P.S. Jan zal er ook nog een paar woorden bijvoegen."

Onder de wonderlijk door elkander heen gehaalde pennestreken van den

ouden Kloppers volgde nu in kloek, flink schrift het volgende:

"Geliefde Moeder!

Wij hebben de Roodbaatjes geklopt en wij zullen hen nog eens

kloppen. Ik zit hier op een veroverde Engelsche wagenkist deze

regelen te schrijven. Herman heeft zich ook kranig gehouden, en

hij zegt, dat hij een Engelschman heeft doodgeschoten, doch dat

geloof ik niet. Maar hij zal 't wel leeren, wis en zeker! Zeg aan

Arie, dat ik den Moorkop voeder met de haver, die wij bij

Bronkhorstspruit hebben veroverd op de Engelschen. Hij wou ze

eerst niet vreten, misschien uit bescheidenheid, maar nou lust hij

ze wel. Lieve Moeder! Ik ben een beetje uitgelaten, maar dat doet

de vreugde over de overwinning. Ik hoop niet te vergeten, _Wie_

ons de overwinning schonk. Weest te samen hartelijk gegroet. Ook

de groete van Oom Teunis en Herman. Leve de vrijheid! Uw

liefhebbende Zoon

JAN KLOPPERS.

P. S. Ik heb op het slagveld de geweren der gevallen soldaten

onderzocht, en zag tot mijn verbazing, dat het vizier was gericht

op een afstand van 300 tot 500 pas, terwijl de werkelijke afstand

slechts 100 pas bedroeg. Nu is het te begrijpen, waarom de

Engelschen zoo miserabel schoten. Vader zegt, dat God onze

vijanden met blindheid slaat, en dat zal wel de waarheid zijn.

DEZELFDE."

Reeds den 5en December was kolonel Anstruther op bevel van den

Engelschen generaal Lanyon met een sterke afdeeling van het 94ste

regiment, tellende 248 man en 9 officieren, van Lijdenburg

opgebroken, en had den 14en December Middelburg bereikt. Hier

ontving de kolonel een waarschuwing, dat de Boeren wel in staat

konden zijn, hem den weg naar Pretoria te versperren, maar hij

glimlachte en beschouwde het voor een bakerpraatje. Onbekommerd

zette hij den tocht naar Pretoria voort, maar toen, aan de overzijde

der Olifantsrivier gekomen, een kaffer hem de stellige mededeeling

bracht, onder weg een kommando Boeren te hebben ontmoet, nam de

kolonel de noodige maatregelen van voorzichtigheid, kortte zijn lang

convooi wat in en betrok des nachts een lager.

Zoo was hij Pretoria, het doel van den tocht, tot op 10 uur afstands

genaderd, toen een eenzaam ruiter de Engelschen tot op honderd

schreden naderde. Het was een parlementair. Hij hield een vlag in de

hand, en begeerde den bevelhebber te spreken. Kolonel Anstruther

begaf zich nu buiten het front zijner linie en nam de dépèche aan,

die de parlementair hem aanreikte. Hij las ze kalm en bedaard tot

het einde, maar schudde het hoofd, en zeide tot den parlementair:

"Ik heb orders, om naar Pretoria te gaan, en ik _ga_ naar Pretoria;

doe wat gij wilt."

Meteen stak hij de dépèche in zijn borstzak, waar ze later ook is

terug gevonden.

Het voornaamste punt in dit schrijven luidde als volgt:

"Heidelberg, 17 December 1880.

Aan den bevelhebbenden Officier van Harer Majesteits troepen, op

weg tusschen Lijdenburg en Pretoria.

Mijnheer! Wij hebben de eer u te berichten, dat de Regeering van

de Zuid-Afrikaansche Republiek haar zetel heeft gevestigd te

Heidelberg, dat een diplomatieke afgezant met dépèches is gezonden

aan Z. Exc. Sir Owen Lanyon, dat vóór de terugkomst van Z. Excs.

antwoord wij niet weten, of wij in oorlog zijn of niet; dat wij

gevolgelijk niet kunnen toelaten eenige beweging van troepen

uwerzijds en begeeren, dat gij blijft waar gij zijt.... Wij nemen

eenvoudig de onafhankelijkheid van ons land terug, en berichten u

derhalve, dat eenige beweging van uwe troepen door ons zal worden

opgevat als eene _oorlogsverklaring_, de verantwoordelijkheid

waarvan wij op uwe schouders werpen, wel wetende, wat wij te doen

zullen hebben in _zelfverdediging_.

PIETER J. JOUBERT,

_Kommandant-Generaal._

Op 300 meter afstands van de Engelsche troepen had Frans Joubert

zijn 300 Boeren achter de heuvelen in hinderlaag geplaatst, en gaf,

nu de zending van den parlementair zonder vrucht was gebleven, het

sein tot den aanval.

Hun paarden de sporen gevend, naderden de Boeren nu tot op 200 meter

afstand, sprongen uit het zadel, en de paarden achterlatend, liepen

zij storm tot op 100 pas afstand.

In der haast trachtten de soldaten de ossenwagens tot een

verschansing saam te trekken, maar de kogels floten door de huiven,

kletterden tegen de ijzeren wielbanden en sloegen de soldaten bij de

disselboomen dood.

Doch de kolonel was een man met een dapper, moedig hart, en zelfs in

dit hachelijke oogenblik verloor hij zijn koelbloedigheid niet, en

hij gaf zijn bevelen even kalm en bedaard alsof hij op het

excercitieveld stond.

Maar -- wat baatte het? Tegen het huiveringwekkend juiste schot der

Boeren was moed noch dapperheid bestand. Als rijpe korenaren voor

den sikkel van den maaier -- zóó vielen de Engelschen. Het was geen

_slagveld_, waar zij stonden, maar een _slachtbank_. Hun gelederen

werden verscheurd, vóór zij in orde waren opgesteld, en met de

doodelijke kogel in de borst, stortte de wakkere kolonel van zijn

paard.

Zelf wenkte hij zijn soldaten, om het sein van overgave te doen. Dat

was geen daad van lafheid, maar van barmhartigheid tegenover zijn

ondergeschikten, want in dezen strijd was geen verweer.

Honderd Engelsche soldaten lagen dood bij de wagens, en 28 wagens

met ammunitie en krijgsbehoeften, benevens een groot aantal geweren

en andere wapenen vielen den overwinnaars in de handen.

De dappere aanvoerder der Boeren, Frans Joubert, zocht intusschen

een weg tusschen de dooden en stervenden door, om zijn tegenstander,

die hem wenschte te spreken, te ontmoeten.

"Zie," zeide de kolonel met zwakker wordende stem, "ik ben diep

getroffen door de edelmoedigheid, waarmede uw volk mijn gewonde en

gekwetste soldaten behandelt."

"Zij doen slechts hun christenplicht, kolonel," zeide Frans Joubert

bedaard.

"Ja," zeide de kolonel, "zij handelen als christenen."

"Neem dit aan tot een herinnering en als een bewijs van mijn

hoogachting," zeide hij na een pauze, en hij liet generaal Joubert

een prachtige verzameling wapenen aanbieden.

Eerbiedig en vol weemoed aanvaardde Joubert dit kostbaar geschenk.

