Nooit -- neen _nooit_ zouden zij de bange worsteling met het
machtige Engeland hebben durven aanbinden, indien het
_Godsvertrouwen_ niet het sterke schild was, waar achter zij
schuilden.
En nooit zullen zij dat schild dringender noodig hebben dan heden,
op den gedenkwaardigen 28ste Januari 1881.
"Kijkt," zegt de leeuwenjager, wiens oogen in spijt van zijn vier en
zeventig jaren nog niet zijn verdonkerd, "er is een ongewone
beweging in het kamp der Engelschen. Ik denk, ze gaan van daag den
Lang-Nek 2) forceeren."
"Laat hen komen," zegt de oude Jansen, en hij omvat met zijn sterke
hand den blanken loop van zijn geweer.
Snel dalen onze Boeren nu van den bergtop af, en begeven zich naar
eene der den Lang-Nek bestrijkende hoogten.
Hier vinden zij reeds een groep Boeren, en allengs groeit de groep
aan.
Generaal Colley, een der bekwaamste generaals van het Engelsche
leger, een man, die, zonder zich zelven te overschatten, de oogen
durft te slaan op de hoogste betrekking in het Engelsche leger, is
voornemens, van daag de even snelle als beslissende overwinning te
behalen. Alvorens generaal Wood, die met geduchte versterkingen in
aantocht is, het Drakengebergte is genaderd, wil hij schoon schip
gemaakt en de muitende Boeren verpletterd hebben.
Hij verdeelt zijn leger, dat op een uur afstands van den Lang-Nek is
gekampeerd, in vier afdeelingen, en trekt onder het roffelen der
trom en het schallen der trompet moedig voorwaarts.
De linkervleugel bestaat grootendeels uit roodbaatjes (infanterie)
met negen kanonnen, en nadert tot op een afstand van twintig
minuten. Hier houdt hij halt en nestelt zich in de landerijen in de
nabijheid van een boerenwoning.
De kanonnen worden met kalmte en nauwkeurigheid gericht.
"Daar zijn hun goden," zegt Dirk Kloppers.
"Nu krijgen we de bommen," zegt Lodewijk Jansen, maar Teunis de
leeuwenjager zegt geen woord.
Nu breekt het geweld der kanonnen los. Het schijnt, dat Colley de
Boeren onder zijn bommen en vuurpijlen wil begraven.
"Oom," roept een jonge Boer, op die 24 pond zware, vier voet lange
vuurpijlen wijzend, "wat zijn de Engelschen toch een onbarmhartige
natie! Zij schieten ons met jukken!"
De rechtervleugel, uit blauwbaatjes (huzaren) bestaande, maakt nu
een charge met het blanke wapen tegen de stelling, waar kommandant
Engelbregt met zijn mannen staat.
Het kanon barst recht boven hen los.
Een der Engelsche officieren jaagt, met de sabel in de vuist, midden
tusschen de Boeren door, maar met een kogel door het hoofd zinkt de
dappere van zijn paard. Moedig en onverschrokken vallen de huzaren
aan, maar het doodelijk schot der Boeren jaagt hen in hun oude
stelling terug.
Doch 500 man infanterie van den linkervleugel rukken thans, onder de
bescherming van het kanon en in vereeniging met 200 huzaren, tot den
aanval op. In snellen loop gaat het op de hoogte aan, waar wij Dirk
Kloppers en zijn vrienden hebben achtergelaten.
Met schrik zien de Boeren, in andere stellingen geposteerd, hoe zwak
de bedreigde hoogte is, en allengs komt er eenige hulp, tot er 80
man op de hoogte zijn.
Meer hulp kan men niet zenden, want dan worden de andere posities te
zeer ontbloot.
"Wat denkt gij er van?" vraagt Lodewijk Jansen.
"Wij houden deze hoogte, of wij sterven hier," zegt Dirk Kloppers
bedaard.
"Dat is ook mijne meening," herneemt Jansen.
"In elk geval zullen de Engelschen heden avond niet meer zeggen, dat
wij lafaards zijn," zegt de leeuwenjager met een harden klank in
zijn stem.
Uitstekend gedekt door een scherpen heuvelrug, en terwijl de
kanonnen al door vuren, zijn de Engelschen intusschen genaderd tot
op een afstand van slechts zeven pas.
Nu zwijgt het kanon.
En nu eerst kunnen de Boeren, die reikhalzend op dit oogenblik
hebben gewacht, van hun vuurwapens gebruik maken.
"Een vaste hand en een koelbloedig hart!" vermaant de oude Kloppers
de jongeren, "en op God vertrouwd! Let er op, hoe wij ouden het
doen! Achter dien klipsteen, Jan! Willem, hierheen -- plat op den
buik!! Schiet op het hoofd van je vijand -- slechts kopschoten --
kopschoten zijn meest doodelijk!"
Nu wendt hij zich tot den leeuwenjager.
"Dien officier daar, op dien zwarten hengst, neem jij dien, Teunis?"
"'t Is reeds de mijne," zegt Lodewijk Jansen kortaf, terwijl een
korte vuurstraal glipt uit den loop van zijn geweer.
De officier stort van het paard, maar blijft in de stijgbeugels
hangen; en de wild geworden hengst jaagt, zijn stervenden meester
over de harde klipsteenen mede sleurend, over het slagveld.
"Ik neem dien ritmeester van de blauwbaatjes," zegt Dirk Kloppers.
Hij bukt zich; hij mikt.
Er komt een dreigende flikkering in die blauwe oogen -- ritmeester,
uw leven hangt aan een zijden draad!
Daar steigert het door den kruitdamp en de geweerschoten schichtig
geworden paard van een huzaar, en hij komt recht vóór zijn
ritmeester.
"Ruimte!" roept Dirk Kloppers, en hij schiet den huzaar van zijn
paard.
Nu is de baan weer vrij -- nogmaals schuift zich in het wilde
oorlogsgewoel een blauwe uniform tusschen den doodelijken geweerloop
van Dirk Kloppers en den ritmeester.
"Ruimte!" roept de grijze Voortrekker nog eens, en schiet ook den
tweeden huzaar neer.
"Ritmeester!" roept een in den krijgsdienst grijs geworden
wachtmeester; "ga achter het front, want de Boeren hebben u tot hun
mikpunt."
"Achter het front --?" riep de ritmeester; "achter het front --?"
Hij rukt het ridderkruis van zijn borst, en werpt het naar voren, in
de vreeselijke stelling der Boeren.
"Haalt het, mijne dapperen!" roept hij met luide stem, en de sabel
vaster in de vuist nemend, drukt hij zijn zweetvos de sporen in de
zijde.
Daar schiet Dirk Kloppers nog eens -- de trouwe wachtmeester vangt
zijn geliefden meester op.
"Ik had het wel gedacht," zegt hij klagend, "ik had het wel
gedacht!"
Hij draagt den ritmeester in zijn armen naar de verbandplaats, en
brengt er een -- lijk.
De Boeren vechten door. Daar dringt een vermetele huzaar -- hij
draagt een geteekend hoefijzer op den arm en is vermoedelijk een
smid -- tot in de linie der Boeren en houwt twee Boeren achter de
klippen neer. Nu stormt hij op Dirk Kloppers los, wiens geweer
ongeladen is, doch Jan ziet het groote gevaar, waarin zijn vader
verkeert, en schiet den vijand door het hart.
Maar een ander tooneel trekt onmiddellijk de aandacht van Jan, en
hij roept: "Vader, ginds, bij dien grooten klipsteen, daar heb ik
het gezicht van Kees Botter gezien."
Hij strekt den arm uit, om de plaats te wijzen, maar laat er
onmiddelijk in groote opwinding op volgen: "Daar heb je hem weer."
Een kogel fluit rakelings langs het hoofd van den ouden Kloppers, en
Kees Botter verdwijnt weer achter zijn schans.
"Ik geloof, dat de vent op _mij_ heeft geschoten," zegt de oude
Voortrekker.
Bedaard zet hij den grooten, breedgeranden hoed af, en bekijkt hem
met aandacht.
"Daar heb je 't al, Vader," zegt Jan, op twee kleine openingen
wijzend in den bodem van den hoed.
"'t Schot was niet slecht, maar goed evenmin," zegt Dirk Kloppers,
terwijl hij kalm een versche patroon in den loop schuift.
"Dek je, Jan!" zegt zijn vader waarschuwend, "dapperheid zonder
voorzichtigheid maakt roekeloos. Zie, die jonge Boer ginds -- ik heb
hem al drie keeren zooeven gewaarschuwd. Hij waagt zich te veel; hij
laat zich meesleepen door zijn moed, maar hij zal het met zijn leven
moeten bekoopen -- daar ligt hij al, de arme jongen!"
De Engelschen geven het intusschen op. Zij staren met schrik en
ontzetting op deze dood en verderf spuwende hoogte -- zij deinzen
terug. En van klip tot klip, van rots tot rots rukken de Boeren
sprongsgewijze vooruit, en zij schieten de Engelschen als
boschduiven.
Doch nu begint het kanon weer te bulderen, en dekt den terugtocht
der vluchtelingen.
De Boeren verloren 14 man aan dooden en 28 gekwetsten. Van de
Engelsche zijde lagen 335 man dood of gewond op het slagveld, een
vreeselijk cijfer, wanneer men de getalsterkte in aanmerking neemt.
