1) Heirweg.

--------

HOOFDSTUK XIV.

------

Potchefstroom, dus genaamd naar haar stichter, den voorman Hendrik

Potgieter, is schilderachtig gelegen aan de Mooirivier, in het

zuiden des lands.

De plaats is met bizondere zorg aangelegd, en heeft elkander

rechthoekig snijdende straten, die op een groot plein, het

kerkplein, uitloopen. De ongeplaveide straten worden bij regenweer

in modderpoelen herschapen, doch de Boeren malen er niet om, en zij

stappen er door heen, dat hen het slijk om de ooren spat.

De straten zijn beplant met boomen, die in het warme jaargetijde

een verkwikkende schaduw spreiden voor den wandelaar, en langs den

kant loopen de open waterleidingen uit de Mooi-rivier.

De huizen zijn laag; slechts één verdieping hoog. Zij zijn wit

aangestreken en voorzien van platte daken.

Ten tijde van ons verhaal telt Potchefstroom 2000 inwoners, (waarvan

de helft in Europa is geboren,) waaronder vele kooplui, die een

drukken handel drijven op het binnenland.

En deze kooplui zijn voorzichtige menschen; daarom zijn zij ook

Engelsch gezind.

Natuurlijk, dat is het veiligste. Niet alleen, dat de militaire

macht het Gouvernementskantoor, den Boerenwinkel en de Gevangenis in

kleine forten heeft herschapen, dicht in de nabijheid der stad is

het Engelsche kamp met 400 soldaten en de noodige kanonnen

opgeslagen.

Het was in den middag van 15 December, en loodrecht vielen de

brandende zonnestralen op het stille Potchefstroom. De burgers zaten

nog aan tafel en droomden van geen onheil, toen het plotselinge

geroep: "Daar komen de Boeren aan!" het kalme stadje met schrik

vervulde.

De Engelschgezinden hoopten nog, dat het een loos alarm mocht zijn,

maar dien zoeten waan was gauw verdwenen, toen zij elf gewapende

Boeren in vollen galop door de straat zagen rennen. Het was de

voorhoede van een kommando van 400 Boeren, dat onder bevel van den

dapperen Piet Cronjé in snellen draf op Potchefstroom aanrukte. De

proklamatie der regeering zou volgens het besluit van den Volksraad

in deze stad worden gedrukt, en Cronjé was met de uitvoering van dit

besluit belast.

Hij volvoerde zijn taak met moed en beleid.

Met de ligging van het Engelsche kamp volkomen op de hoogte, naderde

hij met zijn kommando de stad van een kant, waar het dicht

gebladerte der boomen zijn komst voor het oog van den vijand

verborg, en in geregelde orde en in snellen draf werd de groote

planken brug gepasseerd, die toegang gaf tot de stad.

Van vrees, angst of weifeling was geen sprake; trouwens kapitein

Raaff was er niet met zijn blekken schotel. Maar eenige Engelsche

winkeliers, die op de stoepen voor hun winkelramen stonden, haalden

hun schouders op, zooals de Engelschen dat kunnen doen en zeiden:

"Die arme menschen! Nog van daag wordt hun het levenslicht

uitgeblazen!" Zóó zorgelijk zagen zij den toestand voor de Boeren

in. Maar den ruiters hinderde dat niet, en zij trokken recht door

tot vóór de woning van den gewezen staatspresident H. W. Pretorius,

waar Cronjé halt liet houden.

De Boeren sprongen nu uit het zaâl, en er ontwikkelde zich een

groote drukte en bedrijvigheid. De één verfrischte zich aan de open

waterleiding; de ander haalde uit den knapzak een korst brood en een

stuk biltong; een derde zocht naar een emmer, om zijn dorstig paard

te drenken.

Hier riep er één om vuur om zijn pijp aan te steken; dáár onderzocht

een ander met opmerkzamen blik zijn klepper, die bij den langen rit

een wondje had opgedaan aan zijn rechtervoorpoot. Sommigen bleven

bij hun paarden staan, het geladen geweer in de hand, om op alle

gebeurlijkheden voorbereid te zijn, en anderen strekten zich, den

paardeteugel vasthoudend, uit in het koele gras. Ernstige stemmen

werden gehoord, nu en dan afgewisseld door een vlug en grappig,

schertsend woord.