Nu reikte de kolonel Joubert de hand tot afscheid. En diep ontroerd

drukte deze de hand van zijn vijand.

Zij staarden elkander in de oogen -- twee helden!

Zoo scheidden zij.

Maar de tijding der zegepraal van Bronkhorstspruit verspreidde zich

door geheel Zuid-Afrika, bemoedigde de vreesachtigen, sterkte de

zwakken, verwakkerde de twijfelmoedigen, en klonk als een donderslag

in de ooren der vijandelijke, door de Engelschen opgezette

Kafferstammen!

--------

HOOFDSTUK XVI.

------

Dáár tusschen dat geboomte, dáár ligt het dorp.

Dáár moeten we zijn.

Ge ziet den rook langzaam omhoog kronkelen boven de toppen der

boomen.

Sla niet dat voetpad links in, want dan komt ge langs het kamp, waar

eenige honderden Engelsche soldaten liggen.

We moeten rechts houden.

Wees toch voorzichtig; kijk voor uw voeten. Daar ligt al zoo'n zwart

ding.

Ge zoudt het voor een gebogen stok houden, maar 't is geen gebogen

stok.

't Is een slang; een vergiftige slang; een echte cobra. Zij ligt

zich te koesteren in de zonnestralen en loert op den argeloozen

wandelaar.

Er zijn veel vergiftige slangen hier in de Transvaal. Ze geven u een

beet, vóór ge 't weet, en die beet is doodelijk, want hij vergiftigt

uw bloed.

De slang is gevaarlijker dan de leeuw.

Den leeuw hoort ge aankomen, en hij brult, dat het merg in uw

gebeente ontroert, maar hij komt niet als een sluipmoordenaar.

Daarom heb ik liever met een leeuw te doen dan met een slang.

Daar zijn we reeds aan de voorste huizen van het dorp.

Pas op; houd je langs den muur!

Dichter langs den muur, onvoorzichtige! Hoort ge dan de kogels niet

fluiten?

Die kogels komen uit het kamp. Het kamp wordt bedreigd door de

Boeren, die zich in en bij het dorp hebben vastgezet. En de

Engelschen schieten zoo hard als zij kunnen, om zich die Boeren van

het lijf te houden.

't Is toch wonderlijk.

Daar hebt ge de onmetelijke wildernis, waar bloem en plant en bosch

en stroom slechts vrede ademen.

En midden in die onmetelijke wildernis ligt, als een klein eiland in

den grooten Oceaan, een nietig plekje gronds, waarop zich eenige

honderden menschen bevinden, die elkander bekampen op leven en dood.

't Is wonderlijk; neen -- 't is vreeselijk.

Maar we hebben geen tijd, om bespiegelingen te maken.

Hier moeten we den hoek om, en ginds, even buiten het dorp, in de

richting van het kamp, waar dat bruinroode schild uithangt met het

gele opschrift: "In den altoos vroolijken Olifant," daar moeten we

zijn.

Het huis staat daar eenzaam, als een vooruitgeschoven voorpost, stil

en ernstig. Nu zijn we er. Licht maar gauw de klink op van de

bovendeur! 't Is veiliger in huis dan buiten.

Het schemert je, zoo van den vollen middag in de duisternis, die

slechts getemperd wordt door het helder opvlammende vuur aan den

grooten haard in de ruime keuken, die tegen de straat uitkomt, en

door de lichtstralen, die door spleten en kleine openingen

binnendringen.

Van waar die duisternis toch?

Hebt ge dan van buiten de zandzakken niet gezien, waarmede de

vensterramen gebarricadeerd zijn?

Maar er zijn tusschen de zandzakken eenige openingen gelaten,

schietgaten, waardoor het daglicht naar binnen dringt. Ook wordt uw

oog aan de duisternis meer gewend, en kunt ge in de ruime keuken

allengs alles beter onderscheiden.

't Is druk in de keuken. Er zitten en liggen zeker een tiental

Boeren rondom den haard, en zij voeren levendige gesprekken. Terwijl

drinken zij koffie, en dampen ze zoo geweldig, dat ge den rook wel

kunt snijden.

In den hoek staan de geweren.

Telkens als er een blok hout, op den haard geworpen, vuur vat,

schitteren de loopen als gepolijst staal.

Kijk nu eens goed rond; ge zult hier kennissen ontmoeten. Die

kleurling daar, dat is Columbus. Het wit van zijn oogen steekt

spookachtig af bij de zwarte huid. Hij lijkt nog zwarter dan

gewoonlijk.

Hij houdt een eind telegraafdraad in de hand, rijgt er een stuk rauw

vleesch aan en roostert het boven het knappende vuur.

De Boeren hebben de telegraafpalen omgehakt, om de gemeenschap der

Engelschen met de buitenwereld te verbreken. En terwijl zij de palen

gebruiken, om er hun vuren mee te onderhouden, gebruiken zij den

draad tot allerlei huiselijke bezigheden.

Zóó wordt het aangename aan het nuttige verbonden, maar de

Engelschen hadden het zóó niet bedoeld.

De jonge Arie is er ook; hij zit dicht bij Columbus.

Maar hoe komt hij toch hier? Ge zoudt hem bij de Passen van het

Drakengebergte hebben gezocht; bij zijn Grootvader.

Nu, hij is er ook geweest; met Columbus. Grootmoeder had Columbus

meegegeven uit bezorgdheid.

Ze hadden verschrikkelijk weer gehad op reis. Alle dagen regen. En

de uitgedroogde spruiten 1) waren in diepe, schuimende stroomen

veranderd, waar zij door heen moesten. Maar hun paarden waren taai

en sterk, en zij waren, met de ruiters op hun rug, er door heen

gezwommen.

Druipnat, hongerig en half ziek van de doorgestane vermoeienissen,

waren onze reizigers in het kamp der Boeren aan het Drakengebergte

aangekomen, maar 't was toch een dag van glorie geweest voor Arie.

Niemand had verbaasder gekeken dan de oude Dirk Kloppers, toen men

hem uit de tent kwam roepen, om zijn kleinzoon te ontmoeten.

Langzaam was hij naar zijn kleinzoon toe gegaan, en hij had op

gestrengen toon gezegd: "Arie, ben je de conditie vergeten?"

En er was een donderwolk over zijn breed voorhoofd heengetrokken.

Maar Arie had triomfantelijk geantwoord: "Neen, Grootvader, ik ben

de conditie niet vergeten," en tot den Kaffer zich wendend, die er

bij stond, had hij gezegd: "Toe, ouwe Columbus, doe je mond nu eens

open, en vertel op, wat je baassie heeft gedaan."

En Columbus _had_ het verteld; op zijn manier; in kinderlijke

bewoordingen. En de Boeren hadden er bij gestaan, en hadden

opmerkzaam geluisterd, tot het verhaal ten einde was. En toen hadden

zij den ouden Kloppers om strijd geluk gewenscht met zoo'n dapperen,

kranigen jongen.

"Wel," zeide een boer, "mijn Tijs, dien ik nog thuis heb, is _heel_

wat mans, al zeg ik het zelf; maar zoo'n stuk te bestaan -- ik weet

niet, of hij _dat_ wel aandurft."

"Die jongen kan nog wel generaal worden," meende een andere

omstander, die bedachtzaam zijn pijp stopte.

