--------
HOOFDSTUK XII.
------
In een aan het wagenhuis aangebouwden vleugel, het "kookhuis," staat
vrouw Kloppers met opgestroopte mouwen en hoogroode wangen voor den
brandenden bakoven.
Daarnaast staat de trog met deeg, dien zij met een paar Kaffermeiden
gaat bewerken.
"Ga mij uit den weg," zegt zij ijverig tot Arie, die voortdurend
voor haar voeten loopt.
De jongen heeft het slecht naar zijn zin. Sinds eergisteren,
Zaterdag, toen zijn grootvader met de anderen vertrok, heeft hij
aldoor maar gezeurd.
Hij ziet er geen gat in, om aan de voorwaarde, door zijn grootvader
gesteld, te voldoen, en daarom is hij zoo lastig.
Hij zoekt ruzie met zijn zuster, scheldt op de Kafferknechten en
loopt zijn grootmoeder in den weg.
"Ga mij toch uit den weg," zegt vrouw Kloppers nog eens met nadruk,
een takkebosch in den oven werpend, die van hitte blaakt.
"Zij mogen allen vechten," moppert hij, zonder op de vermaning van
zijn grootmoeder te letten, "zelfs de lange Leen Blok met zijn
mageren hals, en ik kan thuis blijven en op de kippen passen."
"Wees toch bedaard," herneemt zijn grootmoeder, "gij zijt nu zoo
goed als plaatsvervanger van uw grootvader; me dunkt het is een
eerepost."
"Nou," zegt hij gemelijk, "zoo'n eerepost kun je van mij cadeau
krijgen."
Daar komt Lena aan en wil hem opbeuren, maar hij valt haar op
geprikkelden toon in de rede en roept: "Schei maar uit met je
praatjes. Help mij maar liever aan een Engelsch paard en aan een
Engelsch geweer; dat zou je knapper staan. Ze zeggen allemaal, dat
jij zoo verschrikkelijk schrander bent voor je leeftijd -- waarom
help jij me daàr niet aan?"
Doch vrouw Kloppers noch Lena nemen nu verder notitie van hem. Hij
staat nog eenige oogenblikken te druilen, draait zich om op zijn
linkerhiel en begeeft zich naar buiten, achter het huis.
Hij plaatst de handen aan zijn mond en roept uit alle macht:
"Columbus, ouwe Columbus!"
De geroepene, die in den boomgaard bezig is, komt gauw aanloopen en
zegt: "Baassie 1), wat is 't?"
"Haal van den zolder de twee geweren, die er nog zijn, en breng
ammunitie mee. Zadel dan mijn klepper -- _gij_ kunt den schimmel
nemen. Wij gaan op de jacht."
Binnen een half uur is alles gereed, en na zijn grootmoeder en Lena,
die blij zijn, dat hij er uittrekt, gegroet te hebben, werpt hij het
oude pangeweer met het zelfbewustzijn van een leeuwenjager over den
schouder en springt in het zaâl.
Columbus, eveneens met zoo'n geweer gewapend, rijdt naast hem.
Het is nog vroeg in den voormiddag.
"Waar rijden wij heen, baassie?" vraagt Columbus, nadat zij zeker
een uur zwijgend naast elkander hebben voortgereden.
"Dat kan me niet schelen," zegt Arie onverschillig, "al rijden we
midden onder de leeuwen."
"O baassie," zegt Columbus, en hij strekt zijn langen arm naar het
noorden, "dáár in de verte, hier nog een paar uur rijdens van daan,
heb ik verleden week leeuwensporen ontdekt."
Arie is door deze mededeeling blijkbaar verrast, maar hij houdt zich
kordaat en wendt den teugel van zijn paard.
Ze trekken nu over het golvende grasveld recht het noorden in, maar
na twee uren stevig doorgereden te zijn, hebben zij de leeuwensporen
nog niet ontdekt.
Nu wordt echter afgezadeld, en aan den zoom van een bosch, de
uitgedroogde bedding van een spruit aan hun voeten, zetten zij zich
neder.
Arie strekt zich lang uit op den grond; naast hem hurkt de Kaffer,
en hij staart zijn jongen meester aan met zijn groote, zwarte oogen.
Columbus is een Zoeloe-Kaffer, en de diepe naad, die over zijn
rechterarm loopt, zou u heel wat kunnen vertellen.
't Is een verschrikkelijke dag geweest, toen een jonge Boer het mes
over zijn arm haalde; een verschrikkelijke dag voor de Boeren.
Pieter Retief 2) met de zijnen hadden zich als gasten nedergezet aan
den haard van den Zoeloe-koning Dingaan, en de koning liet hen
_verraderlijk_ vermoorden. Niet één der Boeren ontkwam; zij werden
allen vermoord. _Zeventig_ man, in de kracht van hun leven. En hun
lichamen werden op den moordheuvel gesleept, en prijs gegeven tot
een spijze voor het wild gedierte en den vogel in de lucht.