In verhouding was dit gevecht voor de Engelschen bloediger dan de
bloedigste veldslag in den Fransch-Duitschen oorlog.
Van Engelsche zijde verscheen nu een parlementair met het volgende
schrijven:
"_Aan den Kommandant-Generaal P. J. Joubert._
Mijnheer, Gij zult mij een dienst bewijzen, wanneer Gij mij verlof
wilt geven, dokters te zenden, om naar de gewonden te zien, die in
het front van uwe positie zijn blijven liggen, en manschappen, om
de dooden te begraven. Ik heb de eer, te zijn, Mijnheer, uw zeer
gehoorzame dienaar
G. POMEROY COLLEY."
Het antwoord luidde als volgt:
"Excellentie, Om der menschelijkheid wil -- moet ik ingaan op uw
verzoek, en zoodra de slag is afgeloopen, zal ik u de dooden
afgeven.
P. J. JOUBERT,
_Kommandant-Generaal._"
Om der menschelijkheid wil -- ja, dat was het rechte woord.
Als klaprozen tusschen de blauwe korenbloemen, zóó lagen daar de
Engelsche infanteristen en de blauwe huzaren dood, gewond en
stervend op het platgetrapte slagveld.
Hartverscheurende kreten van pijn en smart werden geslaakt, en de
gewonden versmachtten van dorst.
De Boeren stonden nu midden in al dien jammer en ellende. Zij
wierpen het geweer over den schouder, en verrichtten het werk van
den barmhartigen Samaritaan. En het oog, dat zoo even nog had
geschitterd in het gevoel der zegepraal, werd vochtig, en boven de
rookende bloedplassen gingen de sterren op van deernis,
barmhartigheid en medelijden.
Inmiddels kwamen een driehonderdtal Engelsche soldaten op het
slagveld aan. Zij zochten hun gewonde kameraden op, en legden hen
voorzichtig op de meegebrachte wagens. Vervolgens begonnen zij met
schop en spade groote, wijde graven te delven, en in deze graven
werden Engelands kinderen neergelegd, in hun roode en blauwe, met
bloed overstroomde uniformen. Zij lagen met de voeten naar elkander
toe, en de dooden schenen uit hun groote, wijde graven de levenden
aan te staren met hun opgesperde, verglaasde oogen, hun wijd
geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken, en zij schenen nog
in hun doodsstrijd een wee te hebben uitgeroepen over de politiek,
die hen in den dood had gejaagd....
Doch reeds namen de soldaten hun groote schoppen, en dof en zwaar
viel de aarde op Engelands kinderen, en bedekte hun verglaasde
oogen, hun geopende monden en hun verwrongen gelaatstrekken....
Terwijl zochten de Boeren in kleine groepen het slagveld af, en
namen naar het recht van den overwinnaar van de overal verspreid
liggende wapens en patronen bezit.
Dat de Boeren overwinnaars waren gebleven, erkenden de Engelschen,
doch zij schreven het toe aan een verpletterende overmacht der
Boeren. Dat deze overmacht slechts in hun verbeelding bestond, weten
we, maar toch blijft de onderstaande brief, door een Engelschen
soldaat aan zijn moeder geschreven, karakteristiek.
Hij luidde als volgt:
"_Lieve Moeder!_
Enkel een regeltje, om u te doen weten, dat ik nog leef, want gij
moet gehoord hebben van het gevecht, hetwelk wij hadden met de
Boeren. Het was voor ons een zware dag, want wij verloren 335, zij
(de Boeren) verloren 1200 man. Ik behoor bij de huzaren; zoodoende
zagen wij alles, en hadden het zwaarste van het werk te doen. Gij
zult mijn naam in de couranten onder de gewonden vermeld vinden,
maar maak u niet ongerust; het is slechts een geringe wond onder
het oog.
Zij waren ongeveer 12000 man sterk en wij omtrent 1200. Nu kunt ge
begrijpen, welk soort van gevecht het was. Ik denk, dat gij wel
van mijn arm regiment gehoord zult hebben. Het verloor zooveel
manschappen; het trachtte de hoogte te nemen, maar het mislukte.
Maar wij zullen het een volgenden keer overdoen. Ik denk, dat ik
een boel werk doe voor mijn shilling, doch het zal niet eeuwig
duren, en dan groet ik het leger voor eeuwig.
Ik moet eindigen.
_Uw liefhebbende zoon,_
J. SWAIS."
"Het zal niet eeuwig duren," schreef de arme jongen.
Dat bleek waarheid te zijn, want geen veertien dagen later werd hij
op het slagveld van Schuinshoogte begraven.
1) "Geschiedenis van den Vrijheidsoorlog" door kommandant J. D.
Weilbach en C. N. J. du Plessis.
2) Een der passen van het Drakengebergte.
--------
HOOFDSTUK XX.
------
We keeren terug naar het slagveld.
De laatste sporen van den kruitdamp zijn door het zomerwindje
weggevoerd.
De dooden zijn begraven; de meeste gewonden verzorgd.
Het platgetrapte gras wijst de plekken aan, waar het hardst en het
heetst is gevochten.
Vriendelijk schijnt de avondzon, en zij kust de witte, met
bloedbespatte kelken der veldbloemen.
In de verte, met den rug tegen een klipsteen, zit de jonge Boer,
dien Dirk Kloppers had zien vallen.
Een van bloed doorweekte doek ligt op zijn borst; dáár heeft hij het
doodelijk schot gekregen.
De hoed ligt naast hem, aan zijn linkerzijde, in het gras; bovenop
het geweer en de bandelier.
Een reeds bejaard man knielt naast hem; aan zijn rechterzijde.
Dat is zijn vader.
Een kleine groep Boeren staat, leunend op hun lange roeren, op
eenigen afstand.
De vreugde der zegepraal in hun blik wordt getemperd door het
aangrijpend tooneel daar vóór hen.
De vader houdt de hand van zijn jongen, van zijn lieveling, van zijn
eenig kind omklemd.
Hij houdt die hand zoo vast, omdat hij weet: Zijn kind gaat weg,
naar het verre, vreemde land, en komt nooit -- _nooit_ terug.
De jonge man hijgt naar lucht, maar zijn matter wordend oog zoekt de
zon, aan de westerkimmen.
Zij werpt haar laatste stralen over de hoogten en de diepten, van
het Drakengebergte, en met een lichtglans bedekt zij het stervend
gelaat van den jongen krijger.
"Vader," zegt hij met afgebroken klanken, "het wordt donker voor
mijn oogen."
Doch als het donker wordt voor onze oogen, als het avond wordt, dan
zeggen wij elkander goeden nacht.
De oude man bukt zich over zijn zoon en kust hem.
"Goeden nacht, mijn jongen!" zegt hij in overstroomend zielewee.
"Is het vrede?" vraagt de oude man met nokkende stem; "is het vrede,
mijn jongen?"
Met een uiterste, laatste poging tracht de stervende zich iets op te
richten.
"Ik hoop," zegt hij, "ik hoop, dat Jezus mijn Zaligmaker is. Vader,
bid voor mij, en groet mijn lieve moeder!"
De oude man houdt de hand van zijn zoon in de hand, en biddend
bewegen zich zijn lippen.
En met de hand van zijn vader in de zijne, overschrijdt de jongeling
den vreeselijken drempel van de vallei des doods....
Daar begint hij te klappertanden -- een rilling jaagt door zijn
leden -- zijn vader vangt hem op, en houdt zijn dood kind in de
armen.
De zon is nu ondergegaan achter de steile koppen van het
Drakengebergte.
En de avondwind steekt op, en ruischt weemoedig door de toppen van
het geboomte.
En de oude man, blijft hij in leven, zal terugkeeren naar zijn
woning zonder zijn kind.
En de moeder zal klagen en rouwdragen over haar eenig kind, haar
leven lang...
En gij, machtige staatslieden, die de oorzaken zijt geweest van
dezen oorlog, gij zult rekenschap afleggen van het vergoten bloed,
zoo waarlijk als er leeft een almachtig en rechtvaardig God in den
hemel....
------
De zon is nu lang ondergegaan.
Het is stil geworden op het slagveld, en vredig blinken de sterren
aan het diep blauw dak des hemels.
Een jong infanterist, zwaar aan het hoofd gewond, heeft zich van het
slagveld voortgesleept, doch is, een verkeerde richting inslaande,
het Engelsche kamp misgeloopen.
Hij is verdwaald.
Door bloedverlies uitgeput, zet hij zich eindelijk neer op een
klipsteen.
Hij lijdt veel lichamelijke pijn, doch een andere pijn schijnt hem
nog harder te kwellen. Smartelijk bewegen zich zijn lippen.
Ook lijdt hij grooten dorst; de tong kleeft aan zijn gehemelte.
Hij steekt de hand uit, om de veldflesch te nemen, maar hij laat de
hand weer moedeloos vallen, want hij herinnert zich, dat hij er uren
geleden reeds den laatsten druppel heeft uitgenomen.
Reikhalzend ziet hij uit naar hulp.
Daar hoort hij het getrappel van paarden, en hij spitst de ooren.
Maar het geluid wordt zwakker en sterft weg in de verte.