"Laat ons die wapens toch eens zien," zeide een derde, naar de

Engelsche karabijnen wijzend, die als de krachtige bewijzen der

heldendaad nog op de natte ruggen onzer ruiters hingen.

"'t Zijn beste geweren," zeide hij, na ze met kennersblik te hebben

opgenomen, "en fonkelnieuw. Maar ik heb toch liever mijn oud

voorlaadgeweer. Doch dat doet er niet toe. 't Is een stout stuk

geweest -- 't is bijna niet te gelooven!"

"En toch is het waar," had Columbus met waardigheid verklaard; "O,

mijn baassie is zoo'n knap scherpschutter!"

En zóó had het door elkaar gepraat, gewoeld en gegonsd.

Slechts één man mengde zich niet in die gesprekken; dat was de oude

Kloppers. Maar de donderwolk was verdwenen van zijn voorhoofd, en in

die oogen schitterden trots en vreugde.

"Kom, mijn jongen," had hij eindelijk gezegd, "kom mee in de tent,

en vertel me dan, hoe het thuis gaat. En het lekkerste kop koffie en

het fijnste stuk biltong van het heele lager is van daag voor jou.

Jij bent een wakkere jongen. En Columbus moet ook mee komen."

Inderdaad had Arie de koffie nog nooit zoo lekker en de biltong nog

nooit zoo fijn gevonden als hier in de tent van zijn grootvader.

Was de koffie werkelijk zoo lekker en de biltong zoo fijn geweest,

of had het woord van zijn grootvader: "Jij bent een wakkere jongen,"

spijs en drank zoo heerlijk gekruid?

Twee dagen had Arie bij zijn grootvader vertoefd, zonder dat er iets

bijzonders op de grenzen had plaats gegrepen.

Toen zeide de oude Kloppers: "Arie, jij en Herman Hoogerhuis gaat

met Columbus naar het dorp, dat ik je nader zal aanduiden. Onze

burgers zijn daar te weinig in aantal, om het nabijgelegen kamp der

Engelschen voldoende in toom te houden, en jullie hebt de eervolle

opdracht, om onze burgers daarin te helpen. Ge zult er ook

verscheidene leden onzer familie aantreffen."

Zoo zijn ze dan alle drie hier aangekomen: Arie, Columbus en Herman

Hoogerhuis.

Ge ziet Herman niet? Pas maar op, anders val je nog over zijn groote

laarzen en zijn breede sporen!

Hij ligt vlak voor je voeten, in een kombaars van schapevachten

gerold, en niet rustiger heeft hij vijfentwintig jaar geleden in de

Hollandsche schommelwieg geslapen, dan hier op den steenharden

grond, bij het gegons en gedruisch der stemmen.

Hij heeft nachtdienst gehad, en zoo'n heele nacht buiten in de

frissche, fijne berglucht maakt slaperig.

En die lange schaduw, die aan zijn voeten zit, met dat lange sluike

haar en die veldschoenen van ongelooid buffelleer is niemand anders

dan Leen Blok.

Leen Blok heeft reeds lidteekenen opgedaan uit dezen oorlog. Als hij

zijn rechterarm opstroopt, dan kunt ge ze zien. Maar ze zijn niet

toe te schrijven aan den houw van een Engelschen sabel, maar aan een

venijnigen knauw van zijn poney, die rebelscher is dan ooit.

Tegen den avond slenterde Leen, het roer over den schouder, naar

zijn post, waar hij gedurende den nacht de wacht moest betrekken.

Er viel een zachte regen, en de lange Leen keek melancholiek voor

zich heen.

Hij dacht aan Mieke zijn vrouw en aan zijn hond en aan zijn schapen

en aan den Engelschen wolkoopman, die misschien in dat kamp daar

ginds zat opgesloten en aan de smakelijke pap, die hij thuis elken

avond volop kreeg.

Hij tastte weer naar zijn mageren hals en slofte zwijgend verder,

totdat hij zijn post, een kleinen heuvel, met een paar wilgeboomen

beplant, had bereikt.

Vóór hem lag nu het kamp, dat hij niet meer kon zien, want de avond

viel snel, maar duidelijk vernam hij de Engelsche hoornsignalen.

In de richting van het kamp, doch dicht bij den heuvel, lag een

boschje, en op dit boschje hield Leen reeds eenige oogenblikken zijn

doezerige oogen gevestigd, want hij meende er een verdacht geluid te

hebben gehoord.

Hij nam het geweer in de hand en legde aan, maar zijn hand beefde, en

het liep hem ijskoud over den rug, toen plotseling een vreeselijke

gedaante met uitgespreide armen uit het boschje op hem af stoof.

Zijn geweer weg te werpen, was zijn éérste werk, en zijn tweede werk

was, om hals over kop de vlucht te nemen. Hij had nog nooit zoo hard

geloopen.

"Wat is er gebeurd?" vraagden de verwonderde Boeren, toen hij

hijgend binnen kwam stormen.

"Waar is je geweer?" vraagde Barend, de zoon van Lodewijk Jansen.

"Een monsterachtig Engelsch gedrocht, een helsche machine zat mij op

de hielen. Lacht niet, menschen, want het was vreeselijk."

"Hoe zag het ding er uit?" vraagde Herman.

"Ik weet het niet; het had de armen uitgespreid, om mij de keel toe

te knijpen," zeide Leen, en hij greep krampachtig naar zijn mageren

hals.

Met één werd echter aan de voordeur getrapt.

"Daar heb je 't al," riep Leen Blok, bleek van schrik, maar Barend

Jansen stapte bedaard naar de voordeur. Hij wierp de bovendeur open,

en Teun, de makke struisvogel, die hier thuis behoorde, strekte den

lompen kop over de onderdeur nieuwsgierig naar binnen.

"Hier is de helsche machine!" riep Barend.

De jonge Boeren schaterlachten.

"Ik zal 't aan jou vrouw vertellen," plaagde Herman Hoogerhuis.

"Als de Engelschen je te pakken krijgen, dan hangen ze jou op aan je

mageren hals," schertste Arie.

"Och wat," zeide Barend Jansen met een ernstig gelaat, "de

Engelschen zullen hem voor een slingeraap aanzien, en hem opzenden

naar den dierentuin te Londen, wat ik je zeg."

Maar Leen liet ze praten, en toen hij op zijn verhaal was gekomen,

stak hij doodbedaard een pijp tabak aan en zeide: "Voor je vaderland

_dood_ te gaan, dat is het eiereten niet, maar je leven voor het

vaderland te _sparen_, dat is het ware." En hij blaasde weltevreden

dikke rookwolken uit.

Maar deze heerlijkheid duurde niet lang.

De snelle hoefslag van een paard werd vernomen, die vlak voor "den

vroolijken Olifant" stopte.

Een oogenblik later werd bij het schijnsel der walmende vetkaarsen

het zwaargebaarde gelaat van den veldkornet 2) zichtbaar.

"Leen Blok!" riep hij.

De geroepene stond langzaam op.

"Wat is 't oom?" vraagde hij.

"Je hebt je post lafhartig verlaten, en _hier_ is je geweer. Je

deugt niet voor veldwacht; morgen vroeg ga je mee aan de loopgraven

werken. Neen, maak geen praatjes. Je post bij den heuvel is reeds

door een dapperder man bezet."