't Is 43 jaar geleden, dat het is gebeurd. Onze Kaffer was toen 17
jaar, en diende bij het regiment der blauwe schilden, dus genoemd
naar de kleur hunner schilden.
Hij heeft het vreeselijk bloedbad met eigen oogen aanschouwd, en
toen kreeg hij de snede over den arm. Hij weet alles nog haarfijn.
Hij weet te vertellen, hoe langs de gelederen der Boeren de kreet:
"Verraad!" gilde, hoe zij hun messen trokken en als leeuwen vochten,
tot de knodsen der Zoeloe's hun de hersenpan verbrijzelden.
Doch de Boeren wreekten het onschuldig vergoten bloed, en sloegen de
dappere regimenten van koning Dingaan uit elkaar. En Columbus, wiens
koning verslagen was, werd knecht bij Gert Kloppers en later, na
diens dood, knecht bij Dirk Kloppers.
Maar op dit oogenblik denkt Columbus niet aan de vreeselijke dagen
van 1838.
Hij zit gehurkt naast zijn meester en kijkt hem aan met zijn trouwe
oogen.
"Wat is 't, baassie?" vraagt hij.
"'t Is niks, Columbus," zegt Arie, die zachtjes aan in een beter
humeur is gekomen. "Ik denk maar aan jouw naam. Weet jij, naar wien
je bent genoemd?"
"Neen, baassie," zegt de Zoeloe-Kaffer, "hoe zal ik dat weten?"
"Jij bent genoemd naar een der grootste mannen, die ooit hebben
geleefd, Columbus," zegt Arie met een geleerde plooi in zijn leuk
gezicht.
"Heb je ooit de zee gezien, Columbus?"
"Neen, baassie, nooit!"
"Kun jij je voorstellen, dat al het veld hier vóór je water is?"
"Neen, baassie," zegt de Zoeloe eerlijk.
"Waarom niet, Columbus?"
"Omdat het veld is en geen water, baassie."
"Jij bent een uilskuiken," zegt Arie onwillig; "een echt
uilskuiken!"
"Hoe moet ik je nou in vredesnaam aan 't verstand brengen, wat een
zee is?" vraagt hij ongeduldig.
"Is ze zoo breed als de groote rivier in 't noorden, waar de
olifanten drinken, baassie?"
"Ja, zoo groot is ze," zegt Arie; "dat wil zeggen, vijftienduizend
maal grooter."
"Zóó," zegt de Kaffer, en hij slaat de lange armen van verbazing
boven zijn hoofd te samen, "zóó, baassie!"
"Over zoo'n zee is Columbus, je naamgenoot, heen gevaren."
"Met een ossenwagen, baassie?"
"Neen, domme Kaffer, met geen ossenwagen -- met een schip!"
"Dat ken ik niet, baassie!"
"Nu, denk dan maar met een drijvenden ossenwagen!"
"Naar waar moeten ze 's avonds dan uitspannen, baassie?"
Doch bij deze vraag springt Arie op.
"Schepsel, schepsel, wat ben jij dom," zegt hij driftig. "Jouw
kop is te groot, en jou hersenpan is te dik. Er kan geen gedachte
door, Columbus. Begrijp je dan niet, dat ze _nooit_ uitspannen? Zij
zeilen dag en nacht, totdat zij den anderen oever hebben bereikt."
"O baassie, wat ben jij slim," roept de Kaffer in ongekunstelde
bewondering.
"Ten minste, als ik zoo dom was als jij, dan zag het er treurig met
mij uit," antwoordt de jongen met waardigheid.
"En nu zal ik je vertellen, hoe Columbus Amerika heeft ontdekt."
Bij dit woord helderen de zwarte oogen van den Kaffer op, alsof hij
reeds land ontdekt in de verte.
"Baassie bedoelt zeker onzen Amerika?" vraagt hij nog ten
overvloede.
"Jij meent den jongen Kafferknecht, dien Grootvader verleden jaar
heeft gehuurd?" is de wedervraag van Arie.
Columbus knikt met het groote hoofd, maar hij leest reeds uit de
verbaasde oogen van zijn jongen meester, dat hij weer erg onnoozel
is geweest.
"Neen, onzen Amerika bedoel ik _niet_," zegt Arie met nadruk,
terwijl hij op den grond stampt, "maar ik bedoel een verschrikkelijk
groot land, dat aan den anderen kant van de groote zee ligt."
"Goed, baassie," zegt de Kaffer gedwee, "ik luister."
Nu deelt Arie aan den luisterenden Columbus de moedige daden mede
van zijn grooten naamgenoot.
"En hebt ge 't nu goed begrepen, Columbus?" vraagt hij, aan het
einde gekomen van zijn verhaal.
"Ja, baassie, heel goed," zegt de Kaffer.
"Vertel het mij dan eens na," zegt baassie.