Zoo verloopt er een kwartier, doch nu dringt het luid en driftig
gesprek van eenige menschen tot hem door.
Om de aandacht te trekken, roept hij zoo hard hij kan, doch niets
dan een zacht, heesch geluid komt uit zijn keel.
Doch het driftig gesprek, dat hij hoorde, verstomt, en nu hoort hij
niets meer.
De dorst wordt intusschen schier ondragelijk, en een zonderlinge
rilling gaat door zijn leden.
Dat is de opkomende wondkoorts, die hem schudt.
Hij kan zich niet meer overeind houden op den klipsteen, en hij legt
zich lang uit neer op den rotsachtigen grond.
En de dagen van het verleden trekken aan zijn ziel voorbij.
.... Zie, daar stond de lieve, met klimop begroeide dorpswoning,
waar hij zijn kinderjaren had doorgebracht. En dat was de breede
sloot achter het huis, en dat het houten brugje over de sloot. En 's
Woensdags en 's Zaterdagsnamiddags, als er geen school was, ging hij
met zijn kameraadjes op het houten brugje zitten, en zij voerden de
eenden, die er zwommen, met stukjes brood. Of zij namen den
hengelstok en gingen visschen in het beekje, dat midden door het
veld liep, een kwartier van huis af. En wat had zijn moeder, die
zwakke, bleeke moeder, een schik, toen de kleine kerel met
vreugdestralend gelaat met de eerste voorntjes en baarsjes thuis
kwam!
Het waren er vijf; hij weet het nog.
Zoo diep heeft zich die kleine gebeurtenis in zijn geheugen geprent.
Zijn vader was er niet bij; die lag reeds op het kleine kerkhof; bij
het eenvoudige, witte dorpskerkje, dat op den heuvel stond. Hij was
onderwijzer geweest in het dorp, en aan een bloedspuwing gestorven.
En op het kleine kerkhof bij het witte dorpskerkje, daar was hij
begraven. En hij en zijn eenige oudere broeder Eduard hadden, geheel
in 't zwart gekleed, bij het open graf gestaan, en al de kinderen
van de school. En het was een schoone, liefelijke, stille
herfstnamiddag geweest, en de kinderen hadden samen een weemoedig,
godsdienstig lied gezongen, en de torenklok had nog nooit zoo
ernstig en indrukwekkend geluid.
En den volgenden dag had Eduard hem bij de hand genomen, en zij
waren samen stil naar het kerkhof geslopen, en de wind had de
herfstblaren van de treurwilgen geschud, en de herfstblaren hadden
den grafheuvel van hun vader bedekt als een kleed.
Maar hij bleef niet in het dorpje.
Zijn moeder verhuisde naar een groote, drukke stad, opdat haar twee
kinderen zouden kunnen leeren, en hij herinnerde zich nog levendig,
hoe hij den eersten avond schreiend in slaap was gevallen, omdat hij
het zoo benauwd en somber vond op de kleine bovenwoning.
Nu maakte zijn gedachtengang een grooten sprong.
Eduard zou gaan studeeren voor arts, en hij kwam op een
koopmanskantoor.
"Houd God voor oogen!" met deze vermaning had zijn moeder haar
jongsten zoon laten gaan.
Ach, had hij het gedaan!
Thans, vlak voor de poorten des doods, gaan zijn oogen open.
Thans wordt hij wakker uit den zedelijken roes, waarin hij zeven
jaar heeft voortgehold.
Dat doet de dood. De dood maakt hem nuchter. Hij hoort het kloppen
van den dood in de wondkoorts, die zijn aderen doet kloppen.
Wat is zijn leven een aaneenschakeling geweest van zonde, jammer en
ellende, sinds hij moeders woning verliet.
Hij kwam in de verzoeking, en hij kwam er niet meer uit.
Slechte gezelschappen verwoestten hem, en zedelooze gesprekken
voltooiden de zedelijke verwoesting.
Dat kwam niet in ééns, maar allengs, ongemerkt.
Zijn moeder vermoedde het reeds lang, want het oog der liefde ziet
scherp, maar door zijn vriendelijkheid wist hij hare bezwaren weg te
vleien.
Maar op 't laatst gelukte het niet meer.
En toen het niet meer gelukte, hield ook zijn vriendelijkheid op.
Hij kon hare ernstige vermaningen niet meer dulden; hij werd
prikkelbaar en opvliegend.
En ten laatste lachtte hij om den God, Dien zij aanbad en spotte
hij met den Heiland, Dien zij beleed. Doch dat kon op den duur niet
goed gaan, en het ging ook niet goed.
Hij werd stroef en driftig, slordig en onachtzaam. Hij kreeg hooge
woorden met zijn patroon, en ontving zijn ontslag.
Het bracht hem niet tot inkeer; hij verhardde zich. En na eenige
maanden een doelloos leven bij zijn meester gesleten te hebben,
teekende hij als vrijwilliger bij de koloniale troepen.
"Charles, mijn jongen, ik zal voor u blijven bidden," dat was het
laatste woord der diepbedroefde moeder geweest bij het afscheid.
"Ik heb uw gebed niet noodig," dat was _zijn_ laatste woord geweest.
"Ach, mijn moeder!" steunt hij. "Als gij mijn toestand eens kendet!"
Maar zijn moeder is ver weg, in Engeland.
Zij hoort dat steunen niet.
En een stroom van tranen welt uit zijn oogen, en vermengt zich met
het bloed uit de diepe hoofdwond, en zijn bloed en zijn tranen
drenken den harden, Afrikaanschen grond.
Maar de wondkoorts komt harder op, en zijn tanden klapperen.
Het begint hem te schemeren voor zijn oogen -- hij sluit ze.
Hij hoort het kraken en botsen van een zwaren ossenwagen en den
klank van menschenstemmen, doch de geluiden schijnen ver, ver weg te
komen.
En nu hoort hij niets meer -- niets.
Hij heeft het bewustzijn verloren.
"Ik denk, dat hij dood is!" zegt een ruwe stem.
Dat is de stem van een voerman.
"Neen," zegt een andere stem -- dat is de stem van Dirk Kloppers --
"ik geloof het niet."
Hij knoopt den bebloeden wapenrok van den Engelschman open, en voelt
het nauwelijks merkbaar kloppen van het hart.
"Hij is uitgeput door bloedverlies en heeft de wondkoorts Aan het
hoofd heeft hij de wond."
Hij denkt eenige oogenblikken na en vervolgt: "Als we hem hier laten
liggen, dan komt hij om, en dat wil ik niet op mijn geweten hebben.
Misschien kunnen wij met Gods hulp zijn leven nog redden."
"Kom, Jan," zegt hij tot zijn zoon, "wij zullen hem voorzichtig op
den wagen leggen."
"Er is geen plaats meer op den wagen," zegt de voerman.
"Er is wèl plaats op den wagen," zegt de oude Voortrekker met
nadruk.
"Er is ook plaats," roepen een paar gewonde Boeren van uit den
wagen.
"Zie je wel?" zegt Kloppers; "kom, Jan, neem hem mee op!"
Met groote behoedzaamheid wordt nu de bewustelooze opgenomen en in
den wagen neergelegd; op een matras, naast de andere gewonde Boeren.
Nu stut de oude Kloppers het hoofd van den zwaargewonde in zijn
armen, en laaft hem met een teug Kaapschen wijn.
De bewustelooze slaat de oogen even open, maar sluit ze onmiddelijk
weer.
Vervolgens zuivert de trouwe krankenverpleger de hoofdwond met het
water uit een kruik, legt er linnen pluksel op en verbindt ze
zorgvuldig.
"Zie zoo," zegt hij tot den voerman, "span hier nu maar uit van
nacht!"
"Waarom?"
"Omdat het gewonde Roodbaatje het besterft, als ge hem van nacht
vervoert!"
"Dat raakt mij niet," zegt de voerman.
"Mij wel," zegt de oude Kloppers.
"Ik rij door, tot ik een betere plek heb gevonden, om uit te
spannen," zegt de koppige voerman.
"Gij rijdt _niet_ door," zegt Kloppers met een stem, die geen
tegenspraak duldt.
De voerman geeft het werkelijk op en spant de ossen uit.
En nu is het nacht.
En alles gaat ter ruste.
Doch over het slagveld gaat een geheimzinnig ruischen en fluisteren,
alsof de dooden beginnen te spreken....
--------
HOOFDSTUK XXI.
------
Dat de teruggeslagen generaal Colley versterkingen zou krijgen,
wisten de Boeren. Dat die versterkingen reeds in Durban waren
ontscheept, en in ijlmarschen in aantocht waren, wisten zij ook. Te
meer pleit het voor hun moed en doortastendheid, dat zij het stoute
plan ontwierpen, om deze troepen te gemoet te gaan, en op
vijandelijk gebied -- in Natal -- slag te leveren.
De dappere generaal Nikolaas Smit werd met de even moeilijke als
eervolle taak belast, en aan het hoofd van slechts 205 ruiters werd
de tocht op Zaterdag 5 Februari ondernomen.
Het was een moeielijke en gevaarvolle tocht.
Een aanhoudende regen sloeg de Boeren in 't gezicht, en er woei een
sterke, koude wind.
Van behoorlijke wegen was geen sprake. Immers men moest den breeden
heirweg, die door het Engelsche kamp werd beheerscht, vermijden.