En zonder het antwoord van den aangesprokene af te wachten, maakte

de veldkornet rechtsomkeert, en diep verslagen stak Leen Blok zijn

pijp in den zak.

1) Kleine rivieren.

2) Boerenofficier.

--------

HOOFDSTUK XVII.

------

't Is de laatste dagen heel stil geweest in het kamp der Engelschen.

Ze hebben hun vuren zoo goed als geheel gestaakt.

't Is immers een nuttelooze kruitverspilling, want de Boeren zijn in

hun loopgraven en achter hun muren voortreffelijk gedekt. En

bovendien, wanneer de Engelschen schieten, dan moeten zij zich zelve

bloot geven, en op het kleine kerkhof, achter in het kamp, ligt

reeds menig dapper Engelsch soldaat begraven, wiens jeugdig leven

door een onverhoedschen kogel werd afgesneden.

Had men kanonnen, dan was 't iets anders. Dan zou men eenvoudig het

dorp platschieten, en de sterkten der Boeren met granaten

overstelpen.

Maar men heeft helaas geen kanonnen in het kamp.

Enfin, dat is bij slot van rekening toch nog zoo erg niet. De

ijzeren gordel waarin de Boeren het kamp hebben besloten, zal gauw

genoeg als spinrag uiteenscheuren.

't Is veertien dagen geleden, dat een spion door de linie der Boeren

is heengeslopen, en in het kamp het verblijdend bericht heeft

gebracht, dat generaal Colley, een der kundigste hoofdofficieren,

met een flinke troepenmacht in snelmarschen naar de Transvaal

oprukt. De generaal had gezegd, dat hij het leven der Boeren zooveel

mogelijk zou sparen, maar indien zij het waagden, om hem den

doortocht door de Passen van het Drakengebergte te versperren, dan

zouden zijn zware kanonnen er een onbarmhartige bres door heen

schieten.

Ja, generaal Colley zal helpen; er is geen twijfel aan, al vertraagt

zijn komst.

Want zijn komst _is_ vertraagd; dat is waar. Hij had volgens de

mededeeling van zijn spion reeds hier kunnen zijn, ja eigentlijk al

hier _moeten_ zijn. Maar de hooggezwollen rivieren zullen hem en

zijn troepen hebben opgehouden.

Wel zeker, waarom niet?

Arie begrijpt het niet. Een schietend kamp kan hij verstaan, maar

een zwijgend kamp is hem een raadsel.

Zijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld, en op zekeren morgen gaat

hij op kondschap uit. Hij sluipt met de noodige voorzichtigheid, het

geweer in de hand, het golvende terrein door, maakt een grooten boog

en komt tegenover den achterkant van het kamp uit.

Met den buik plat op den grond, heeft hij zich op een tamelijk

hoogen heuvel neergevleid.

Hij heeft van uit dezen observatiepost een duidelijk gezicht op het

kamp. Trouwens, hij is er niet ver van verwijderd.

Hij ziet de aarden wallen, die het kamp omringen, de zandzakken

waarmee ze zijn verzwaard en verhoogd, de eenvoudige tenten der

soldaten en de grootere der officieren. Hij ziet het golven van het

witte linnen der tenten in den frisschen morgenwind, het blinken van

het staal der in rotten geplaatste geweren en den eentonigen stap

van den schildwacht.

Maar dat een der officieren hem door den verrekijker heeft bespied,

en dat reeds een tiental soldaten, door het struikgewas gedekt, snel

en behoedzaam naderen, neen, dat ziet hij niet.

Als hij den blik maar één oogenblik links laat gaan, dan zal hij den

dans misschien nog ontspringen, maar hij doet het niet. Hij vergeet

de voorzichtigheid; zijn oog is bekoord door het voor hem ongewone,

militaire schouwspel, daar vóór hem.

Doch nu merkt hij onraad -- hij grijpt naar het geweer.

't Is te laat.

De sergeant heeft er zijn grooten voet op gezet, en zes, tien handen

grijpen den jongen.

Hij verweert zich wanhopig. Hij rukt, schopt en trapt, maar de

sergeant, een ware reus, zegt heel bedaard: "Houd je maar koest,

ventje, anders zal je een muilpeer van mij hebben, die je lang zal

heugen."

Dat begrijpt Arie ook en hij geeft het op.

Hij zit in de knip.

"Rechtsomkeert, marsch!" beveelt de sergeant. "Vlug! Anders krijgen

we de Boeren nog op ons lijf!"

"Ja, als dat eens waar was," denkt Arie. "Als Barend Jansen het

bijvoorbeeld eens wist! Hij zou zich liever dood vechten, dan Arie

in de handen der Engelschen te laten!"

Helaas, hij ziet niemand.

Als hij eens begon te roepen -- reeds begint hij uit alle macht te

roepen.

"Stop hem een prop in den mond!" beveelt de sergeant.

't Is reeds gebeurd: Arie doet geen kik meer.

En de Boeren komen niet opdagen; trouwens, men is aan den achterkant

van het kamp.

Binnen een paar minuten zijn de Engelschen met hun gevangene nu

binnen het kamp, en de prop wordt den jongen onmiddelijk uit den

mond genomen.

De sergeant brengt hem bij den kolonel, die voor zijne tent op en

neder wandelt.

"Zóó," zegt de kolonel op monteren toon tot den sergeant, "heb je

daar dien jongen, dien ik op den heuvel ontdekte? Ja, ik zie het al,

't is dezelfde," en zich tot den jongen wendend, gaat hij voort: "Ik

heb jou den tijd gegund, om ons kamp op je gemak op te nemen, maar

de ééne dienst is de andere waard. Vertel mij nu eens, hoeveel

Boeren hier in den omtrek liggen?"

"Dat zeg ik niet, kolonel," antwoordt de aangesprokene, die van den

eersten schrik is bekomen.

"Zóó -- zeg je dat niet? Waarom zeg je dat niet?"

"Omdat ik geen spion ben van de Engelschen."

"Hoe oud ben je? Vijftien jaar?"

"Ik ben er dertien, kolonel."

"Zoo -- dertien jaar. Je bent brutaal genoeg voor je leeftijd, maar

met dezen stok kan ik er de brutaliteit wel uitranselen."

Er volgde een kleine pauze, en Arie liet den blik onderzoekend over

den omtrek gaan.

In één, twee, drie sprongen kon hij boven op de zandzakken en over

den muur zijn. Dáár, tien passen achter den kolonel, daar was een

heele mooie gelegenheid.

"Ge weet, dat de Engelsche regeering het wettige gezag

vertegenwoordigt in dit land," begon de kolonel opnieuw.

"Zóó," zeide Arie, die nieuwen moed schepte om te ontsnappen, op

kordaten toon, "ik wist het heusch niet."

"Dan weet je 't nu," zeide de kolonel op forschen toon.

"Dank u," zeide de jongen gelaten.

"En gij zult den eed der getrouwheid afleggen," zeide de kolonel.

"Aan wien?" zeide Arie.

"Aan Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin," zeide de kolonel.

"Daar heb ik geen zin in," zeide Arie.

"Waarom niet?" zeide de kolonel.