Columbus stut nu het groote hoofd tusschen zijn beide handen, fronst
de wenkbrauwen en begint:
"Columbus ging op een drijvenden ossenwagen zitten met zijn knechten
en meiden --"
"Dat gaat heel goed," zegt Arie bemoedigend.
"En ze dreven dag en nacht op de groote zee, waar dieren zijn, zoo
groot -- zoo groot als baas Kloppers' wagenhuis."
"Heel goed," knikt Arie lachend.
"En zij kwamen eindelijk aan land. En er stonden een groote hoop
Kaffers aan den oever, en zij zeiden: 'Ben jij 't, baas Columbus?' En
hij zeide: 'Ja, ik ben baas Columbus; is dat hier Amerika?'"
"En zoo hebben de witmenschen Amerika ontdekt." Columbus is voldaan
over zich zelve; hij lacht van plezier, omdat hij 't er zoo goed
heeft afgebracht, en zijn tanden blinken als sneeuw tusschen het
zwarte vel. De jeugdige onderwijzer lacht ook en hij zegt: "O
Kaffer, o Kaffer, ik zal je aan je ezelsooren komen," en hij trekt
hem aan zijn lange ooren.
Zij hadden reeds eenigen tijd naast elkander gezeten, nu en dan een
slok koffie nemend uit de veldflesch, toen de Kaffer plotseling
voorzichtig overeind rees en fluisterde: "Baassie, ginds weidt een
hert."
"Waar?" vraagde Arie.
De Kaffer wees hem de richting, en Arie ontdekte eveneens het wild.
Beiden namen nu behoedzaam hun snaphanen op, en Arie zeide met
zekere plechtigheid: "Columbus, dat hert moet het mijne worden. Loop
nu het beest voorzichtig vooruit, en keer het van voren."
Dat was naar Columbus' zin; nu kwam hij in zijn element. Eerst liep
hij met de snelheid van een hardlooper in een grooten boog om het
hert heen; vervolgens wierp hij zich op den buik, en sloop als een
slang vooruit.
Arie kon hem duidelijk naoogen door de beweging van het lange gras,
dat zijn spoor aanwees, en nu en dan keek de kroeskop voorzichtig
boven het gras uit, om snel weer weg te duiken.
De jongen besloop nu het beest van achteren tot op een afstand van
120 pas en legde aan. Maar het hert scheen onraad te vermoeden, en
hief den schoonen kop onrustig omhoog.
Arie hield zich doodstil.
Het dier begon weer te grazen. In de richting, waar de Kaffer moest
zijn, bewoog zich geen grashalm meer.
Nu mat Arie nog eens met het oog den afstand, mikte en drukte af.
Als van den donder getroffen stortte het dier neer. Het had genoeg.
Een woesten zegekreet slakend, kwam de Zoeloe nu aanhollen, maar
Arie stapte, met het geweer in de hand, kalm en bedaard op het
geschoten beest af.
Doch zijn oogen tintelden van voldoening.
"Ouwe Columbus," zeide hij, "gij krijgt een knappen baas; hij schiet
zoo maar een hert, dat de haren er afstuiven."
"Ja," zeide Columbus, "gij wordt een knappe baas," maar naar de
verte turend, waar een groep boomen stond, riep hij, niet weinig
ontsteld: "En daar komt nog een knappe baas aanstappen, baassie!"
Arie volgde de richting van Columbus' uitgestrekten arm en
verbleekte. Hij vluchtte achter een boom, en de Zoeloe volgde zijn
voorbeeld.
Die knappe baas was een leeuw.
Bedaard stapte de koning der dieren voort, tot hij het geschoten
hert had bereikt. Hij besnuffelde het en sloeg er zijn tanden in. En
hij scheurde er lappen vleesch af, want hij had honger.
Arie zag, hoe hij zijn muil aflikte; dat versche vleesch beviel hem
uitstekend.
Bij den jongen was nu de eerste schrik voorbij, en hij dacht: "Zie,
hij doet net, of _hij_ het hert heeft geschoten," en hij wenkte den
Zoeloe.
"Kijk, ouwe Columbus," fluisterde hij, "dat ondier vreet mijn hert
op, dat _ik_ geschoten heb, en dat is voor een fatsoenlijk mensch
onverdragelijk. Besluip jij nou den leeuw van voren, en ik zal hem
van achteren besluipen. Zal je niet wegloopen, ouwe Columbus, als de
ouwe begint te brullen?"
"Neen," zeide de Zoeloe, "ik zal niet wegloopen, en ik zal den leeuw
voor baassie schieten."
"En als gij misschiet, ouwe Columbus?"
"Ik zal eerder mijn baassie aanzien voor een eendvogel, dan dat ik
misschiet."
Nu gingen beiden aan het werk, om hun vijand, die zijn middagmaal
bedaard naar binnen sloeg, van twee kanten te naderen.
Columbus nam zijn geweer en schoot, zonder te raken.