Terwijl begaf Cronjé met een kleine ruiterschaar zich verder de stad

in, en hield stil voor Borrius' drukkerij.

Borrius, die een vriend der Boeren was verklaarde zich bereid, de

proklamatie te drukken, doch van uit het Gouvernementskantoor

ontving hij de volgende dreigende Missive:

"Potchefstroom, 15 December 1880.

Ik waarschuw u, dat gij verantwoordelijk zult gehouden worden

voor eenig oproerig of onwettig dokument, door u gedrukt, of

dat uit uwe pers verschijnt, en dat, indien gij deze

waarschuwing verzuimt of weigert te gehoorzamen, gij met de

uiterste gestrengheid der wet zult gestraft worden.

M. Clarke.

speciale Commissaris".

Borrius las den brief van den Engelschen majoor en las hem nog eens,

en keek den kommandant der Boeren vragend aan.

Maar deze zeide: "Als mijnheer Clarke wat wil, dan moet hij met

_mij_ praten; druk _jij_ maar gerust de proklamaties. Ge staat onder

_mijn_ bescherming."

Toen was Borrius tevreden.

Het was intusschen avond geworden, en terwijl de Boeren hun

kwartieren opzochten bij bevriende burgers, nam Cronjé zijn

maatregelen, om niet overrompeld te worden.

Zóó werd het nacht en allengs verstomde het rumoer.

De sterren tintelden aan den diepblauwen hemel, en niets werd meer

gehoord dan het ruischen van den nachtwind in het loover der

treurwilgen, het fluisteren der Boerenschildwachten en de

regelmatige voetstap hunner patrouilles.

Zoo ging de nacht langzaam voorbij, maar morgen -- wat zal de dag

van morgen baren?

Het was den volgenden morgen half tien. Cronjé zat heel bedaard op

de stoep voor de drukkerij, in de schaduw van het geboomte, uit zijn

houten pijp te rooken, en in de drukkerij waren de letterzetters

druk in de weer, om dat gevaarlijke ding, de proklamatie, klaar te

krijgen, toen een jonge ruiter in den sneldsten draf de straat kwam

afstormen, en reeds uit de verte riep: "Oom Piet, de Roodbaatjes

hebben op ons geschoten!"

"Zoo" zeide Oom Piet, terwijl hij bedaard de asch uit de pijp

klopte, "en hoe is dat gebeurd?" Met één kwam echter reeds een

tweede Boer aanrennen, in de ééne hand den hoed, in de andere het

geweer, en riep in de grootste opwinding: "Oom Piet, de Roodbaatjes

hebben onzen kommandant Robberts den arm afgeschoten."

"Zoo!" zeide Cronjé nog eens. Toen stak hij de pijp in den zak,

stond op en riep met zijn heldere, luidklinkende stem: "Op mannen!

Wij zullen de Engelschen te woord staan!"

Wat was er gebeurd?

Robberts was met een vijftal Boeren door de straten gereden, en had

den weg ingeslagen naar het Engelsche kamp. Misschien was hij bij

dien tocht naar de meening van Winsloe, den Engelschen bevelhebber,

te dicht het kamp genaderd. Ten minste Winsloe zond het zestal

Boeren bij hun terugtocht een salvo kogels achterna, waarbij de arm

van kommandant Robberts verbrijzeld, een andere Boer gewond en een

derde gedood werd.

Cronjé riep nu zijn manschappen bijéén, en liet onmiddelijk

opzadelen. Hij splitste zijn legertje in vier afdeelingen, die in

verschillende richtingen en met de noodige behoedzaamheid de stad

zouden doorkruisen.

Aan deze order werd stipt gehoorzaamd, en in bedaarden stap reed

eene afdeeling van honderd man de groote straat af naar het

kerkplein.

Doch nauwelijks was men hier aangekomen, of uit het

Gouvernementskantoor, dat aan het kerkplein grensde, en de

Gevangenis werd een overstelpend vuur gericht op het open plein,

terwijl de bommen uit de Engelsche negenponders met ontzettende

kracht uitéénsloegen.