Slechts langzaam kon men voortrukken op de voetpaden, die de helling
van het Drakengebergte afliepen, en aan hun randen gaapten
snelvlietende stroomen, dichtbegroeide kloven en steile afgronden.
Bovendien waren deze voetpaden nat en glibberig, en op vele plaatsen
door den aanhoudenden regen verspoeld.
Des nachts bìvouakkeerde men onder den blooten hemel, op den
vochtigen grond, en ruiter en paard hadden het hard te
verantwoorden. Er werd veel, zeer veel geleden, maar er werd gemord
noch geklaagd. Er heerschte eene voortreffelijke geest.
Voorzichtig trok generaal Smit voort in het vijandelijk gebied, doch
toen hij geen troepen ontmoette, liet hij den teugel wenden, en kwam
op Dinsdag 8 Februari met 100 man (de anderen hadden wegens ziekte
of door het bezwijken hunner paarden terug moeten keeren), bij
Schuinshoogte aan, een belangrijk punt, gelegen aan de
Ingogo-rivier, tusschen Colley's kamp en New-Castle, een Natalsch
stadje.
Hier was een geschikte gelegenheid, om de convooien, die van
New-Castle moesten komen, en voor het Engelsche kamp bestemd waren,
op te vangen, maar Colley begreep dit ook, en door zijn spionnen
goed op de hoogte gehouden van de bewegingen, die generaal Smit
uitvoerde, haastte hij zich, om Schuinshoogte te laten bezetten door
een legerafdeeling van 600 man met 4 kanonnen.
Generaal Smit kwam met zijn Boeren te laat, en Colley zeide met
groot zelfvertrouwen: "Laat die afgetobde Boeren nu maar komen, als
ze durven!"
Schuinshoogte is een platte, aan de zijden afhellende heuvel,
beslaat een omtrek van ongeveer 600 schreden, en lag aan de
oostzijde van het wagenpad (of heirweg) van New-Castle naar het
Engelsche kamp. De hoogte is bezet met door de natuur gevormde
ijzerklippen, die er uitzien als kleine, opgeworpen steenen wallen.
De Boeren hadden zich tegenover de Engelsche overmacht met eere
kunnen terugtrekken, maar toen generaal Smit zijn oogen langzaam
langs de gelederen van zijn mannen liet gaan en hen vraagde: "Wat
denk jullie er van?" toen riepen zij in spijt van hun vermoeienis
met eenparige stem: "Wij zullen vechten, tot wij er bij
neervallen_!_"
En de wakkere aanvoerder riep met verheffing van stem: "Dan zullen
wij vechten!"
De Boeren vonden voor hun paarden een geschikte, tegen het
vijandelijk vuur beschutte plaats, en om elf uur in den voormiddag
ontbrandde het gevecht.
De Engelschen streden, steunend op hun voordeelige positie en hun
overmacht, met moed en dapperheid, maar de Boeren steunden op God en
hun goed recht.
Tot op honderd pas afstands naderden de Engelschen met hun vier
kanonnen de Boeren en een Afrikaansche, in Engelsche diensten
staande, vrijwilliger schoot, zelf uitstekend gedekt, drie der
dapperste Boeren dood.
Dit was een droevig begin, en de vijandelijke kogels kletterden als
hagelsteenen tegen de harde klippen, waarachter de Boeren schuilden.
Doch de Boeren versaagden niet.
"Wij zullen vechten, tot wij er bij neervallen!" dat bleef het
parool.
"Waar zit die scherpschutter toch, die drie van onze beste mannen
heeft weggeschoten?" vraagde Teunis de leeuwenjager, terwijl hij
naar een groep Boeren toekwam, die door een soort klipmuur tegen het
zware vuur van den vijand werden beschut.
"Kijk dáár." zeide Lodewijk Jansen, en hij wees met de linkerhand
naar voren. "Die kerel is door twee, achter elkander staande klippen
gedekt, en wij kunnen er niet bijkomen met onze kogels."
"Ik zal hem omtrekken," zeide de leeuwenjager, "en hem van ter zijde
pakken."
"'t Is een gevaarlijk stuk werk," zeiden Lodewijk Jansen en Dirk
Kloppers beiden: "ge moet door den kogelregen heen."
"Wie kan 't beter doen dan ik?" zeide de leeuwenjager eenvoudig. "Ik
heb vrouw noch kind."
Hij wierp zich plat op den buik, en sloop als een panter door het
struikgewas en het lange gras, maar Lodewijk Jansen zeide: "Ik wou,
dat het reeds gebeurd was," en Dirk Kloppers steunde: "Het kan zijn
dood zijn!"
Er verliepen tien, twintig, dertig minuten, en Dirk Kloppers zeide:
"Ik vrees, dat onze dappere Teunis zijn laatsten gang heeft gedaan,"
toen diens grijze baard plotseling zichtbaar werd bij den klipsteen,
waar men den vrijwilliger nog steeds vermoedde.
"Hier heen, mannen!" riep de leeuwenjager met forsche stem. In
weinig sprongen waren de Boeren bij den wakkere.
Aan zijn voeten lag de vrijwilliger, met den doodelijken kogel in
het hoofd.
"Hij heeft zijn volk verraden," zeide de leeuwenjager; "hij heeft
zijn loon ontvangen voor zijn verraad."
Intusschen rolde het Engelsche vuur onophoudelijk tegen de
stellingen der Boeren, en de schildwachten van het Boerenleger aan
het Drakengebergte konden van de bergtoppen duidelijk zien, hoe
telkens twee kanonnen tegelijk werden afgeschoten.
"Daar vechten ze nu!" riepen ze klagend tot de andere
Boerenkrijgers, die zich bij hen voegden, en vol bekommernis en
vrees volgden zij den voortgang van den ongelijken strijd.
Om 3 uur in den middag gaf de kommandant-generaal Piet Joubert
order, dat alle manschappen snel moesten opzadelen, en hij rukte op
tegen het Engelsche kamp.
Maar generaal Colley zeide: "Die Boeren zullen me niet bedotten; zij
zullen niet zoo dol zijn om het kamp te bestormen," en hij wachtte
de komende dingen kalm af.
Colley had goed gegist; het Engelsche kamp bestormen ware
dolzinnigheid geweest. Het lag ook niet in de werkelijke bedoeling
van Joubert, maar hij wilde door een schijnbeweging den generaal
verlokken, om zijn troepen, die op Schuinshoogte vochten, naar het
kamp terug te trekken. Doch Colley's slimheid verijdelde de
krijgslist, en Joubert trok zijn volk terug.
En in een spanning, die inderdaad een foltering werd, staarde hij
naar het slagveld. Op een harden klipsteen, daar zette hij zich
neder, en zoo ver hij het gevecht kon opnemen, werd het vuur der
afgematte en afgebeulde Boeren al zwakker.
Hij wist dat de Engelschen een vierdubbele overmacht hadden; hij
wist, dat de Boeren slechts schaars van ammunitie waren voorzien. En
toch durfde hij die wakkere helden van Schuinhoogte niet bij te
springen, uit vrees, zijn eigen positie te veel te ontblooten.
En zoo zat hij op dien harden klipsteen, en zuchtte. En de
Boerenaanvoerders stonden zwijgend naast hem, en staarden naar het
gevecht, totdat de zon in 't westen onderging.
Maar de strijd scheen zwaarder en bitterder te worden, en de grond
begon den opperbevelhebber onder de voeten te branden.
Hij rees op van den klipsteen en zeide: "Ik kan dat niet langer
aanzien; wij zullen onze broeders helpen!"
Een sterke wacht bezette den Nek, en met 200 ruiters trok Joubert
op, generaal Smit ter hulpe.
Maar de hemel verdonkerde zich; duistere mistwolken legerden zich
over den omtrek, en een losbarstende donderstorm geeselde de flanken
van het Drakengebergte.
Joubert kon niet verder; midden in den tocht, bij den Spitskop,
bleef hij steken.
Het was een vreeselijke nacht. De wind gierde; de regen viel in
stroomen. De taaie paarden stonden, met den kop van den wind
gekeerd, met neergebogen nek, en de Boeren stonden er naast, den
paardenteugel om den arm geslagen, huiverend van de koude.
Maar vreeselijker dan dit alles was de pijnigende gedachte: "Hoe is
het te Schuinshoogte afgeloopen?"
Hoe was het te Schuinshoogte afgeloopen?
"De Negenponders," zegt een Engelsch rapport, "schoten op het front
der Boeren. Om de nabijheid van den vijand te toonen, is het alleen
noodig, te melden, dat, onafhankelijk van de bommen, tot schroot de
toevlucht werd genomen, en hoe gevaarlijk die nabijheid der Boeren
was, blijkt uit het feit, dat de Boeren onze kanonniers met
merkwaardige juistheid wegschoten. Onze kapitein Green viel, terwijl
hij orders gaf, en vóór dat er eenige minuten verliepen, waren er 14
van de 25 man bij de kanonnen gedood of gewond. Toen werden orders
gegeven, om met de kanonnen terug te gaan, die een eind achter hun
vorige positie werden geplaatst. Het vuren werd met groote hevigheid
voortgezet. Geen enkele plek op het vlak van de hoogte kon beschouwd
worden als voldoende beschut, om veiligheid te verschaffen. De
kogels vlogen in elke richting, veroorzakende een groot verlies van
paarden en manschappen; zelfs de gekwetsten ondergingen hetzelfde
lot. Verscheidene hunner zijn gedood, vóórdat hun eerste wonden
konden worden verbonden. De Boeren gedroegen zich met
prijzenswaardige dapperheid."