"Ik dacht het wel," mompelde Arie; "de Kaffers schieten altijd te
hoog."
Dreigend schudde de leeuw zijn vorstelijke manen, en rende op zijn
aanvaller af. Deze greep in zijn angst een zwaren klipsteen, om er
den kop van zijn geluchten tegenstander mee te verbrijzelen, maar
hij struikelde over een klip en viel.
De leeuw was nu vlak bij, en besnuffelde hem van de voeten tot het
hoofd. En hij begon het achterhoofd van den Kaffer te likken, zooals
de kat de muis likt.
Maar Columbus, die gedurende het besnuffelen onbewegelijk als een
doode plat tegen den grond had gelegen, kon dit likken niet
uitstaan.
"Zeg, leelijk ding," riep hij in zijn verbouwereerdheid, "blijf met
jouw viezen bek van mijn kop," en hij greep een hoop mul zand en
wierp het den leeuw in de oogen.
Hij had den leeuw letterlijk blind gegooid, en het monster trachtte
de oogen met de pooten schoon te wrijven. Ware de toestand niet zoo
hachelijk geweest, dan had men er om moeten lachen, doch nu was het
waarlijk geen tijd, om te lachen.
Arie stond achter den boom en zag alles. Hij nam het geweer, mikte
en schoot. Maar slechts het kruit ontplofte met een zwakken knal;
Arie, die het hert had geschoten, had vergeten, op nieuw te laden.
De leeuw, die thans weer uit zijn oogen kon zien, verdacht den
Kaffer van den knal, en naderde hem op nieuw. Hij zweepte met zijn
staart het droge zand, zoodat het opdwarrelde als een stofwolk, en
zijn gebrul rolde als een donderslag over het veld.
Arie beefde er van, en Columbus trok den versleten demi-saison, dien
hij eens van een zendeling had gekregen, zoo goed als het ging over
zijn ooren, om het geluid niet te hooren.
De leeuw sperde intusschen zijn vreeselijken muil op, om er het
hoofd van den Zoeloe-Kaffer mee te omvatten.
Met ingehouden adem, terwijl hij snel laadde, zag Arie het aan.
Elk oogenblik verwachtte hij, dat de leeuw den ongelukkige het hoofd
van den romp zou scheuren.
Maar 't gebeurde nog niet.
"O ouwe Columbus," zeide Arie in zich zelve, "misschien, dat jouw
groote kop, die zoo hard is als een klipsteen, jouw behoud is."
Werkelijk scheen het zoo; de leeuw ging een paar passen terug. De
Kaffer gaf geen geluid, en de leeuw liet een gebrul hooren, dat hem
het bloed in de aderen stolde.
Maar Arie legde aan en drukte af. Toen verstomde het gebrul, en met
den doodelijken kogel tusschen de bladen, stortte de leeuw dood
neer.
De Kaffer was gered.
"O ouwe Columbus," riep de jongen met van vreugde-stralend gelaat,
"daar had de leeuw je bijna opgepeuzeld."
"Ja, baassie," zeide Columbus, "dat zou wel gebeurd zijn, als baassie
niet zoo'n knappe scherpschutter was. En nu zullen we het beest de
huid afstroopen, baassie."
Het was laat in den avond, toen Arie met Columbus thuis kwam.
Zijn grootmoeder stond met een strak gelaat over de onderdeur te
kijken, en Lena leunde droevig tegen den muur.
"De Engelsche soldaten zijn van daag gekomen," zeide zij klagend,
"en hebben twaalf paarden en zestig koeien en ossen meegenomen."
"Die dieven!" riep Arie verschrikt en vertoornd, en Columbus sloeg
van verbazing zijn lange armen in de hoogte.
"Kees Botter was hun gids," vervolgde het blinde meisje; "en ze
hebben Geertje, onze beste melkkoe, ook mede genomen."
Maar de oude vrouw klemde de lippen op elkaar, en sloot zwijgend de
bovendeur.
1) Jonge, kleine baas.
2) Zie "Helden van Zuid-Afrika," pag. 130.
--------
HOOFDSTUK XIII.
------
Reeds vroeg in den volgenden morgen was Arie opgestaan. Hij had
slecht en onrustig geslapen. En in zijn woeste droomen had hij
geworsteld met de Engelsche roovers, die de paarden en de koeien
stalen van zijn grootvader. En Columbus had hem trouw bijgestaan.
Maar de overmacht was te groot, en zij hakten Columbus het groote
hoofd af. En toen hadden zij hem, Arie, gegrepen, en ofschoon hij
als een wanhopige had geschopt en getrapt, had hij er toch aan
moeten gelooven, en zij hadden hem achter het huis gesleept, en in
den mestput gegooid.
Maar toen was hij wakker geworden en had bemerkt, dat hij uit de
houten bedstee was gerold.