Het was een ernstig oogenblik, en het verschrikt gesteiger der wild

geworden paarden, de luide kommando's der aanvoerders, het geknetter

van het geweervuur, het geschrei en gegil van weerlooze vrouwen en

kinderen, en daartusschen de donderslag van een neerploffenden bom

-- de geluiden vereenigden zich tot een éénig, vreeselijk,

onbeschrijfelijk concert.

Het groote kerkplein werd snel ontruimd. Toen lachten de Engelsche

helden.

"Kijk," zeiden zij, uitstekend gedekt achter stevige muren en door

zandzakken verschanste ramen, "kijk, hoe hard de Boeren toch kunnen

loopen! Bij het _eerste_ kanonschot gaan zij op de vlucht -- 't is

uitgekomen, zooals we 't hebben voorspeld! Maar wie is ook tegen den

Engelschman bestand?" En zij grinnikten van plezier, terwijl zij

daar veilig stonden achter hun schietgaten.

Doch de Engelschen vergisten zich, wanneer zij meenden, dat de

Boeren nu hals over kop weer naar de wildernis waren gevlucht.

Zij waren nog in de stad; ja dicht in de nabijheid. Van achter een

deur, een wagen, een boom, een kerkmuur, van het platte dak van een

winkelhuis, werd plotseling een breedgerande hoed zichtbaar, om even

snel te verdwijnen.

Reeds drong er hier en daar een kogel in een zandzak, maar de kogels

begonnen dichter te komen, en het schot werd juister.

Een kogel vloog door één der schietgaten en trof den kleinen

infanterist, die er juist achter stond. Er werd een klein nietig

wondje zichtbaar aan zijn voorhoofd en hij zakte stervend in elkaar.

"'t Is een verdwaalde kogel geweest," zeide de officier, die er bij

stond, en om zijn meening kracht bij te zetten, ging hij recht voor

het schietgat staan.

Maar hij stond er niet lang; de volgende kogel legde hem tegen den

grond.

Neen, die éérste kogel was geen verdwaalde kogel geweest; dat

begrepen de Engelschen nu ook. En zij drukten zich tegen den muur,

om uit de doodelijke richting der schietgaten te blijven, en de

kogels floten er doorheen, dat kalk en steengruis spatten.

De Engelschen lachten niet meer; zij rilden. Zóó'n uitwerking kan

een klein stukje blauw lood hebben in den geweerloop van een

Boeren-Scherpschutter.

Intusschen was generaal Cronjé met een andere afdeeling Boeren door

slooten en tuinen opgerukt in de richting van het kerkhof, om het

kamp in bedwang te houden. Twee paarden werden den generaal door

Engelsche granaten gedood, maar de wakkere Boeren gaven het niet op,

en dekking zoekend achter een boom, een heg, een tuinmuur, een

houten schutting, tornde men op tegen den vijand.

Onophoudelijk knalde het geweervuur, en eerst de avond maakte aan

den strijd een voorloopig einde. Maar de Boeren legden zich ter

ruste met het geweer in den arm, terwijl sterke wachten op de meeste

bedreigde punten post vatten.

Reeds vroeg in den volgenden morgen werd het vuur van beide zijden

weer opgenomen, en overal ontdekte men de teekenen der verwoesting.

De daken werden door de granaten der Engelschen ingeslagen en de

muren omgeworpen. Met angstig kloppende harten zaten de inwoners in

hunne woningen, ieder oogenblik bevreesd, dat een bom hun woning uit

elkander zou slaan. En buiten op de straat lagen de gedoode paarden

der Boeren, en hoog in de lucht zwierven, door den reuk

aangetrokken, talrijke aasvogels.

Voor het garnizoen van het Gouvernementskantoor begon het er

intusschen bedenkelijk uit te zien. De Boeren wonnen voet voor voet

terrein, en in den vroegen morgen van den 18den December begonnen

hun kogels de tot nog toe veilige achterzijde van het kantoor te

bestrijken. Een twintigtal dappere kerels hadden zich namelijk

genesteld in de erven achter het kantoor, en Cronjé haastte zich, om

hen nog 25 man versterking te zenden, die kruipende door tuinen en

boomgaarden heen, onder een hagelslag van vijandelijke kogels het

gevechtsterrein gelukkig bereikten.