Voet voor voet, van klip tot klip rukten de Boeren langzaam,
langzaam voorwaarts. De oprakende ammunitie werd telkens bij de
veroverde klippen uit de patroontasschen der gesneuvelde Engelschen
aangevuld, en de kanonniers hadden het bij de stukken hard te
verantwoorden.
De Engelschen streden met een dapperheid, hun oude wapenroem
waardig, maar de Boeren hadden de gelofte gedaan, niet te zullen
wijken. Zij schoten met een nauwkeurigheid, die de Engelschen met
schrik vervulde, en zij streden met den heldenmoed der oude
Spartanen. Tegen den avond waren zij vóóruitgedrongen tot een
klipstapel, midden op Schuinshoogte, maar de duisternis kwam en
scheidde de strijdenden. Doch de Boeren konden zich bijna niet meer
op de been houden; zij waren dood op. Daarbij moesten zij in 't open
veld overnachten, in den kouden, zwaren regen, en zij werden gekweld
door den honger.
Terwijl zij het allernoodzakelijkste moesten ontberen, brachten zij
met hun dooden en gewonden een onbeschrijfelijken nacht door, doch
met het onwrikbaar plan, om den kamp ook den volgenden dag voort te
zetten. Maar zoover zou het niet komen.
Vriendelijk ging de zon op over Schuinshoogte, en met verwondering
zagen de Boeren een witte vlag naderen.
Doch zij begonnen de beteekenis van zoo'n witte vlag allengs te
begrijpen. Zij hadden haar op het Gouvernementskantoor te
Potchefstroom, te Bronkhorstspruit en te Lang-Nek reeds gezien.
De witte vlag werd vergezeld door drie Engelschen: een dokter, een
officier en een huzaar.
De officier wendde zich tot generaal Smit en vraagde hem verlof, om
de dooden te mogen begraven en de gewonden weg te voeren.
Nu eerst begrepen de Boeren het ten volle.
De Engelschen hadden den vorigen avond het slagveld geruimd, hadden,
door een onweerstaanbare paniek aangegrepen, hun dooden en gewonden
onbarmhartig in den steek gelaten, en waren, door de duisternis
begunstigd, over de Ingogo-rivier gevlucht.
Een handvol afgematte Boeren had vijf compagnieën infanterie en een
afdeeling huzaren uit een goed gedekte stelling verjaagd en op de
vlucht gedreven!
Inderdaad, zulke feiten gaven de Engelschen reden tot nadenken!
Nadat generaal Smit toestemming had gegeven, naderden eenige
honderden Engelsche soldaten met de noodige wapens, en de gewonden
en de stervenden, die hulpeloos waren achtergelaten, werden achter
de klippen, in het gras, tusschen de struiken opgezocht, en op de
verbandplaats, bij de wagens neergelegd.
De dokter met zijn adsistenten begonnen nu het werk.
Zij stroopten de mouwen op, wieschen de wonden der ongelukkigen,
sneden met vlijmscherpe messen de kogels uit het vleesch, en zetten,
waar het noodzakelijk was, armen en beenen af.
Alles gebeurde ruw en snel; toch werd het avond, alvorens men gereed
was. De verbandplaats leek een slachtplaats, en de Schuinshoogte
weergalmde van de luide jammerkreten der ongelukkigen.
De soldaten dolven intusschen diepe, wijde kuilen, en daarin
stapelde men, in lagen van 12 lijken telkens, de Engelschen op
elkaar, die door het Boerenlood waren geveld. Doch de kuilen waren
niet diep genoeg, en men stapelde de lijken tot boven de wanden der
graven uit. Toen werden de kuilen armoedig met aarde toegedekt, maar
later spoelde die aarde door de menigvuldige regens op verscheidene
plaatsen weg, en voeten, hoofden en handen kwamen omhoog als de
afgrijselijke gedenkteekenen van Engelsche politiek. En de aasvogels
streken neer, en vonden een rijken maaltijd....
Onder de gesneuvelden waren zes der dapperste officieren, terwijl
een zevende, die zich bij het gevecht op Schuinshoogte bijzonder had
onderscheiden, bij den nachtelijken overtocht over de hooggezwollen
Ingogo-rivier zijn graf in de golven vond.
Ook een Hollander, met name Stuart, die als tolk dienst deed in het
leger van Colley, werd dood op het slagveld gevonden.
De Engelschen hadden een verlies van 232 man, de Boeren een verlies
van 22 man aan dooden en gewonden.
En ofschoon over meer dan één door den kruitdamp zwart geblaakt
gelaat een traan van droefheid biggelde bij het lijk van een
broeder, van een vader of van een kind, in het hart der Boeren begon
al vaster de overtuiging te wortelen, dat de Heere met hen was, en
zij dankten Hem met ontroerde harten voor de schitterende
overwinning.
Terwijl de Engelschen hun dooden begroeven en hun gewonden
wegbrachten, wandelden de overwinnaars het slagveld rond. Welk een
aanblik! Patroonhulsen, vleeschblikken, witte helmen, sabels,
geweren, losse patronen, het lag alles in de bontste wanorde
verspreid, en terwijl het gras overal door de voetstappen en
paardehoeven was plat getreden, lagen de doode paarden tusschen de
opgedroogde plassen menschenbloed.
Maar de Boeren zochten de ammunitie en de wapens zorgvuldig op, en
vulden hun bandelieren met de Engelsche patronen. En de
kommandant-generaal Joubert, die met zijn hulptroepen was
aangekomen, plaatste zich op een stapel klipsteenen en zeide:
"Dierbare Broeders! Als ik het slagveld hier overzie, en het dappere
werk, dat gij hebt verricht, dan merk ik toch op, dat gij er heel
gelukkig zijt afgekomen, want de Heere heeft u wonderbaarlijk gered.
Houd dus moed, mannen, en blijft strijden voor uw heilig recht. God
zal ons helpen, zooals Hij tot hiertoe ons geholpen heeft. Maar
vergeet volstrekt niet, om den Heere te danken voor Zijne groote
weldaden, aan ons bewezen. Verder, mijne waarde landgenooten en
broeders, kan ik niet anders dan u danken voor uwe standvastigheid
en uwen mannenmoed in den strijd. Ik verzeker u, broeders, dat ik
mij over mijn eigen menschelijke zwakheid meer dan eens heb
geschaamd tegenover u, als ik u zoo standvastig zie strijden in al
die groote moeilijkheden. Broeders, ik vertrouw op u, en van mijn
kant kunt gij verzekerd zijn, dat ik zal blijven trachten, uwe
rechtvaardige zaak te behartigen zoo goed als in mijn vermogen is!"
Zóó doortintelde hetzelfde gevoel den opperbevelhebber en den
geringsten burger: het gevoel voor de vrijheid. En dit gevoel gordde
hen aan, om, man voor man, het eigen leven te wagen in den strijd
voor vrijheid en recht!
De tweedracht, die de kracht der Boeren zoo dikwijls had verlamd,
was verdwenen als een morgennevel, en zij waren nu, onder den donder
van het Engelsche geschut, waarlijk geworden een volk van broeders!
Des avonds betrokken de Boeren, die nu tot een legertje van 500
ruiters waren aangegroeid, aan de zuidzijde van Schuinshoogte een
lager.
In een wijden kring werden de vijfhonderd zadels naast elkander
geplaatst, en in dien kring, aan ieder zadel vastgebonden, diens
paard. De Boeren legden zich nu aan den buitenkant van den cirkel,
met hun zadel tot hoofdkussen.
Dàt was het lager. Het was even praktisch als eenvoudig, en de
paarden stonden zoo veilig als op stal.
Den volgenden dag keerde Joubert met honderd man terug naar het oude
lager bij den Lang-Nek, doch de wakkere Nicolaas Smit trok met zijn
Boeren dieper Natal in, om de passen van het Biggarsgebergte te
bezetten. Met buitengewone hartelijkheid werden de Boeren door de
Hollandsche Afrikaanders, die in Natal wonen, ontvangen, en men
drong twintig uren gaans het Engelsche gebied in. Doch generaal
Wood, die met groote versterkingen in aantocht was, trok om het
Boerenkommando heen, en generaal Smit kreeg geen kans, om den vijand
aan te tasten.
Toen liet hij zwenken, onderschepte een convooi van 22 ossenwagens,
beladen met proviand en bestemd voor het kamp van generaal Colley,
en verraste een groote kudde van 300 slachtbeesten en 109 paarden en
muildieren, aan het Engelsche leger toebehoorend.
Met dezen buit werd de terugtocht aangenomen, en wat niet meegenomen
kon worden, verbrand of vernield.
--------
HOOFDSTUK XXII.
------
Wij moeten naar Pretoria, de zetelplaats van het Engelsche
gouvernement. Hier lag generaal Lanyon, die de stad in zijn macht
had, en buiten de stad lagen Boeren, onder het bevel van generaal
Schoeman.