"Omdat zij mijn koningin niet is," zeide Arie. "Zij regeert over

Engeland, maar niet over de Transvaal."

"Zij regeert _wel_ over de Transvaal, en gij _zult_ zweren," zeide

de kolonel toornig.

Hij nam een der in rotten staande geweren en ging voort: "Ken jij

dit geweer?"

"Ik denk, dat het een Snidergeweer is," zeide Arie. "Bij

Bronkhorstspruit hebben onze Boeren ze bij hoopen veroverd."

De kolonel fronste even de wenkbrauwen en zeide: "Het is een

rebellengeweer; men schiet er de rebellen mee dood, jou muitende

natie bijvoorbeeld, begrepen?"

"Wij zijn geen rebellen, kolonel," zegt de jongen, terwijl het bloed

hem in de wangen schoot.

"Geen rebellen -- zóó!" zeide de kolonel, terwijl hij spottend

lachte. "'t Is een mooi zoodje, jou natie, dat beloof ik je..."

"De rebellen zitten in een anderen hoek," zeide Arie met groote

vrijpostigheid.

"In welken hoek dan?"

"In den Engelschen hoek, kolonel. De Engelschen zijn de rebellen,

want zij vechten tegen het wettig gezag."

"Heb ik het niet gezegd," zeide de kolonel, zich tot de officieren

wendend, die zich allengs om de groep hadden geschaard, "heb ik het

niet gezegd, dat hij vrij brutaal is voor zijn leeftijd? Hij is het

echte type van de tegenwoordige Boeren. Ze zijn te zacht behandeld,

veel te zacht. Ondank is 's werelds loon; dat wordt hier bewezen."

Een huzaar wandelt met de handen in de broekzakken, een liedje

neuriënd, voorbij.

Hij blijft op eenigen afstand van de groep even staan, kijkt naar

den jongen en gaat verder.

Hij komt terug en blijft weer staan kijken, nu iets langer. Het

gesprek trekt blijkbaar zijn aandacht.

Langzaam verwijdert hij zich, maar keert spoedig terug, voegt zich

bij de groep, slaat de hand aan de muts en zegt: "Met uw verlof,

kolonel, ik ken dien jongen."

Nu eerst let Arie op den huzaar, maar als op dit oogenblik het

kruithuis daar vóór hem in de lucht was gevlogen, had hij niet

harder kunnen schrikken. Want die huzaar, die daar met uitgestrekter

arm en onverbiddelijken blik naar hem wijst, is voor hem geen

onbekende.

Plotseling doet hij een sprong, maar de sergeant strekt zijn been

uit, en hij struikelt. Zelfs de poging, om te ontsnappen, is

mislukt, en de huzaar roept: "Houd hem in de gaten; hij is een

moordenaar!"

Aller oogen vestigen zich met een mengeling van toorn en

nieuwsgierigheid op den jongen, wien de laatste druppel bloed uit

het gelaat is geweken.

"Hij heeft mijn wachtmeester als een sluipmoordenaar doodgeschoten,

kolonel!" roept de huzaar.

"John Doscey bedoel je?" vraagt de kolonel in de grootste verbazing.

"Dezelfde, kolonel," is het antwoord.

Er volgt een korte, maar vreeselijke pauze.

De toeschouwers kijken beurtelings naar den kolonel en den jongen.

"En wat heb je op die vreeselijke beschuldiging te antwoorden?"

vraagt de kolonel.

Had Arie nu de waarheid, de volle waarheid gezegd, de zaak ware

anders geloopen, maar hij deed het niet. Hij wilde zich redden door

een leugen, maar juist die leugen stortte hem in een groot en

vreeselijk ongeluk.

"Ik heb geen wachtmeester doodgeschoten," zeide hij.

"Hij heeft het wel gedaan," hield de huzaar vol.

"Spreek de waarheid, jongen," zeide de kolonel op strengen toon.

"Dat doe ik," antwoordde Arie.

"Hoe heeft het zich toegedragen?" vorschte de kolonel.

De huzaar verhaalde, met eenige grove onwaarheden er tusschen, hoe

de zaak zich had toegedragen. "En wat heb je daarop te antwoorden?"

vraagde de kolonel. "Niemendal," zeide de jongen, die nu wel

genoodzaakt was, op den ingeslagen weg te volharden, "niemendal,

kolonel. 't Is gelogen van a tot z."

De officier wist nu inderdaad niet, wat hij er van denken moest.

"Heb je getuigen?" vraagde de kolonel aan den huzaar.

"Neen," antwoordde de aangesprokene; "op 't laatst kreeg de jongen

hulp van een ouden Kaffer, die uit het struikgewas kwam toeschieten.

Maar al hadden wij dien Kaffer hier, hij zou den moordenaar toch wel

niet verraden."

De geheele beschuldiging schijnt nu op losse schroeven te raken,

maar nu treedt de reusachtige sergeant naar voren en zegt: "Ik heb

een karabijn bij dien jongen gevonden -- zou die karabijn geen

getuige kunnen zijn?"

"Wat," roept de huzaar in de grootste opwinding, "heb je een

karabijn bij den jongen gevonden?"

"Kolonel," gaat hij op bedaarder toon voort, "de karabijn van den

wachtmeester was door hem zelf eenige weken voor zijn dood met de

voorletters van zijn naam: J. D. geteekend. Vlak voor aan de kolf;

met kleine letters. Als deze karabijn dus met die letters is

geteekend, dan is hij van den wachtmeester geweest, en hebben wij

geen getuigen meer van noode...."

"Neen," zegt de kolonel langzaam, "dan hebben wij geen getuigen meer

van noode."

Hij neemt zelf den karabijn in de hand.

Onder de toeschouwers heerscht groote spanning, maar het wordt den

armen jongen zwart voor de oogen.

"Vermoedelijk was de karabijn van den wachtmeester de mooiste van de

twee, die ik veroverde," denkt hij bij zichzelven; "en dien heb ik

gehouden."

"Ik heb het al," zegt de kolonel; "hier in den hoek."

Hij rukt Arie aan den mouw van zijn wambuis.

"Kijk jongen," zegt hij op gestrengen toon.

Arie kijkt. Hij ziet twee kleine lettertjes J. D. Ze staan daar zoo

fijn, zoo nietig, zoo onschuldig, maar ze worden voor zijn

verbijsterden blik tot groote, vlammende letters, die zijn

doodvonnis onderteekenen.

Nu bezwijkt zijn moed.

"Kolonel," zegt hij, "ik zal de waarheid zeggen; de volle waarheid."

Dat is in der daad zijn voornemen, doch thans is het te laat.

Hij heeft zoo even gelogen -- waarom zou hij niet nogmaals een

leugen doen?

"Slaat hem op zijn gezicht!" roept de een; "hangt hem op;" roept de

ander.

Hij voelt reeds een stomp in de zijde, in den rug, maar dit wekt

plotseling het fiere, Afrikaansche bloed, dat zich zelfs voor de

poorten des doods niet verloochenen kan, en hij roept met

flikkerende oogen: "Lafaards! Ge beeft voor den kogel der Boeren en

mishandelt een weerloos mensch!"