Hei! Wat de kogels floten! Ze scheurden de spaanders van deuren en

ramen, vlogen door de schietgaten heen en kletterden tegen de

binnenmuren.

Maar de jonge Jan de Koek zeide: "Dat gaat me nog niet vlug genoeg;

_zonder_ kogels zal ik de Roodbaatjes uit hun nest jagen."

Hij nam eenige lange spaansche rieten, maakte ze aan de punt scherp,

en wikkelde er wollen lappen om, die met terpentijn waren gedrenkt.

"Kijk," zeide hij triomfantelijk, terwijl hij de lappen aanstak,

"dat zijn nu de ware brandassegaaien," en terwijl de Boeren hem met

hun geweervuur dekten, sjorde hij in onbegrijpelijke

koelbloedigheid, met zijn brandfakkels in de hand, een half

vermolmde ladder op.

Reeds had hij de eerste in het rieten dak van het

Gouvernementskantoor geworpen, en wilde de tweede nemen, toen een

luid en driftig geroep van het kerkplein weerklonk. _De Engelschen

hadden de witte vlag geheschen._

In groote spanning wachtten de Boeren het verder verloop, toen bij

een der ramen de zandzakken werden verwijderd, en in de gemaakte

opening het bekende gelaat van den dapperen Raaff zichtbaar werd.

"Wat," riepen de Boeren, "ben jij daar, Raaffje? En waar is je

blekken schotel, man?" en zij schaterlachten.

Maar _hij_ lachte niet, want hij had een slecht geweten, en zijn

gelaat stond strak en benauwd. 1)

Majoor Clarke, Raaff en 40 mindere Engelsche militairen werden als

gevangenen weggevoerd, en een aantal geweren, benevens een groote

voorraad ammunitie en mondvoorraad viel de Boeren, die aan alles

gebrek begonnen te krijgen, in handen.

Dat was een goede vangst, en ofschoon de Engelsche kanonnen een

vreeselijk geweld maakten, de Boeren hadden schik, en zij schoten

victorie.

1) De man trok in 1896 met Cecil Rhodes tegen de Matabelen op, en

de assegaai van een kaffer maakte aan zijn roemloos leven een

einde.

--------

HOOFDSTUK XV.

------

Er hingen vage geruchten in de lucht, dat er een gevecht had plaats

gehad tusschen de Engelsche troepen en een kommando der Boeren.

Deze geruchten namen een bepaalder vorm aan, en er werd gesproken

van een grooten slag, waarin de Boeren met bebloede koppen naar huis

waren gejaagd.

Ook op het erf van Dirk Kloppers deed dit gerucht zijn intrede. Een

kleurling bracht het nieuws mede, en de Kaffers, bij Kloppers in

dienst, staken de hoofden bij elkander, en fluisterden elkander het

heuchelijke nieuws toe bij het scheren der schapen.

Natuurlijk, het was voor hen een heuchelijk nieuws. Want als de

Boeren er onder gingen, dan behoefden zij niet meer te werken, en

zouden zij zelf de heeren en de meesters worden.

Het gerucht, want meer was het niet, stichtte weinig goeds. De

Kaffers werden nog trager dan gewoonlijk, en uit hun donkere oogen

begon duidelijk een geest van onwil en verzet te flikkeren.

Vrouw Kloppers zag het onweer wel broeien, maar zij deed alsof zij

niets merkte, en ging kalm haar gang. En tot Arie, die in zijn

jeugdigen ijver de zweep had gegrepen met den langen slag van

buffelleer, om er de Kaffers mee af te ranselen, had zij gezegd:

"Dat heeft nog tijd." En zij had dat op dien eigenaardigen toon

gezegd, dien zij bezigde, als zij geen tegenspraak duldde. Arie

kende dien toon wel, en zwijgend had hij de zweep weer in den hoek

van de keuken gezet. Doch binnen twee dagen kwam reeds de crisis, en

vroeg in den morgen kwam de oude Columbus, van wiens trouw vrouw

Kloppers zich verzekerd kon houden, in opgewonden toestand naar

binnen en zeide: "De knechten willen het vee niet uit de kralen

drijven!"