Dat de Boeren Pretoria niet machtig konden worden, spreekt van zelf,
en dat zij generaal Lanyon hebben in toom gehouden, was reeds een
groote, verdienstelijke daad.
Lanyon, voerde een groot en hoog woord, zooals de Engelschen dat
gewoon zijn, maar de Boeren stoorden zich daar minder aan, en
klepperden lustig op hun taaie, sterke paardjes om de vijandelijke
stellingen heen. Dat begon de Engelschen al heel gauw te vervelen,
en den 28sten December vielen zij met vijftig vrijwilligers een
Boerenpatrouile aan.
"Goed," zeiden de Boeren, "zij _willen_ vechten; nu _zullen_ wij
vechten."
Zij dekten zich achter een heuvelrand en schoten drie Engelschen
dood.
Toen gingen de vrijwilligers op den loop, en vertelden in Pretoria,
dat zij door een groote, vijandelijke overmacht, waar zij niet tegen
op konden, waren aangevallen.
Nu bestond de geheele Boerenpatrouille uit _zeven_ man, die met vijf
veroverde paarden en in de vroolijkste stemming naar hun lager
terugreden.
Maar de dappere vrijwilligers lieten het er niet bijzitten.
Zij kregen hulp en rukten nu met honderd man in het veld.
Doch ook dezen keer konden zij niet tegen de Boeren op, en zij
keerden met hun dooden en gewonden in de stad terug.
Lanyon keek hen verwonderd aan, maar de dappere vrijwilligers
zeiden: "Generaal, hier is alle heldenmoed te vergeefsch, want de
overmacht is verpletterend."
Nu bestond de macht der Boeren, de aanvoerder mee geteld, uit --
_vijftien_ man.
In 't Oosten van Pretoria stond Hans Botha op wacht. Deze wacht
bestond uit 36 man en 5 ossenwagens, en den 6den Januari werd dit
troepje aangevallen door 550 Engelsche soldaten en 2 kanonnen.
Tegenover deze vreeselijke overmacht kon Botha slechts 18 man
stellen, want de andere 18 man moesten bij de wagens blijven. Toch
week onze held geen stap, maar nam den strijd manmoedig op. Hij
vocht tot hij niet meer kon, en met vier kogels in het lichaam,
drenkte hij met zijn heldenbloed den Afrikaanschen grond.
Zwaar gewond viel hij met zijn dapperen in de handen van den vijand,
maar tegen aller verwachting herstelde hij, en werd later
uitgewisseld en in vrijheid gesteld.
H. Pretorius, die zich ten zuidwesten der stad met zijn manschappen
in lager bevond, werd in den avond van den 15den Januari
gewaarschuwd, dat er den volgenden morgen een uitval kon worden
verwacht.
"Goed," zeide de aanvoerder, "wij zullen de Roodbaatjes ontvangen,"
en 's morgens drie uur liet hij opzadelen, en trok met zijn ruiters
den vijand tegemoet. Toen de zon opging, hoorde men den donder van
het kanon, en de Boerenpatrouilles, die snel van de heuvelen
neerdaalden, riepen: "Daar komen drie troepen beesten uit de stad
hard aanhollen." Maar Pretorius schudde het hoofd, want hij begreep,
dat het geen beesten waren.
Een poosje later kwamen andere patrouilles en rapporteerden: "Het
zijn paarden en wagens."
"Dat begint er beter op te gelijken," zeide Pretorius.
Intusschen was de vijand snel genaderd, en op veertig minuten
afstands van het Boerenkommando stelde hij zijn slagorde op; de
Hottentotten op den rechtervleugel, de vrijwilligers op den
linkervleugel, en de soldaten met de veldstukken in het centrum.
Om acht uur 's morgens gaven de Boeren het eerste schot, en de
Hottentotten begonnen storm te loopen tegen de heuvelen, waarin zich
de Boeren hadden vastgezet. Onmiddelijk begonnen de kanonnen met
bommen te werpen, en met verbittering trokken de Engelschen
voorwaarts. Het gevecht nam dadelijk een ernstige wending, want geen
tien minuten na het eerste schot werd de wakkere Pretorius door twee
kogels tegelijk in den schouder getroffen. Met bekommernis in het
hart staarden de vechtende Boeren hun aanvoerder aan, maar hij
vermande zich, en om hun moed te sterken, riep hij met luider stem,
terwijl zijn bloed den bandelier rood kleurde: "Komt jongens, 't is
maar een veeg van het vel, en als het God behaagt, zal dit bloed
gewroken worden. Ik zal hier op het gevechtsterrein blijven, en zal
u trouw blijven tot den dood." Toen schepte het kleine hoopke Boeren
moed, en zij streden als leeuwen.
Maar de Hottentotten drongen al meer op, en als klipbokken over de
rotsen springend, naderden zij de Boeren tot op 60 pas.
De Engelsche bevelhebber achtte thans het oogenblik gekomen, om het
Boerenkamp te nemen, en van twee zijden liet hij het bestormen.
Nu begon de nood inderdaad hoog te klimmen. Wel wisten de Boeren
den vijand door een woedend vuur op een afstand van 400 pas te
houden, doch hoe lang zou dat nog kunnen duren?
De ammunitie raakte op en al heftiger drongen de Engelsche soldaten
op.
Uitgeput van bloedverlies, zette Pretorius zich neder op een
klipsteen.
Met strakken blik staarde hij op het gevecht, en de harten van zijn
wakkere krijgers begonnen te versagen.
Doch plotseling werd het licht in zijn matte oogen. Zij begonnen te
schitteren in nieuwe hoop.
In de verte werden kleine rookwolkjes zichtbaar, die snel naderden.
De breede randen van boerenhoeden werden zichtbaar over de heuvelen.
Het waren manschappen, door generaal Schoeman, die den benarden
toestand onzer Boeren had begrepen, gezonden.
Onmiddelijk gaf nu de gewonde kommandant order, om te stormen, en
met een luid hoera werd het bevel ontvangen.
Nu konden de Hottentotten het niet langer houden, en de Engelschen
en de vrijwilligers evenmin. De vrijwilligers liepen het hardst, en
de vijand werd tot op 50 minuten afstands van de stad vervolgd, toen
de artillerie van het fort het gevecht opnam, en de Boeren in hun
loop stuitte.
Met blijde harten keerden de dappere mannen naar hun kamp terug, den
God der heirscharen luide dankende voor de zegepraal.
--------
HOOFDSTUK XXIII.
------
Wij zijn op den terugtocht van het kommando onder generaal Smit.
Het is nacht.
Helder schijnt de maansikkel aan den onbewolkten hemel. De Boeren
liggen in groepen, de paardezadels tot hoofdkussens, te slapen aan
de windvrije zijde van een met struikgewas begroeide heuvelketen.
Op bepaalde afstanden zijn de schildwachten uitgezet.
Uit het struikgewas, op den heuvel, treedt thans een man te
voorschijn.
Behoedzaam klimt hij den heuvel af.
Daar stoot zijn voet tegen een kleinen klipsteen, die naar beneden
rolt.
Onbewegelijk blijft hij staan, zich vasthoudend aan de graszoden en
zich in de schaduw houdend.
De kleine klipsteen is naar beneden gerold en bleef daar liggen. Het
blijft rustig in het kamp.
Nu heeft hij den vlakken grond bereikt.
Hij legt zich op den grond en beweegt zich op handen en voeten
voorwaarts.
Thans is hij midden in het slapende kamp.
Hij buigt zich telkens voorover, als een panter, om de
gelaatstrekken der slapenden te onderscheiden.
Bij het licht der maan zijn de trekken goed te onderscheiden.
Hij gaat al voort, van groep tot groep. Niet één groep slaat hij
over.
Hij sluipt langzaam en voorzichtig voorwaarts; voorzichtig als een
sluipmoordenaar.
Inderdaad, er ligt iets angstwekkends in zijn doen.
Daar slaat hij de hand op een voet.
De slaper trekt den voet terug, doet de slaapdronken oogen open en
mompelt -- "Karel wat moet je?"
Karel is zijn kameraad, die naast hem ligt.
Maar Karel slaapt.
"Hij heeft mij zeker in den droom met zijn groote laarzen
gestooten," zegt de slaapdronken man.
Had hij even in het rond gekeken, dan had hij den nachtwandelaar
kunnen zien, dicht aan zijn voeten, plat tegen den grond.
Maar dan nog zou hij geen onraad hebben vermoed, want de onbekende
was gekleed als een gewone Afrikaansche Boer, en hij zou hem voor
een van zijn slapende kameraden hebben gehouden.
Doch hij kijkt niet eens in het rond. De Boeren hebben den
gepasseerden dag een langen, vermoeienden tocht gemaakt en hebben
behoefte aan slaap. Onze Boer strekt zich lang uit, en is
onmiddellijk weer in diepen slaap.
De nachtwandelaar moet lang zoeken vóór hij het doel van zijn tocht
heeft bereikt.
Maar thans schijnt hij dat doel bereikt te hebben.
Bij een kleine groep Boeren houdt hij stil.
De eerste van die slapende groep, die is het al.
Het is Dirk Kloppers.
Er liggen nog een drietal personen dicht in zijn nabijheid: zijn
zoon Jan, zijn zwager Lodewijk Jansen en de leeuwenjager.