Hij kleedde zich aan. Van de grijspillowsche broek waren de pijpen,
van het wambuis de mouwen veel te kort. Dat kwam, doordat hij overal
uitgroeide. Nu ging hij naar het ruime achterhuis, nam een emmer
water en wiesch zich met de onstuimigheid van een waterval.
Het was nu dag, en door de scheuren en de spleten van den muur viel
de dageraad in volle lichtbundels naar binnen.
In het woonvertrek was vrouw Kloppers bezig, koffie te zetten. Arie
ging naast haar zitten en zeide: "Grootmoeder, ge moet je dat maar
niet aantrekken van de paarden en koeien; dat komt terecht."
"Dat is ook waarlijk het ergste niet," zeide vrouw Kloppers, die aan
haar man dacht en aan haar zoon.
"Dat komt terecht," zeide de jongen nog eens, terwijl hij zich een
kop koffie inschonk, en het harde, bruine brood, dat zijn
grootmoeder vóór hem had neergezet, tusschen zijn jonge, sterke
tanden nam.
Na het ontbijt ging Arie naar den boomgaard en zette zich neder in
de schaduw van een abrikozenboom.
"Zoo," zeide Columbus, die voorbij kwam, met eenige droge huiden op
den rug, "zit je daar naar de lucht te kijken, baassie?"
"Neen, ik zit naar den grond te kijken, ouwe Columbus."
"Zoo," zeide de Kaffer, zijn weg vervolgend.
"Hoor eens, Kaffer!" riep Arie.
Columbus keerde onmiddellijk terug, nieuwsgierig, wat zijn jonge
baas te zeggen had.
"Zeg, houd je veel van de Engelschen?"
"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer.
"Ouwe Columbus, je moet me helpen, hoor!"
"Waarmee, baassie?"
"Ik moet een Engelsch paard en een Engelsch geweer zien machtig te
worden -- hoe leg ik dat aan?"
"Dat weet ik niet," zeide de Kaffer, met de zwarte handen nadenkend
door zijn kroeshaar strijkend, "dat weet ik waarlijk niet."
"Dus je denkt, dat ik geen Engelschman aan durf?" zeide Arie ietwat
geprikkeld, terwijl hij opstond en zich uitrekte.
"Baassie," antwoordde de Zoeloe, "hij, die binnen een uur tijds een
hert en een leeuw doodschiet, behoeft voor geen Engelschman op zij
te gaan."
"Dat meen ik ook," zeide de jongen, niet weinig gestreeld.
"Hoor eens hier, Columbus," ging hij voort op vertrouwelijken toon,
"zóó kan 't niet langer. De Engelschen stelen als raven. Daar moet
een eind aan komen. Ik ga vechten, wis en zeker. Maar als ik geen
Engelsch paard en geen Engelsch geweer machtig word, dan wil
Grootvader mij niet zien. Nu vraag ik jou nog eens: Hoe kom ik er
aan? Als jij mij raad geeft, dan sta je in mijn gunst zoo vast als
een boom."
Arie ging nu weer zitten, en Columbus zette zich naast hem. De zaak
kreeg voor hem zelf een ernstige beteekenis. Hij stutte het hoofd
met zijn groote handen, net als zijn baassie, en tuurde strak naar
den grond.
"Maar jij behoeft me niet na te apen," zeide Arie driftig; "dat
helpt niemendal."
"Neen, baassie," zeide Columbus, en zich op zijn breeden rug
werpend, keek hij in de lucht.
"Baassie," zeide hij eindelijk, "kan je schrijven?"
"Niet al te best," antwoordde Arie met een zucht.
"Dat is jammer," zeide Columbus ernstig.
"Waarom jammer?"
"Wel, dan kon baassie aan den Engelschen generaal per brief vragen,
hoeveel hij voor een paard en een geweer vraagt, en ik zou den brief
wel bezorgen. -- Maar 't zal wel niet uithalen," liet hij er
mismoedig op volgen, toen hij al weer een nieuwe donderbui op het
gelaat van zijn jongen meester zag opkomen.
"Neen, dat zal zeker niet uithalen, domkop," zeide Arie toornig.
Nu volgde er een nieuwe pauze, maar plotseling snelde de Kaffer
omhoog. Hij zwaaide met armen en beenen, en begon druk, onder
levendige gebaren, met zijn meester te praten.
Wat hij zeide, scheen blijkbaar in goede aarde te vallen, want Arie
knikte herhaaldelijk zeer vergenoegd, en wreef zich de handen van
plezier.
"Wat moet er gebeuren?" vraagde vrouw Kloppers, toen haar kleinzoon
kwam binnenstormen.
"Ik zeg niets," antwoordde hij geheimzinnig, maar hij was opgeruimd.
"Ik begrijp je niet," zeide zijn grootmoeder.
"Later zul je 't vernemen," zeide hij.
"Je bent een vreemd kind," zeide zij.
"Ik _ben_ geen kind," zeide hij; "je zult van me hooren."