"Zóó," zeide vrouw Kloppers op bedaarden toon; "waar zijn de

knechten?"

"Achter 't huis," antwoordde de Zoeloe, maar Arie kon toch niet

nalaten te zeggen: "Dat komt er nu van toegeven!"

De oude vrouw stond nu op, en begaf zich, vergezeld van Columbus en

Arie, naar het muitende volk.

Er stonden er zeker wel twintig.

Zonder een woord te zeggen, met de handen in de zijde gestut, ging

zij vlak voor de Kaffers staan.

"Jaagt het vee uit de kralen," zeide zij eindelijk.

Geen man verroerde zich.

"Jaagt het vee er uit," zeide zij nog eens.

Het bevel had hetzelfde resultaat, en hier en daar hoorde men een

grinnikend gelach.

Vrouw Kloppers had het ook gehoord. Langzaam gleden haar grijze

oogen van den een op den ander.

Toen verstomde het lachen, maar de jonge, sterke "Amerika," die

midden tusschen de anderen stond, keek haar aan met zijn brutale

oogen en zeide: "wij jagen jou vee er niet uit -- doe 't zelf!"

Hij was de belhamel, de aanvoerder der muiters; dat was duidelijk.

En Arie, die de zaak niet meer vertrouwde, verwijderde zich haastig,

om zijn geweer te halen.

"Jij Kaffer zult het ook niet meer doen," zeide ze langzaam, op den

haar eigen, beslisten toon. "Van mijn erf! En er nooit meer op!"

liet zij er op volgen, haar rechterhand gebiedend uitstrekkend.

Zij begon warm te worden; het Afrikaansche vuur begon te gloeien in

die grijze oogen. Neen, zij was niet bang, zelfs voor twintig

Kaffers niet. Zij greep den muiter in de borst, rukte hem uit den

kring der Kaffers en drukte hem tegen den achtermuur van het huis

aan.

Juist kwam Arie aanloopen met het geweer.

"Geef op," zeide zij, en het nemend, legde zij op den Kaffer aan.

"Voor den laatsten keer -- van mijn erf!" riep zij, en

onheilspellend flikkerden haar oogen.

Doch de weerbarstigheid van den Kaffer was nu gebroken. Hij was

tegen deze oude vrouw niet opgewassen; hij voelde hare meerderheid.

Hij viel voor haar op de knieën, strekte zijn zwarte armen smeekend

omhoog en riep: "Vergeef het mij; Amerika zal nooit meer weerspannig

zijn; nooit meer. Hij zal werken dag en nacht, zomer en winter, als

hij maar op Vredenoord mag blijven."

"Ik zal zien, wat ik doen zal," zeide zij langzaam, maar op milder

toon.

Toen sprong de jonge Kaffer met een vreugdekreet omhoog, en hij en

de andere Kaffers snelden naar de kralen, en joegen het vee naar

buiten, en er was geen sprake meer van weerbarstigheid.

Intusschen keek vrouw Kloppers reikhalzend uit naar een brief van

haar man, want al schonk zij aan de opduikende geruchten weinig

waarde, op haar gemak was zij toch niet. Het was voor haar echter

een troost, dat Arie nog niet was vertrokken. De jongen had wel het

vaste voornemen gehad, om reeds acht dagen geleden te gaan, maar de

onzekerheid, waar hij zijn grootvader moest zoeken, had hem nog aan

huis gebannen. Hij moest nu wel, al was het tegen zijn zin, geduld

oefenen, tot er tijding kwam.

Op zekeren namiddag, twee dagen vóór nieuwjaar, kwam echter de zoo

vurig verbeide tijding in een lijvigen, zwaren brief, die door een

gewonden, naar huis keerenden Boer was medegebracht.

De man had er al vast bij gezegd, dat de Engelschen een geducht pak

slaag hadden gehad, en dat oom Dirk en Neef Jan het uitstekend

maakten.

Vrouw Kloppers plaatste zich aan het open raam, in den leuningstoel,

die haar man placht in te nemen, zette de hoornen bril vóór haar

oogen en opende het couvert.