Maar die moeten het niet zijn.
Dirk Kloppers, die moet het zijn.
De onbekende luikt half zijn oogen en staart op den grijzen
voortrekker.
De slaper heeft den rechterarm onder het hoofd geschoven; diep en
regelmatig gaat zijn ademhaling.
"Hij is taai," mompelt de bespieder -- "_taai._"
Aan de rechterzijde van den ouden Kloppers ligt diens geweer en
bandelier.
De onbekende neemt eerst het geweer.
"Een Henri-Martini," zegt hij met het oog van een kenner; "ik ken het
wel."
Hij haalt den scherpen patroon uit het slot, en schuift er een losse
patroon voor in de plaats. Dan legt hij het weer op de oude plaats.
Ondertusschen beweegt zich het krachtige lichaam van den ouden man.
De onbekende haalt een breeden dolk uit de leederen schede.
Met een ruk werpt de Voortrekker zich op de andere zijde,
Geen tien seconden later wordt weer zijn diepe, regelmatige
ademhaling gehoord.
De bespieder steekt den dolk weer in de schede.
"'t Is beter zóó," mompelt hij.
Nu neemt hij den bandelier en onderzoekt hem nauwkeurig.
"'t Is de zijne," mompelt hij zacht: "daar is het kleine
brandvlekje, dat Arie verleden jaar er aan heeft gemaakt met een
brandend vuurhoutje." 1)
Hij schuift er de scherpe patronen uit en steekt ze in zijn zak.
Hij heeft er twintig geteld.
Of één en twintig?
Hij twijfelt en telt ze nog eens.
Het waren er toch maar twintig.
Hij vult den bandelier weer met twintig losse patronen.
Nu heeft hij zijn taak volbracht en verwijdert zich langzaam. Maar
hij keert nog eens terug en staart nogmaals met half geloken oogen
naar den rustig slapenden Voortrekker.
Uit die oogen flikkert een volheid van haat.
En nu gaat hij heen voor goed, houdt zich zooveel mogelijk in de
schaduw en beklimt den heuvel.
Nu staat hij in het volle licht der maan.
Gij herkent hem.
Het is Kees Botter.
Het was een droeve, sombere dag, die op den milden zomernacht
volgde. De mistwolken trokken laag door de lucht, en er viel een
fijne regen.
Het Boerenkommando trok zwijgend voort en hoopte nog van daag te
Lang-Nek, in het lager van Joubert, aan te komen.
In de achterhoede bevond zich het gezelschap van Dirk Kloppers. Op
een matigen draf avanceerden zij, en de paarden lieten de moede
koppen treurig hangen.
"We worden oud," zeide de leeuwenjager tot zijn twee oude
wapenbroeders.
"En hoe ouder wij worden, hoe sneller de jaren voorbij schijnen te
gaan," meende Jansen.
"En het beste er van is moeite en verdriet," voegde de oude Kloppers
er aan toe.
De leeuwenjager staarde naar de verte.
"Dat is lang geleden, dat wij tegen de Matabele-Kaffers hebben
gevochten in den Oranje-Vrijstaat," zeide hij.
"'t Was een vreeselijke dag," zeide Jansen, die aan zijn broeder
dacht, die toen sneuvelde, maar Kloppers zeide: "God heeft ons toen
wonderbaarlijk uitgered!"
Nu begon de leeuwenjager over de Zoeloe-oorlogen te spreken, over
den vroegeren oorlog met de Engelschen en den lateren burgeroorlog
tusschen de Boeren onderling.
"Ik weet eigenlijk van daag nog niet," zeide Jansen, "waarom wij
elkander toen bevochten hebben."
"Gelukkig is er niet veel bloed gestroomd," zeide Kloppers.
"Dat heeft oom Paul gekeerd," meende Jansen, en de beide anderen
bevestigden het.
Er volgde eene pauze; Jan reed op zijn moorkop een klein eind voor
de anderen heen.
De leeuwenjager begon op nieuw van het verleden.
Hij was heden morgen spraakzaam, buitengewoon spraakzaam, en er lag
een weemoedige klank in zijn stem.
Hij scheen er bijzonder vermaak in te scheppen, om de beelden van
het verleden, een voor een, nog eens voor zijn geest en voor dien
van zijn twee vrienden voorbij te laten gaan.
"Wat is de mensch?" riep hij eindelijk uit. "Hij wordt geboren,
worstelt en sterft!"
"Hij begint zijn leven met een kreet," zeide Kloppers, "en hij
eindigt het met een snik."
"En wat daartusschen ligt, is een droom," zuchtte de leeuwenjager.
Kloppers keek zijn vriend aan; hij had hem zoo nog nooit hooren
spreken.
"Wij gaan naar ons eeuwig huis, Teunis," zeide Kloppers.
De leeuwenjager knikte ernstig.
"En elke dag kan onze laatste zijn," voegde Kloppers er aan toe.
"Van daag is het _mijn_ laatste dag," zeide de leeuwenjager op
bedaarden toon, maar zoowel Kloppers als Jansen hielden den teugel
van hun paarden in, en keken den spreker aan met verbaasden blik.
"Ge verwondert je over mijn gezegde?" zeide de leeuwenjager; "toch
is het zoo."
Lodewijk Jansen schudde den stevigen kop.
"Slechts eens in mijn leven," zeide hij, "heb ik een man ontmoet, die
precies sprak als neef Teunis. Hij legde zich te bed en beweerde dat
hij niet meer op zou staan. Hij nam afscheid en sloot de oogen. Maar
den volgenden morgen -- vooruit, zwarte! -- den volgenden morgen
stond hij in blakende gezondheid op. En dat was al heel verstandig
-- vooruit dan zwarte! -- want hij heeft nog vijf en twintig jaar
geleefd."
Kloppers lachte bij dit verhaal, en de leeuwenjager lachte hartelijk
mede.
"Bovendien," zeide Jansen, "niemand weet den dag zijns doods."
"Ik bij voorbeeld, kan eerder sterven dan gij," zeide Kloppers; "we
weten het niet. Het is, zooals mijn zwager zegt."
"Er kunnen uitzonderingen plaats vinden," meende de leeuwenjager.
"Hoe weet je dan," vorschte Kloppers, "dat jij van daag zult
sterven?"
"Het ligt mij zoo bij," antwoordde de aangesprokene; "het is een
voorgevoel."
"Gij zijt toch niet ziek?" vraagde Kloppers, en hij keek zijn
wapenbroeder aan met bezorgden blik.
"Zie ik er uit als een zieke?" was de wedervraag van den
leeuwenjager.
Neen, hij zag er niet ziek uit. Er zat veerkracht in dat verweerd
gelaat.
"Het is toch niet waarschijnlijk, dat wij van daag op de Engelsche
troepen zullen stooten," meende Jansen.
"Het behoeft ook geen kogel te zijn, die mijn levensdraad afsnijdt,"
zeide de leeuwenjager.
"Ik had nog zoo gaarne voor 't laatst van daag de zon gezien," ging
hij voort, en hij staarde weemoedig omhoog, in de dichte, grijze
mistwolken.
Kloppers noch Jansen wisten, wat zij daarop antwoorden zouden.
Zij vonden de houding van den leeuwenjager raadselachtig; zij
begrepen hem niet. Deze hartstochtelijke, krachtige, schijnbaar
harde man was nu zacht als een kind.
"Ik heb altijd van de zon gehouden," begon de jager op nieuw; "ik
had ze zoo gaarne nog eens gezien!"
"Als zon en maan geen schijnsel meer zullen geven," zeide Kloppers,
dan zal de zonne der gerechtigheid nog stralen in onverdoofbaren
glans."
"Ja," zeide de leeuwenjager ernstig, en zwijgend zette men den tocht
voort. Zijn voorgevoel drukte de anderen neer.
De fijne regen hield aan; zacht druppelde het water van de bladeren
der boomen naar beneden, en niets dan een aasvogel verbrak de
eentonige stilte door zijn schorren schreeuw. De paarden lieten de
moede koppen hangen, en het getrappel der hoeven smoorde in den
weeken, papperigen grond.
Juist zouden onze ruiters den weg links inslaan, die zich kronkelde
tusschen twee bergen, toen een blanke in snellen draf van rechts
kwam aanloopen.
Hij droeg de kleeding van een gewonen boer, zwaaide met zijn armen
en riep: "Is baas Kloppers daar?"
De Boeren hielden den teugel van hun paarden in, en wachtten hem op.
Maar Jan was reeds den weg links ingeslagen en uit het gezicht.
"Wat moet je?" vraagde Kloppers.
"Ik moet u spreken, baas!"
"Waarover?"
De vreemdeling was nu dicht bij gekomen en zeide, de hand aan den
stijgbeugel slaande: "Kees Botter ligt op sterven."
"Kees Botter?" riep Kloppers met verwondering en bevreemding.
"Ja, baas," zeide de vreemdeling; "hij heeft te Schuinshoogte een
schot door de longen gekregen en zal 't niet lang meer maken."
Het opkomend wantrouwen bij Kloppers werd door deze opmerking
gestild; immers hij had den verrader zelf herkend onder de vijanden
op Schuinshoogte.
"En wat zal dat?" vraagde hij.