"Stilte!" roept de kolonel met luide stem, en zich tot een in de

nabijheid staanden korporaal wendende, gaat hij voort: "Korporaal,

breng den gevangene naar het cachot. En laat hem niet ontsnappen;

gij staat met je leven voor hem in!"

De groep verdeelt zich; de kolonel en een luitenant blijven alleen

over.

"Die jongen heeft den strop verdiend," zegt de luitenant.

"Dat heeft hij," zegt de kolonel, "maar hij is nog erg jong; we

zullen hem den kogel geven!"

Het cachot, het voorste gedeelte van den houten loods of barak,

bestond uit een klein vertrek met twee raampjes aan weerskanten één.

Door een houten wand werd het afgescheiden van de overige ruimte,

die tot bergplaats diende.

Hier, in dit cachot, werd Arie gebracht.

Als verpletterd zette hij zich neder op de breede, harde bank, die

tegen de houten beschutting was aangetimmerd, maar de onrust, de

gejaagdheid dreef hem na een wijle weer op.

Allerlei wanhopige plannen doorkruisten zijn brein. Als hij eens

probeerde, de deur met een sterken stoot uit haar hengsels te duwen!

De korporaal zou zeker toe komen schieten, maar hij zou hem het

onderste boven loopen, en snel over den kampwal zien heen te komen!

Hij onderzocht de deur, maar ze zat te stevig; hier bood zich geen

kans van ontkoming.

Nu liet hij den blik gaan over het raam rechts. De ruiten kon hij er

wel uit slaan, de dunne spijlen eveneens, doch dat zou niet baten,

want het geraas zou de wacht in 't geweer roepen alvorens hij er uit

was. Het heele raam moest er in eens uit, doch dat was voor hem

onmogelijk.

Nu wendde hij zich tot het raam links, doch hier zag hij den

korporaal, en hier was dus nog minder kans om te ontsnappen.

Moedeloos ging hij weer zitten, tot zijn oog zich naar boven

richtte, naar de lage zoldering. Hij sprong nu op de uit eenige ruwe

planken getimmerde tafel, die dicht voor de bank stond, en kon er nu

goed bij reiken. Hij probeerde een plank uit haar spijkers te

lichten, door met het hoofd en met groote kracht er van onder tegen

aan te stooten. Doch de plank gaf niets mee, en tot overmaat van

ramp verscheen de lange, reeds grijzende baard van den korporaal in

het raampje.

"Maak toch zoo'n leven niet," zeide hij. "Er uit kom je toch niet,

zoo zeker als ik Jack Milkens heet."

Dat begreep de arme jongen nu ook.

Nogmaals zette hij zich neder, en de angst begon hem te schudden; de

angst voor den dood en de angst voor het gericht aan gene zijde van

het graf.

Vrees, schrik, vertwijfeling greep hem aan. Hij kon het op de harde

bank niet meer uithouden, en liep als een wanhopige, de handen

wringend, op en neer.

Hij zou ter dood worden veroordeeld -- er was geen twijfel aan...

Er waren misschien twee, misschien vijf uren verloopen, toen hij uit

zijn sombere bepeinzingen werd gewekt door een druk gepraat aan de

deur, en hij hoorde den sleutel knarsen in het slot.

"Nu komt mijn doodvonnis," dacht hij bij zich zelven, maar hij

vergiste zich. Een gewoon militair plaatste een stuk droog brood,

met een kan water er naast, op de tafel en ging weer zwijgend heen.

Maar Arie raakte het brood niet aan -- hoe kan hij denken aan eten

en drinken bij het gezicht van den dood?

Het was tegen den avond, dat er weer aan de deur werd gedraaid, en

een onderofficier met eenige militairen traden binnen.

"Die brengen mijn doodvonnis," dacht de jongen, en dezen keer

vergiste hij zich niet.

Met het hoofd in de handen gestut, hoorde hij het vonnis aan, dat de

onderofficier voorlas.

Als verzachtende omstandigheid was in dit vonnis zijn jonge leeftijd

in aanmerking genomen, en in plaats van tot den strop was hij tot

den kogel veroordeeld.

Maar strop of kogel -- het kwam op hetzelfde neer.

"Wanneer wordt het vonnis voltrokken?" vraagde de ongelukkige met

klanklooze stem.

"Overmorgen vroeg zeven uur," antwoordde de onderofficier; "hebt ge

nog een bijzondere wensch?"

De jongen schudde het hoofd.

De onderofficier en de militairen verwijderden zich, en het slot

knarstte in zijn veeren.

Het werd avond; het werd nacht. Het gegons en rumoer in het kamp

verstomde, en duidelijk werd de regelmatige voetstap van den

schildwacht gehoord. Fluisterend streek de nachtwind door een

viertal boomen, midden in het kamp, en het licht der maan viel

vriendelijk door het kleine raampje in Arie's cel.

Hij strekte zich uit op de harde breede bank, maar kon niet slapen.

De liefelijke herinneringen uit het verleden gingen als visioenen

aan zijn geest voorbij, en staarden hem aan met groote weemoedige

oogen.

Hoe schoon en liefelijk had zich het leven voor hem uitgebreid --

waarlijk als een lange, lachende zomerdag -- en nu zou een korte

knal van een Engelsch geweer er een snel en verschrikkelijk einde

aan maken....

Rusteloos wierp hij zich als een door zware koortsen geteisterde van

den eenen kant op den andere. Het was een bange, vreeselijke nacht,

maar plotseling sprong hij op; zou er niet een plank los te krijgen

zijn van het houten beschot? De uitgebluschte vonk der hoop begon

opnieuw te gloren, en bij het schijnsel van het maanlicht onderzocht

hij de planken één voor één. Maar er was geen verwrikken aan, en

zich nederzettend op de bank, legde hij het hoofd op de tafel en

snikte als een kind.

En snikkend vielen de oogen dicht. En de vriendelijke engel des

slaaps kwam, en weefde over het vreeselijk heden met barmhartige

hand een dichten sluier, en voerde den armen jongen op de vleugels

van gouden droomen terug naar "Vredenoord", en hij ging weer met

zijn grootvader kijken naar het scheren der schapen, en met oom Jan

en Columbus ging hij ter jacht, en met de blinde Lena, zijn zuster,

wandelde hij weer door den bloementuin....

------

Door het knallen van een paar geweerschoten werd Arie uit zijn slaap

gewekt.

Verwonderd liet hij zijn blikken gaan over het ruwe tafeltje en de

houten muren.

Het was reeds diep in den morgen; de stralen der morgenzon vielen

schuins door het raampje rechts.

Voor het andere raam bewoog zich de helm van een Engelschen

militair, en die helm riep den jongen tot het heden terug.

Maar de slaap had hem toch gesterkt. En hij zette zich neder aan het

tafeltje, en at van het harde brood, en dronk van het eenigszins

troebele water, en verkwikte zich.

Het geweervuur werd levendiger; daar tusschen hoorde hij het geloei

der slachtbeesten, uit de stallingen, die achter in het kamp waren

getimmerd.

In zijn gedachten zag hij de Boeren, door een muur, een boom, een

klipsteen of een heuvelrand gedekt, mikken op de gehate roode

uniformen.

Hoe benijdde hij hun lot!

Hij tikte aan het raam.

"Hoe laat is het?" vraagde hij den schildwacht.