En daar had zij nu den langen, grooten brief vóór zich liggen op

tafel! Ja, dat waren _zijn_ letters; zoo haalde hij ze. Een

vreemdeling zou zeggen, dat die letters geleken op de boomen van een

woud, door een plotselingen storm door en over elkander geworpen,

maar _zij_ had die letters lief, omdat hij ze had geschreven en door

dat labyrint van haken en halen wist zij den weg te vinden zonder te

verdwalen.

Zij las den brief eens en nóg eens en nóg eens.

Lena zat naast haar en leunde tegen haar schoot, en Arie had den

mond wijd open, opdat hem geen woord zou ontgaan. Maar voorloopig

hoorde hij nog niets, en zag hij slechts, hoe Grootmoeder, wanneer

haar gerimpelde vinger op zekere plaats van den brief was

aangekomen, een paar tranen wegpinkte.

Maar eindelijk kon de jongen zijn ongeduld niet langer bedwingen en

hij zeide: "Grootmoeder, ik weet nu, dat Grootvader en Oom Jan nog

leven; vertel mij nu als 't u belieft, of Herman Hoogerhuis en de

Moorkop ook nog leven; dan weet ik genoeg." Doch de oude vrouw zeide

vriendelijk: "Ik zal jou en Lena den geheelen brief voorlezen.

Luistert maar!"

En zij begon:

"21 December 1880.

Hartelijk geliefde Vrouw!

Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik en Jan en Teunis en Herman

nog frisch en gezond zijn. Wij zijn gisteren voor den eersten keer

in het vuur geweest, en wij hebben ruime stof, om den Heere te

danken, want Hij heeft ons wonderbaarlijk geholpen. Wij waren met

300 man onder aanvoering van generaal F. Joubert, en de Engelsche

troepen telden ruim 250 man. Zij waren op weg van Lijdenberg, om

het Engelsche garnizoen in Pretoria te versterken, maar wij wilden

dat niet hebben.

Op ordelijke wijze verwittigde onze generaal aan kolonel

Anstruther, die de Engelschen aanvoerde, dat hij terug moest gaan

met zijn volk, want anders zouden wij genoodzaakt zijn, op zijn

volk te schieten. Maar de kolonel antwoordde, dat zijn instructies

luidden, om naar Pretoria te gaan, en dat hij 't doen zou ook.

Toen zeide onze generaal tot ons: "Menschen, nu zullen we

vechten," en wij vonden dat heel goed. En terwijl de Engelsche

muziek hun trotsche volksliederen speelde, stormden wij, onze

paarden achterlatende, tot op honderd pas afstand. Wij moesten

over de open vlakte heen, terwijl de kogels van den vijand ons

als vliegen om de ooren bromden. Jan was aan mijn

rechterhand, en Teunis de leeuwenjager aan mijn linkerhand. Teunis

zeide: "Neef Dirk, dien hooge dáár op dat zwarte paard, dien zal

ik er afhalen. 't Is jammer, dat het paard zoo steigert; ik zal er

twee kogels aan moeten wagen." Toen schoot hij de beide loopen van

zijn geweer op dien hooge af; het was de kolonel. Toen de

kruitdamp door den wind even wegwaaide, zagen wij, dat hij van het

paard was gevallen. Ik zocht en vond ook een hooge, maar die was

te voet en stond met uitgetrokken sabel vóór de troep. Ik zeide:

"Neef Teunis, dat is de mijne."

"Dat is een mooi mikpunt," antwoordde de leeuwenjager, "want de

man staat heel bedaard; meer dan één kogel heeft hij niet noodig."