Ga op dezen, met struikgewas begroeiden heuvel staan. Ge hebt nu een
ruimen blik over de onmetelijke golvende wildernis. Het breede,
gele, zanderige spoor, dat er zich als een reuzenslang doorheen
kronkelt, is het transportpad. 1)
Het pad loopt tot vlak tegen den heuvel aan, en splitst zich hier in
twee wegen, die rechts en links gaan.
Op dezen driesprong houdt Columbus, die zijn jongen baas tot gids
dient, den teugel in van zijn paard en stijgt uit het zaâl.
"Hier moeten ze voorbij komen," zegt de Kaffer met gewichtige
houding; "hier heb ik ze heen zien komen. En ginds in dat bosch
rechts gaan ze pleisteren."
"Goed," zegt Arie, die ook uit het zaâl is gesprongen. "Ga jij nou
met de paarden achter de doornstruiken ginds, opdat men jou van het
transportpad af niet kan zien. Laat jou geweer ook hier, want ik heb
het misschien wel noodig. En ik zal hier de wacht houden!"
"Als je hulp noodig hebt, dan fluit je maar, baassie!" zegt de trouwe
Zoeloe; "voor mijn jongen baas waag ik mijn kop."
Arie knikt, en terwijl Columbus zich verwijdert met de van zweet
druipende paarden, verbergt de jongen zich in het struikgewas op den
heuvel, geduldig wachtend op het paard en het geweer, dat hij moet
bezitten, om mee te mogen in den oorlog.
Hij kan van hier uit het transportpad met zijn scherpe oogen tot aan
den horizon bestrijken.
Het is nu middag, en loodrecht, brandend en gloeiend vallen de
zonnestralen op het versmachtend aardrijk. Twee grijze wolkjes
hangen als schaduwen aan den diepblauwen Afrikaanschen hemel, en
onbewegelijk, door geen windje bewogen, staan de spichtige, harde
grashalmen.
In de nabijheid van het transportpad, bij den driesprong, ligt een
doode os. Hij is, bij het trekken van den zwaren wagen, vermoedelijk
van honger en dorst bezweken en toen achtergebleven.
Een troep gieren, de doodgravers der Afrikaansche wildernissen,
hebben zich op zijn romp gezet, en scheuren het beest met klauw en
snavel het vleesch van de harde knoken. Zij betwisten elkander de
stukken, en hun schor en brutaal gekrijsch klinkt akelig door de
stilte.
Doch overigens ligt het transportpad daar doodsch, eenzaam en
verlaten.
Reeds een uur heeft Arie op de loer gelegen en nog niets ontdekt.
Hij verkwikt zich met een teug Kaapschen wijn uit de veldflesch,
neemt een stuk biltong en veegt zich het zweet van het gelaat.
"O ouwe Columbus," denkt hij, "als je 't weer eens mis hadt!"
Hij staart naar het transportpad -- en dáár -- daar ziet hij een
stofwolk oprijzen.
"'t Was niks!" zegt hij even later teleurgesteld tot zich zelven.
De plotselinge stofwolk, die omhoog wervelt alsof ze door een
windhoos is opgepakt, wordt veroorzaakt door een dicht
ineengedrongen kudde slanke blesbokken, die als een groote schaduw
dwars over het transportpad door het onmetelijk grasveld rent.
Met bewonderenswaardig geduld houdt Arie keep. Het is nog stiller
dan daar straks, want het gekrijsch der gieren is verstomd.
Toen het maal was afgeloopen, hebben zij hun zware vleugels
uitgeslagen en zijn weggevlogen, om de schaduw der boomen op te
zoeken.
Er verloopt weer een half uur -- nog een half uur -- "O ouwe
Columbus," mompelt Arie, "wee je gebeente, als niet uitkomt, wat je
gezegd hebt."
Maar zie daar -- ver aan den horizon word een stofwolk zichtbaar. Er
is geen twijfel aan -- het is een stofwolk.
Als een zucht van verlichting komt het uit Arie's borst, al begint
zijn hart sneller te kloppen.
Met strak gelaat en uitgerekten hals staart hij naar de verte, wel
een kwartier lang, maar dan schudt hij mismoedig het hoofd en zegt
ontstemd: "'t Is een ossenwagen wat heb ik aan een ossenwagen?"
Hotsend, stootend, rammelend nadert de volgeladen wagen, en het
geknal der lange zweep, de kommando's van den blanken voerman en het
geschreeuw der bijloopende Kaffers verbreekt de stilte der
wildernis.
Reeds kan Arie de acht juk bruine ossen onderscheiden, die den
sterken wagen langzaam voorttrekken, en met hun stampende pooten
dichte stofwolken omhoog werpen.
Nog een kwartier houdt de jongen stand op zijn observatiepost, maar
dan is het ook gedaan met zijn geduld. Hij staat op, steekt twee
vingers in den mond en fluit lang en driftig.
Met de snelheid van een hert komt de Zoeloe aanrennen; in de verte
grazen de gekluisterde paarden.