"Negen uur!" antwoordde de schildwacht.

Den korporaal met den langen, grijzenden baard zag Arie niet. Hij

zette zich aan de tafel, en nam het bijbeltje, dat de onderofficier

er gisteren avond had neergelegd. Maar ofschoon hij tamelijk goed

Engelsch kon verstaan en spreken, Engelsch lezen was voor hem zeer

moeielijk.

Hij legde het bijbeltje zuchtend neer.

"Schildwacht," riep hij, "kan ik niet een vel wit papier krijgen en

pen en inkt?"

"Waarom?" vraagde de aangesprokene op stuurschen toon.

"Om afscheid te nemen van mijn familie."

Arie kreeg een vel papier, maar in plaats van pen en inkt ontving

hij een potlood.

Nu ging hij afscheid nemen.

Hij schreef het volgende:

_"Geliefde Grootvader en Grootmoeder, Oom Jan

en Lena!_

Als gij dezen brief ontvangt, lig ik al lang onder de harde

klippen begraven. Ik ben gisteren morgen onverwacht door de

Engelschen overrompeld en gevangen genomen. Hier in het Engelsche

kamp is een huzaar, die mij beschuldigt van sluipmoord. Gijlieden

weet, dat ik den wachtmeester in een eerlijk gevecht heb

doodgeschoten, maar hij zegt, dat ik het door een sluipmoord heb

gedaan. En ik heb in het eerst voor den kolonel gelogen, om mij

te redden, en nu is die leugen mijn ongeluk geworden. En nu

hebben zij mij ter dood veroordeeld, en morgen vroeg wordt ik

doodgeschoten. Maar ik ben onschuldig veroordeeld, Grootvader.

Ach, hij zal u groote smart veroorzaken, deze brief, en ik ben

ook diep bedroefd. Gisteren avond en van nacht was ik half razend

van wanhoop, maar nu ben ik veel kalmer. Maar ik ben diep

bedroefd. Doch ik wil niet hebben, dat de roodbaatjes mij morgen

vroeg blinddoeken. Ik wil den loop der geweren zien, en dan wil

ik roepen: Voor vrijheid en recht! Nu zien wij elkander nooit

weer, geliefde Grootouders, en dat is hard. In mijn gedachten zeg

ik u nu hartelijk vaarwel, en kus ik u, lieve Lena, en vergeef

het uw ongelukkigen broeder, dat hij je zoo dikwijls plaagde. Gij

moet mijne portemonnaie houden, Lena, als een herinnering, en

geef ook een herinnering aan Daniël, mijn vroegeren

speelkameraad, die nu in de Oranje-Vrijstaat is. De oude Columbus

en Herman moeten ook een herinnering hebben. Ach, het is toch een

vreeselijk ding, weerloos voor den tromp van het geladen geweer

te worden gezet. Ik kan u niet zeggen, hoe neergedrukt en

bedroefd ik ben. Ik bid veel, dat Jezus mijne zonden moge

vergeven en mij genadig moge zijn, en dat ik in den hemel moge

komen. Ik zit nu al twee uren aan dezen brief te schrijven.

Iederen keer verwarren zich mijn gedachten, en moet ik opnieuw

beginnen te denken. Lieve Grootouders! Ik zal dezen brief nu

eindigen. De zon is de middaghoogte reeds gepasseerd. Ik heb den

schildwacht mijn zakgeld beloofd, als hij er voor zorgt, dat deze

brief op zijn bestemming komt. Ik sterf onschuldig en voor de

vrijheid van ons volk. Nu wil ik eindigen, en ik wil ook nog een

brief aan mijn geliefde ouders schrijven. Ik dank jullie

hartelijk voor al de liefde, die ik heb genoten, en nu zeg ik

jullie allen goeden nacht! Goeden nacht! Dat wij elkander eens

allen in het Vaderhuis boven mogen wederzien, dat hoop ik, en zoo

blijf ik uw liefhebbende, ter dood veroordeelde

ARIE."

Een soldaat kwam, en bracht, even als gisteren, brood en water. Doch

de jongen keek niet op, en begon den brief aan zijn ouders te

schrijven. Maar zijn gedachten verwarden zich al meer, en de letters

dansten voor zijn oogen.

Hij legde het potlood neer; het vreeselijke van zijn toestand

overstelpte hem.

Ach, het leven is zoet voor een jeugdig hart, en _nooit_ is het

zoeter dan aan den rand van het graf!

Vóór de harde bank, daar knielde hij neder; daar riep hij tot God om

erbarming.

Dan sprong hij weer op, even als gisteren avond, en de wanhoop pakte

hem.

Angst, vertwijfeling, droefheid, verlatenheid, het stormde

beurtelings door zijn ziel, doch eindelijk legden zich de hooggaande

golven.

De avondzon wierp haar stralen door het linksche venstertje. Hij

stond op, en staarde weemoedig in die wegstervende stralen.

Hij zag immers die avondzon voor den laatsten keer.

Vervolgens zette hij zich op de harde bank, stutte het hoofd

tusschen de handen en bad stil tot God.

De korporaal kwam en verving den schildwacht bij de gevangenis.

De zon ging onder; de schemering viel.

Het werd donker in Arie's cel.

Een soldaat naderde en bracht een brandend olielampje.

Het was een gunst, die werd toegestaan, omdat het de laatste nacht

was van den ter dood veroordeelde.

En Arie zat op de harde bank, het hoofd tusschen de handen gestut,

en bad....

--------

HOOFDSTUK XVIII.

------

"Jim, wat beweegt zich daar tusschen dat struikgewas?" vraagt een

der schildwachten van het kamp, bij de aarden wallen geplaatst, aan

den ander.

"Ik weet het niet," zegt Jim, "maar we zullen 't gauw weten."

Beide schildwachten leggen het geweer aan, want voorzichtigheid is

altijd goed. Sinds het gevecht van Bronkhorstspruit zijn de Boeren

zeer brutaal geworden.

Intusschen wordt een persoon zichtbaar, die recht op het kamp komt

aanloopen.

Oogenschijnlijk is 't een Engelsche huzaar, want bij het heldere

maanlicht zijn de blauwe uniform en de blinkende knoopen duidelijk

zichtbaar.

"Werda!" roept de schildwacht door den stillen avond.

"Goed volk!" antwoordt de blauwe uniform.

"Avanceer met het contra-signe," roept de schildwacht.

"Weet ik van contra-signe? Ik ben ordonnans van generaal Colley en

heb belangrijke berichten," antwoordt de huzaar.

"Zoo," zegt de schildwacht, "dat verandert."

"Dat geloof ik ook," zegt de huzaar; "breng mij bij den kommandant!"

De kolonel, die tevens de kommandant is, hoort het gesprek en nadert

de groep.

De huzaar slaat aan en zegt: "Ordonnans van generaal Colley --

gewichtige tijdingen!"

Het oog van den kolonel rust met welgevallen op den slanken,

kranigen, vroolijken huzaar.

"Geef het rapport," zegt hij op vriendelijken toon.

"Ik ben het kwijt, kolonel," zegt de huzaar.

"Kwijt?" vraagt de kolonel verbaasd.