Dat is ook uitgekomen. Wij hadden nog geen tien minuten gevochten,

of daar zagen wij witte zakdoeken zwaaien en helmen omhoog houden,

want de vijand kon het niet uithouden. Toen werd mijn hart vervuld

met een groote overwinningsvreugde, Anneke; ik denk een zelfde

gevoel als dat de Israeliten bezielde, toen zij de slagorden

verbrijzelden der Filistijnen. Wij liepen met gejuich en zoo snel

als blesbokken op de Engelschen aan, en hielden onze geweren in de

hand, maar toen wij bij de Engelsche troepen aankwamen, toen werd

mijn hart zeer geroerd, want wij stonden midden tusschen dooden,

gewonden en stervenden. Het was een ontzettend gezicht, lieve

vrouw, en ik haastte mij, om hier en daar een zwaargewonde met een

teug water te verkwikken. Zóó deden de Boeren allemaal; alle haat

en wrok was verdwenen. Onze dappere generaal ging zelf naar den

Engelschen kolonel, en vraagde hem, wat hij voor hem doen kon. Die

arme menschen! En voor zoo'n slechte zaak hun kostbaar bloed te

storten! Ik kwam zelf bij een jong en vriendelijk gezicht voorbij,

dat mij zoo klagend aankeek, dat het mij door de ziel sneed. Hij

had het benauwd, en ik knoopte hem de roode uniform open, en

maakte zijn lippen vochtig met een paar druppels Kaapschen wijn

uit mijn veldflesch. Maar ik begreep wel, dat de kogel zijn longen

had geraakt, en dat de geleerdste professor hier aan het einde was

van zijn kunst. Een papieren couvert lag in de nabijheid, en de

gewonde hield een portret in de hand. Ik zag, dat het een vrouw

van middelbaren leeftijd voorstelde, en uit de gelaatstrekken

bespeurde ik, dat het Zijne moeder moest zijn. Ik had groot

medelijden met den armen jongen, en ik dacht: Uw Moeder is

ver weg; nu zal ik hare plaats zien in te nemen, en ik stutte zijn

stervend hoofd, en in mijn armen gaf hij den geest. En dat heet nu

een christennatie, Anneke, die zóó hare kinderen in den dood

jaagt. Het was een heel ding, lieve vrouw, om zoo maar tegen de

Engelsche bajonetten en kogels in te stormen, maar ik had mij

gesterkt in mijn God. Het is zoo als de psalmdichter zegt: "Met U

loop ik door eene bende, en met mijnen God spring ik over eenen

muur." En Hij heeft ons wonderlijk, wonderlijk geholpen. Wij

hadden slechts twee dooden, en onze harten zijn vol lof en dank.

De Heere vervulde onze harten met moed en dapperheid, en er was

niets tegen ons bestand. Jou jongen, jou Benjamin, Anneke, heeft

ook dapper gevochten. Hij gedroeg zich als iemand, die grijs is

geworden in het oorlogsgewoel. Hij mikte even bedaard als ik en de

leeuwenjager. Herman heeft zich ook flink gehouden, maar hij

schoot te gauw. Ik zeg: Neef, den haan overtrekken, dat kan een

klein kind wel, maar raken, raken, daar komt het op aan. Maar hij

houdt stijf en plechtig vol, dat hij ook een roodbaatje heeft

doodgeschoten. In elk geval, er zit hart in den jongen; hij is van

het echte ras. Na het gevecht zeide Jan tegen mij: "Kijk, vader,

die roodbaatjes hebben mij geteekend," en hij liet mij zijn oor

zien. Er was waarlijk een stuk van zijn oor afgeschoten. Dus de

dood is rakelings langs ons kind heengegaan, lieve vrouw, en gij

kunt denken, dat mijn dank tot den Heere groot en innig is.

Misschien hebben de gebeden van de moeder de kogel uit de

doodelijke richting gestooten. Wij trekken nu voorloopig naar het

lager te Heidelberg, en vervolgens waarschijnlijk naar de passen

van het Drakengebergte, want daar zal de beslissing moeten vallen.

Moge de Heere ons verder genadiglijk bijstaan; dan zullen wij

zeker overwinnen. Groet de kleinkinderen en verder alle vrienden

en kennissen en schrijf ook eens gauw. Er zal wel gelegenheid zijn

met deze of gene, die naar het oorlogsveld gaat, een brief mede te

geven. Ik hoop, dat Gij, lieve vrouw, dezen brief in goeden

welstand mogt ontvangen, en dat wij elkander eerlang weer mogen

ontmoeten. Dan zal ik u veel, veel te vertellen hebben. Deze brief

heeft langer geduurd dan het gevecht bij Bronkhorstspruit; ik heb

nog nooit zoo'n langen brief geschreven.

_Uw liefhebbende Man_

DIRK KLOPPERS.

De Scherpschutters van Zuid-Afrika: Een Verhaal uit den Vrijheidsoorlog 1880-81 · 第 11 / 20 题