"Hij heeft mij de boodschap opgedragen," antwoordde de vreemdeling,
"u te verzoeken, hem thans, vóór zijn dood, tusschen vier oogen te
spreken."
"Waarvoor?" vraagde Kloppers, terwijl het wantrouwen op nieuw bij
hem boven kwam.
"Hij wil u om vergiffenis smeeken van wege zijn verraad," zeide de
vreemdeling, maar Jansen riep met harde stem: "Laat hij _God_ om
vergeving vragen!"
"En dan wil hij," ging de vreemdeling voort, "om zijn verraad
zooveel mogelijk goed te maken, aan baas Kloppers belangrijke
mededeelingen doen omtrent de Engelsche posities."
"Waar is hij?" vraagde Kloppers.
De vreemdeling wees met de hand in de richting, van waar hij gekomen
was.
"Ginds," zeide hij, "achter dat kreupelbosch ligt hij in een hut.
Wij hebben hem daar heen gedragen na het ongeval te Schuinshoogte."
Dit klonk alles waarschijnlijk; immers Schuinshoogte was nu niet ver
meer af.
"Maar waarom liet de Engelsche spion zich niet door den Engelschen
dokter verbinden?" vorschte de wantrouwende Jansen.
"Omdat de Engelsche uniformen hem herinnerden aan zijn verraad, en
hij kon dat niet uitstaan bij zijn naderend einde."
"En hoe ben jij in zijn dienst gekomen?" vraagde Kloppers.
"Dat is al heel natuurlijk," antwoordde de vreemdeling. "Hij had
geld in overvloed en betaalt mij ruim."
"Hoever is het hier van daan, waar je baas ligt?" vraagde Kloppers.
"Een half uur," antwoordde de aangesprokene.
De grijze Voortrekker dacht nog een oogenblik na; toen zeide hij:
"Ik ga mee."
"Daar ben ik blijde om," zeide de vreemdeling verheugd, "want het
zal gauw met Kees Botter zijn afgeloopen."
"We zullen hier wachten," zeide de leeuwenjager.
"Of ge kunt doorrijden," zeide de vreemdeling, "en hier een paar
mijlen van daan aan de spruit baas Kloppers opwachten. Ik zal hem
daar brengen; hij snijdt dezen hoek dan af."
Hij beschreef met de hand de richting, en zijn voorstel werd
aangenomen.
De leeuwenjager en Jansen sloegen links, en Kloppers met zijn gids
wendden rechts.
Zij hebben spoedig het kreupelbosch bereikt.
"Moeten we daar door?" vraagt Kloppers.
"Ja," zegt de gids; "het pad wijst ons den weg."
De natte takken slaan beiden in het gezicht, maar de regen heeft
opgehouden. De mistwolken trekken op.
"Ik verwacht van daag nog mooi weer," zegt de gids.
"Ik ook," zegt Kloppers.
Hij haalt den tabaksbuil uit den zak en stopt zijn pijp.
Zwijgend gaan zij verder.
Oogenschijnlijk is ieder in zijn eigen gedachten verdiept. Baas
Kloppers denkt aan den stervenden verrader.
Daar treden, vijftig pas vóór hen, een viertal Kaffers uit het
kreupelhout en nemen het pad in.
Zij blijven er staan.
Kloppers ziet het, maar hij neemt er verder geen notitie van.
Nu is hij met den gids de groep genaderd.
"Op zij, Kaffers!" roept hij, maar zij gaan niet op zij.
Zij versperren het pad.
"Op zij!" roept hij nog eens, "of ik rijd jullie onder den voet."
"Rij op!" zegt de grootste van de Kaffers op brutalen toon, "rij
op!"
Nu begrijpt Kloppers, dat het meenens wordt.
Hij rukt het geweer van den schouder en legt aan.
"Op zij," roept hij, "of ik schiet."
"Schiet op!" zegt de brutale Kaffer.
Nog nooit heeft de oude Voortrekker zoo'n weerbarstigheid ontmoet.
Hij kijkt naar zijn gids, want een schrikkelijk vermoeden rijst op
in zijn geest -- de gids staat achter hem, met _nog_ een viertal
Kaffers.
"Verraad!" roept hij, terwijl hij verbleekt.
Hij geeft vuur -- voor den eersten keer mist hij zijn doel.
Hij neemt een nieuwe patroon uit den bandelier. -- "Verraad!" roept
hij nog eens.
Met een vreeselijken ruk werpt hij zijn klepper om, maar acht,
twintig handen strekken zich naar hem uit, sleuren hem van het paard
en binden hem.
Hier is geen weerstand mogelijk; de overrompeling is volkomen.
"Dat is _jou_ werk, Kees Botter," knarst de Voortrekker tusschen
zijn tanden.
"Goed geraden," zegt Kees Botter, die thans te voorschijn komt.
"Bind hem de handen op den rug," kommandeert hij -- "_stevig!_"
Onderwijl echter is het onbeheerde, schichtig geworden paard op den
hol gegaan en rent het pad terug.
"We zullen het doodschieten," zegt de voorzichtige Botter, "anders
kan 't ons verraden."
Hij jaagt het weghollend dier twee kogels in het lichaam, en het
stort stervend neer, midden in het pad.
Nu wordt de geboeide verder het kreupelbosch door gebracht, tot men
een open terrein bereikt, een platten heuvel met een soort hut of
houten schuur er boven op.
Deze hut heeft van voren en van achteren een deur, en op zij van
weerskanten een klein venster.
Van voren is de hut gemakkelijk te bereiken, doch aan den achterkant
gaapt een diepe kloof.
Men gaat de voordeur in, en Botter schuift er de twee grendels voor.
De geheele ruimte der hut bestaat uit slechts één vertrek, met een
duffe, benauwde lucht.
Er brandt een vuurtje aan den haard, en er staan een paar vermolmde
stoelen in den omtrek.
Het ziet er hier verschrikkelijk verwaarloosd uit.
De grijze Voortrekker zet zich op een stoel.
"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter, terwijl hij zich de handen
wrijft.
De oude Kloppers is in een vreeselijken toestand, en hij staart
zwijgend door het kleine venstertje naar buiten.
Maar al zou hij zich door een knieval uit dezen vreeselijken
toestand hebben kunnen redden, dan zou hij dit toch _niet_ hebben
gedaan, want in dit karakter zit de onwrikbaarheid van Cromwell's
rondkoppen.
En al _had_ hij het gedaan, dan zou het hem _toch_ niet hebben
geholpen.
"Wat zeg je daar nou van?" vraagt Botter nog eens.
"Je begint aan te leeren," antwoordt Kloppers; "je baas zal bepaald
plezier van je krijgen."
"Mijn baas -- ik _heb_ geen baas," zegt Botter met een hoonlach.
"Ja toch, gij hebt wel een baas," zegt Kloppers; "de duivel is je
baas. Kijk maar even om, verrader; hij staat juist achter je en
grinnikt van plezier."
"De vent is gek geworden," schaterlacht Botter; "stapelgek van
angst."
De Kaffers, die staande of gehurkt zich in de hut bevinden, lachen
mede, en het gelach klinkt akelig door de holle ruimte.
De blanke gids en de reusachtige Kaffer begeven zich intusschen door
de ongegrendelde achterdeur naar buiten.
De regen heeft nu opgehouden. Zij zetten zich bij de achterdeur
neder, en hun beenen hangen over den rand der diepe kloof.
Kees Botter wandelt op en neer, en hij kijkt zijn slachtoffer aan
met een volheid van haat. Even als gepasseerden nacht. Doch toen had
hij de oogen half geloken, en nu zijn ze wijd, wijd open.
"Nu ben je in _mijn_ hand, begrijp je dat?" zegt hij.
Hij heeft zoo ongeveer het gevoel van den tijger, die speelt met
zijn prooi.
Maar zelfs in dit vreeselijk oogenblik laat de ijzeren Voortrekker
nog niet met zich spelen.
"Ik ben in _Gods_ hand," zegt hij met waardigheid, "en zonder Zijn
wil zal mij geen haar worden gekrenkt."
"En waar was jou God gisteren nacht," roept de verrader, "toen ik
jou scherpe patronen nam, en er de losse voor in de plaats deed? En
waar was jou God, toen we je overrompelden? En waar is _thans_, op
_dit_ oogenblik jou God?" roept hij met een vreeselijken vloek.
Zijn stem is schor van hartstocht, en wat er uit die oogen flikkert,
het is de geest van den Satan.
"Ge bent krankzinnig, ongelukkige," roept de Voortrekker, en hij
rilt van afgrijzen.
"Weet ge 't nog, dat ge mij met dien doorntak hebt gegeeseld? Kunt
ge 't niet zien, beul?" vraagt Botter.
De verrader buigt zich voorover tot dicht voor het gelaat van zijn
slachtoffer.
De lidteekenen van die slagen loopen kruiselings over zijn gelaat
als twee bloedige voren.
En die bloedige voren schijnen op dit oogenblik te vlammen....
Botter wendt zich tot de Kaffers.
"Bindt hem vast aan den stoel," beveelt hij.
Het is gauw gedaan.
"Maakt zijn rechterhand los!"
Ook dit is spoedig gebeurd.
"Zie," sist hij tusschen zijn tanden door, "je hebt mij met je
rechterhand gebrandmerkt -- je zult die rechterhand verliezen."