"Ja, kolonel; zoo is het. Het rapport zat wel geborgen tusschen de

zolen van mijn linker laars, maar eergisteren avond was ik tot op de

huid doornat geworden, en vond een onderkomen bij een

Engelschgezinden Boer. Ik legde mij bij den haard, stak de voeten

bij het vuur, en terwijl ik sliep, verbrandden de zolen van mijn

linker laars."

"Kijk maar," zeide hij.

Inderdaad had hij slechts één laars aan.

De kolonel kijkt hem wat scherper aan.

"En weet jij het rapport?"

"Ja, kolonel. Ik ken het van buiten, ha, ha! Maar mag ik niet eerst

een brandewijntje hebben, kolonel? Ik heb kou op mijn maag."

"Hoe luidt het rapport, kerel?" vraagt de kolonel op barschen toon.

"Eén brandewijntje maar, één brandewijntje," smeekt de huzaar.

De kolonel wendt zich wrevelig tot een tweeden luitenant, die in de

nabijheid staat.

"De vent is dronken!" zegt de luitenant, terwijl hij de schouders

ophaalt.

"Zoo dronken als een kanon," zegt de kolonel.

Hij roept een onderofficier.

"Breng den vent weg," beveelt hij, "en sluit hem op, tot hij zijn

roes heeft uitgeslapen. Is hij nuchter, dan moet ik hem spreken --

marsch!"

"Eén brandewijntje maar -- één brandewijntje!" smeekt de huzaar.

Zijn tong begint dubbel te slaan -- hij is verschrikkelijk dronken.

Maar de onderofficier pakt hem stevig bij de kraag en brengt hem

weg.

"Korporaal, hier ben ik met een smoordronken ordonnans," zegt de

onderofficier lachend.

"Zoo!" zegt de korporaal, en hij strijkt met waardigheid zijn langen

prijzenden baard, "ik heb veel beleefd, maar een smoordronken

ordonnans is mij nog nooit voor gekomen."

"Waar moet ik hem laten?" vraagt de onderofficier.

"Gooi hem in de bergplaats," antwoordt de korporaal, "hier is de

sleutel."

Hij haalt een sleutel uit den zak.

De dronken ordonnans heeft intusschen een snellen blik geworpen door

het raampje, en heeft bij de brandende olielamp een gebukte gestalte

zien zitten, in een wambuis, met het hoofd tusschen de handen.

Met den sleutel gewapend, leidt de onderofficier den huzaar naar de

bergplaats. De korporaal gaat mee.

De onderofficier opent de deur.

"Voorwaarts!" kommandeert hij.

Maar de huzaar wil niet voorwaarts.

"In dat geitenhok wilt ge mij stoppen?" roept hij op hoogen toon.

"Mij, een ordonnans van generaal Colley? 't Is een beleediging voor

de koninklijke uniform, die ik draag."

"Kom vent, vooruit!" zegt de onderofficier, en wil hem naar binnen

duwen.

Maar dat gaat niet zoo gemakkelijk; de dronken huzaar verweert zich

als een wanhopige, en grijpt zich aan den deurpost vast.

"Korporaal," zegt hij, "jij lijkt mij een verstandiger man dan die

domme onderofficier; gooi mij in het cachot, en ik zal met mij laten

sollen als een weerloos lam. Maar in de bergplaats wil ik niet."

De korporaal wordt graag geprezen, al is het door een dronken

huzaar.

"Ik zal er jou inlaten," zegt hij, "onder voorwaarde, dat jij

dadelijk gaat slapen."

"Ik zal geen kik doen," zegt de huzaar.

"Want je moet weten," zegt de korporaal, "dat er nog iemand in zit,

die ter dood is veroordeeld; morgen vroeg wordt hij doodgeschoten.

En het strijdt met mijn begrippen van humaniteit, om zoo iemand

overlast te doen, ofschoon naar mijn bescheiden meening alle Boeren

den kogel hebben verdiend."

"Goed gezegd," lalt de dronken huzaar.

"Hier," zegt hij, "jij bent een flink kameraad; daar kan je een

brandewijntje voor koopen! Sergeant, hier heb jij ook wat; we willen

vrede sluiten!"

Ze krijgen allebei een shilling van den dronken huzaar.

"Geef mij nu maar één brandewijntje -- ééntje," smeekt hij.

De korporaal is mensch genoeg, om hem de veldflesch te reiken, en de

huzaar doet een flinken slok.

"Nu slaapt hij beter," zegt de verstandige korporaal tot den

sergeant, die al heel verwonderd kijkt.

De huzaar trad het cachot binnen.

Het slot knarste in zijn veeren -- hij was met den jongen, die daar

voor hem zat, alleen.

Arie hield nog steeds het hoofd in de handen gestut.

Nu en dan schokte een zenuwachtige trilling het lichaam.

De huzaar staarde hem eenige oogenblikken zwijgend aan, doch Arie

keek niet op.

Maar de dronken huzaar was nooit nuchterder geweest dan op dezen

dag.

Hij zette den helm af, legde de hand op den schouder van den ter

dood veroordeelde en zeide: "Arie!"

Dit ééne woord was genoeg,

Als door een electrischen schok getroffen, vloog de jongen overeind,

en staarde in het open, mannelijk gelaat van Herman Hoogerhuis.

"Herman!" riep hij hartstochtelijk, "gij hier?"

"Dat zie je," zeide Herman op bedaarden toon. "Maar houd je nu kalm,

want anders ruikt onze korporaal onraad."

"En hoe ben je hier gekomen, Herman?"

"De Engelschen zijn zoo vriendelijk geweest, mij in dit cachot te

brengen."

"En hoe kom je aan dat huzarenpak?"

"Wel, je weet, Barend Jansen heeft onlangs een Engelschen huzaar

opgevangen, en ik heb het pak van den huzaar aangetrokken. De zaak

is heel eenvoudig."

"Maar ik begrijp het niet; ik begrijp het niet," zeide de jongen.

"Waak ik of droom ik?"

En hij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.

"Je behoeft het van daag ook nog niet te begrijpen; daarvoor is

later tijd."

"En wat kom je hier doen?" vraagde Arie.

"Kijk, dat is nu een heel verstandige vraag," antwoordde Herman, "en

ik zal het je vertellen. Heden morgen kwam er een overlooper uit het

garnizoen tot ons, die ons verschrok met de tijding, dat gij waart

gevangen genomen en tot den kogel veroordeeld. Toen zeide Barend

Jansen: 'Jongens, Arie zit in de klem, en hij moet er uit. En ik zal

er hem uithalen in dit pak,' en hij haalde het huzarenpak uit de

kist. Maar de anderen wilden het ook doen, en ik zeide: 'Menschen,

ge kunt toch niet allen in één pak, en niemand zal het er zoo goed

af kunnen brengen dan ik, omdat ik het Engelsch vlug spreek en niet

zoo afschuwelijk radbraak als jullie.' Enfin, dat vonden zij ten

slotte toch ook, en zoodoende ben ik hier gekomen."

Nu zette de Hollander zich naast Arie neer, en begon hem op

fluisterenden toon zijn plan te ontwikkelen.

En de jongen luisterde, met oogen, die schitterden van hoop.

Doch toen Herman een poos had gesproken, begon de gloed in zijn

oogen weer te verbleeken.

De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81 · 第 12 / 20 题