"Nou," zegt Arie op luiden, toornigen toon, "waar blijven jouw
Engelschen nou? Ik lig me daar van ongeduld de lever op te eten in
de doornstruiken, uren achtereen, en wat heb ik gezien? Het kreng
van een beest, een hoop blesbokken en een hotsenden ossenwagen!"
"Baassie," zegt Columbus gedwee, "ik zal eens kijken!"
"Ja, doe dat eens," zegt Arie spottend.
Columbus gaat boven op den top van den heuvel staan en tuurt naar
den horizon.
"Nou, zie je niets?" vraagt de jongen, maar de Zoeloe hoort die
vraag niet eens. Hij verroert zich niet. Al zijn aandacht is op de
verte gericht.
Er volgt een pauze van zeker tien minuten, tot de Zoeloe plotseling
roept: "Ik zie een stofwolkje, baassie, een heel klein stofwolkje."
Arie is onmiddellijk aan zijn zijde.
"Wat denk je van dat stofwolkje, ouwe Columbus?" vraagt de jongen in
spanning.
"Wat ik daarvan denk, baassie?" zegt de Kaffer. "Wacht nog een
oogenblik, en wij weten 't."
Het kleine stofwolkje wordt intusschen allengs grooter en nadert
tamelijk snel.
In klimmende opwinding staart Arie, de hand boven de oogen, vooruit.
Nu en dan blinkt en fonkelt het door die naderende stofwolk heen.
"Achter deze doornstruiken!" roept Arie; "gauw!"
Nu zijn zij door het struikgewas gedekt.
"Ziet baassie nu ook," zegt de Zoeloe, "dat ik het niet mis heb
gehad? Kunt gij de blauwe uniformen niet onderscheiden van die twee
Engelsche huzaren?"
"Ouwe Columbus is nog zoo dom niet," voegt hij er tevreden aan toe.
Maar Arie hoort de laatste woorden niet eens; zijn hart bonst alsof
het bersten zou. Hij ziet het gevaar, waaraan hij zich waagt, maar
dat hij het nochthans waagt, pleit voor zijn _moed_.
"Ouwe Columbus," zegt hij, "dus in dat boschje daar rechts gaan ze
pleisteren?"
"Ja baassie," zegt de aangesprokene.
"Luister dan goed," vervolgt de jongen. "Ik sluip de huzaren na, en
gij volgt mij op eenigen afstand. Ge moet het voorzichtig doen, als
de slangen van Zoeloe-land, Columbus."
"Laat dat maar aan mij over," meent Columbus.
"Als ik in de knoei raak, dan zal ik fluiten, en gij komt mij te
hulp -- kan ik daarop rekenen?"
"Ja," zegt de Zoeloe. Zijn oogen beginnen te schitteren en te
stralen, en in dat licht wordt het breed, hoekig, zwart gelaat bijna
schoon.
"Voor zijn baassie gaat de ouwe Columbus in den dood."
Arie zelf is getroffen door deze groote, zeldzame trouw. "Ouwe
Columbus," zegt hij hartelijk, "ik vertrouw op jou."
De huzaren, die tot nog toe op een draf reden, halen den teugel van
hun moede paarden in en laten ze stappen. Zij zijn nu dichtbij; Arie
kan hun gesprek verstaan.
De ruiter rechts, de grootste, een stevige kerel, is een
wachtmeester; de andere een gewoon huzaar.
"Ik stik van dorst," zegt de wachtmeester verdrietig.
"'t Is hier om te braden," zegt de huzaar.
"'t Is een hondenbaantje, om die rapporten over te brengen door
zoo'n kale, gloeiende woestijn," zegt de wachtmeester.
"Ginds hebben we ons bosch; daar kunnen we weer uitblazen," zegt de
huzaar op vroolijken toon.
"Ja, die schaduw zal ons opknappen -- heb je nog wat in je
veldflesch?"
De huzaar houdt de veldflesch omhoog.
"Er zit niet veel meer in, wachtmeester, maar toch nog wel een paar
slokken."
"Mooi," zegt de wachtmeester, "een slok brandewijn is goed bij die
hitte," en de veldflesch overnemend, doet hij een flinken teug.
De ruiters hebben thans den driesprong achter den rug, en zijn den
weg rechts ingeslagen. De dorstige paarden beginnen weer te draven,
want zij ruiken het water in de verte.
In het lange Tamboeki-gras ontstaat een golvende beweging. In
gebukte houding stormt een jongen de huzaren na. Hij heeft een
geweer over den schouder en in zijn rechterhand nog een geweer. In
de linkerhand houdt hij den breedgeranden hoed, opdat die hem niet
verlaten zal.
Die jongen is Arie.
Het zweet loopt tappelings over zijn gelaat, en hij hijgt naar adem.
Toch houdt hij vol. Ik geloof, dat hij vol zou gehouden hebben,
totdat hij er dood bij was neergevallen. Maar tot dit uiterste komt
het gelukkig niet. Wel hebben de huzaren een voorsprong, maar dat
hindert niet, want zij hebben het bosch reeds bereikt en springen
uit het zaâl.
Dicht bij is een groote waterpoel. Zij leiden hun paarden bij den
teugel en drenken ze. In lange, gulzige teugen drinken de dieren het
drabbige water.
Nu nemen de huzaren een paar lange helsters, en binden hun paarden
vast aan een boom, aan den rand van het bosch. De hongerige dieren
grazen het gras af, dat zij kunnen bereiken.
Zelf gaan de ruiters eenige schreden verder het bosch in, en zetten
zich neder onder een hoogen eik, die een breede, koele schaduw
werpt.
Hun karabijnen en patroontasschen leggen zij naast zich.
Op eenigen afstand stroomt een kleine beek. Zij hooren het bruischen
van haar water over de steile klippen.
"Dat water zal lekkerder zijn dan het zeepsop uit dien poel," zegt
de wachtmeester; "ik ga eens drinken."
De huzaar gaat ook mee. De wachtmeester kijkt nog even om naar de
karabijnen.
"Die liggen daar veilig," zegt hij. "Trouwens ik zal ze wel in de
gaten houden."
"De aasvogels zullen ze niet stelen," zegt de huzaar; "en de Boeren
zullen er wel afblijven."
"Neen, dat vee van Laban zal ons geen kwaad doen," zegt de
wachtmeester lachend en hij rekt zijn forsche leden.
Zij hebben spoedig de beek bereikt, en verfrisschen zich aan het
koele, heldere water.
Van het groot en vreeselijk gevaar, dat hen bedreigt, hebben zij
niet het minste vermoeden. Zij zien het fonkelen van die twee jonge
oogen niet -- daar achter den doornstruik -- dicht bij den hoogen
eik, waar de geladen karabijnen en de patroontasschen liggen.
"Geef mij die veldflesch nog eens," zegt de wachtmeester.
[Illustratie: Arie en de Engelsche Huzaren.
TRESLING & Co. HOF LITH. AMSTERDAM.]
Hij doet er nog een hartigen teug uit; vervolgens bukt hij zich en
lengt ze aan met water.
Nu kijkt hij op zijn horloge.
"Al vier uur," roept hij; "nou, we moeten ons haasten!"
Hij wendt zich naar den hoogen eik; de huzaar volgt hem.
Maar Arie is hen voor.
Hij doet een sprong als een jonge panter, die voor den eersten keer
zijn prooi bespringt.
"Daar heb je 't al," zegt de wachtmeester met een vloek; "nu wordt
het mooi!"
"Terug!" roept Arie, terwijl hij den loop van zijn pangeweer
dreigend op de Engelschen richt. Columbus' geweer ligt naast hem.
Maar de wachtmeester is niet zoo licht verschrokken. Hij is in
moeilijker posities geweest dan van daag, en hij draagt het
ridderlint voor moed en beleid op de borst. Hij heeft tegenover
geduchter vijanden gestaan dan tegenover dezen knaap, en toch heeft
hij zich nog altoos door een snel en stoutmoedig optreden gered.
De gedachte, om paard en wapen in den steek te laten en te vluchten,
komt niet bij hem op.
Hij trekt den sabel en stormt vooruit.
"Terug," waarschuwt de jongen nog eens, "of ik schiet je zoo zeker
dood als ik dit geweer in mijn handen heb."
"Omlaag je wapen!" roept de wachtmeester met dreunende stem.
Tot op zeven pas afstands is hij gekomen -- daar gaat het schot....
De Engelschman steigert omhoog als een wild geworden paard; dan
slaat hij voorover -- dood....
"Hij heeft niet anders gewild," mompelt de jongen. Dan grijpt hij
het andere geweer.
Daar kraakt het in het struikgewas, en als een hert, dat door de
bosschen heenbreekt, zoo komt Columbus aangestormd. In drie sprongen
staat de trouwe knecht naast zijn jongen meester, maar de huzaar,
die den wachtmeester volgde, heeft er genoeg van. Hij zet het op een
loopen, en vlucht dieper het bosch in.
Met bewonderende blikken hangt Columbus aan zijn jongen meester. "O
baassie," zegt hij, "gij wordt een knap schutter, en gij zult de
roodbaatjes schieten als boschduiven!"
Het was nacht, toen Arie en Columbus met de buitgemaakte paarden en
wapenen thuis kwamen.
Arie begaf zich naar zijn grootmoeder, die reeds te bed lag, en
zeide met de stem van een overwinnaar: "Grootvader stelde als
voorwaarde één Engelsch paard en één Engelsch geweer, maar ik heb
twee Engelsche paarden en twee Engelsche geweren veroverd. Nu,
Grootmoeder, wel te rusten, morgen trek ik naar het oorlogsveld!"