--------
HOOFDSTUK X.
------
"Oom Jan, waar is Kees gebleven, Kees Botter?" vraagde de blinde
Lena.
"Kees?" zeide Jan Kloppers, "Kees? Waarom vraag je dat?"
"Ik hoor zijn stem niet, Oom Jan."
"Wel, hij is zoo even de deur uitgegaan."
"In welke richting?" vraagde Lena.
"In welke richting? Jij wordt een nieuwsgierig nest, Leentje,"
schertste Jan; "daar heb jij niks mee te maken."
Maar zij tastte naar zijn handen en greep ze.
"Toe, zeg het mij," zeide ze dringend.
"Ik weet het niet," antwoordde hij, "maar maak je maar niet
ongerust; Kees zal niet zoo gauw verongelukken."
"'t Is te hopen," zeide ze op een eigen toon, maar nog dringender
dan zooeven smeekte zij: "Ga even kijken!"
"Is de zaak van zoo'n gewicht?" vraagde hij verwonderd.
"Dat weet ik niet," zeide ze, "maar laat Kees in geen geval iets
merken."
Jan ging nu naar buiten, en terugkomend zeide hij: "Kees wandelt
naar het bosch, doch wat hij in dat bosch heeft te maken, dat
begrijp ik niet."
"En ik evenmin," antwoordde het blinde kind.
Doch meer zeide ze niet.
Kees Botter was intusschen nog al gauw terug.
"Wat had je daar toch in dat bosch te maken?" vraagde Jan. "Wie?"
zeide Kees.
"Wel jij!" zeide Jan.
"O, ik heb daar op wild geloerd," zeide Kees.
"En ge gingt zonder geweer?" zeide Jan.
"Wie zegt dat?" vraagde Kees.
"Wel ik --," zeide Jan; "ik heb je nagekeken."
"O ja, 't is waar ook," antwoordde Kees; "ik had in de haast het
geweer vergeten."
"Zóó!" zeide Jan, maar Lena, die dit gesprek woord voor woord had
gehoord, dacht er het hare van.
"Twee maal," zeide ze tot zichzelve, "heeft hij van daag de bij ons
op bezoek zijnde buren er aan herinnerd, dat het reeds laat was;
drie maal heeft hij aan Grootvader gevraagd, wanneer en hoe laat hij
naar het oorlogsterrein denkt te vertrekken, en vier maal heeft hij
naar den koers gevraagd, dien Grootvader denkt in te slaan.
En wat heeft hij in 't bosch te maken? Het ligt in de richting van
het Engelsche kamp -- misschien heeft hij op een afgesproken plaats
een brief neergelegd -- ik denk er het mijne van."
In drukke beslommeringen was de dag ten einde gespoed. Het was reeds
laat, toen men zich ter ruste zou begeven, doch Kees Botter zou nog
even een luchtje gaan scheppen. Hij vond het zoo benauwd in huis.
Toen hij buiten de deur was, naderde Lena in heftige gemoedsbeweging
Jan Kloppers, haren Oom.
"Ik ga nog even naar het bosch," fluisterde ze. "Blijf ik te lang
weg, dan kunt ge mij in die richting zoeken."
Maar de jonge Boer keek haar aan met verbaasden blik; al te
raadselachtig klonken haar woorden.
"Ik begrijp je niet," zeide hij, en hij staarde haar in haar lief
gelaat, dat thans wit was als de kelk van een lelie.
"En ik _kan_ het je thans niet uitleggen," zeide ze.
"En ik _wil_ het weten," zeide hij.
Besluiteloos stond zij vóór hem.
"Laat me door," zeide ze, dringender dan zooeven. "Er hangt zooveel,
er hangt misschien alles van af."
Hare stem beefde van innerlijken angst, doch met klimmende verbazing
nam Jan Kloppers haar op. "Hoe meer er van afhangt, hoe minder ik
zin heb, je alleen te laten gaan. Als jou een ongeluk overkwam, zou
ik het mij nooit vergeven, dat ik je in den nacht alleen,
onvergezeld had laten gaan."
Radeloos wrong het blinde meisje haar handen.
"Zeg het mij," drong hij, "waarom je gaat. Ik zal het niet
vertellen."
Er was geen andere uitweg; zij moest.
"Nu dan," zeide ze, "ik zal je mijn geheimen toevertrouwen," en in
korte, haastige, afgebroken woorden, met horten en stooten, deelde
zij haar gedachten en vermoedens mee.
Maar reeds voor zij was uitgesproken, helderde het gelaat van den
jongen Boer op.
Hij schaterlachte.
"Als 't anders niet is," zeide hij, "dan zal 't wel losloopen. Kees
Botter een verrader -- hoe kom je er aan! Maar ga maar -- nu ben ik
gerust. Ten minste als je het pad kunt vinden."
"Ik heb het al zoo dikwijls geloopen," zeide ze.
"Ja," zeide hij, "dat is waar."
"En als ik te lang weg blijf, zal je me dan gaan zoeken?"
"Natuurlijk zal ik dat doen," zeide Jan Kloppers.
"Maar 't zal niet noodig zijn," liet hij er op volgen.
Het was volle maan; Lena wist het. En om zich niet te verraden,
kroop zij meer dan zij ging het voetpad uit.
Nu en dan tastte zij naar het gras, aan weerszijden van het pad, om
op het rechte spoor te blijven.
Nu ving haar scherp gehoor het geluid op van een zich verwijderenden
voetstap.
Dat moest Kees Botter zijn.
Hij was het ook.
Lena strekte zich uit op het voetpad, om niet ontdekt te worden. Zoo
kroop zij voorwaarts.
Drie keeren hield het geluid van den voetstap op. Telken keer bleef
Botter behoedzaam, luisterend staan, maar geen onraad bespeurend,
ging hij dan weer door.
Eindelijk was het bosch bereikt.
Lena hoorde het aan het ruischen van het loover, en zij voelde het
aan de verdorde bladeren op den grond.
Daar knakte het in hare onmiddellijke nabijheid tusschen het
struikgewas.
Argwanend keerde Botter zich om, en hij begaf zich in de richting
der blinde. Zij kon het duidelijk hooren aan het naderen van zijn
stap.
Zij drukte zich tegen de struiken aan, maar zij legde de hand op de
borst, uit vreeze, dat het bonzen van haar hart haar zou verraden.
Rakelings ging de jonge Afrikaander langs haar heen.
Maar hij zag haar niet, want het licht der maan werd juist
onderschept door een donkere nachtwolk, en de duisternis werd nog
verzwaard door het gebladerte, dat zich welfde boven het voetpad.
"Een springbok is hier voorbij gekomen," zeide hij gerustgesteld.
Dat was inderdaad het geval; een springbok had zich door het
struikgewas een uitweg gebaand.
Met versnelde passen spoedde Botter zich nu voorwaarts, en spoedig
had hij het open terrein bereikt.
Met het grootste ongeduld zaten de twee ons wel bekende Engelsche
militairen hem op te wachten.
"'t Is ellendig, dat jij altijd zoolang op je laat wachten," zeide
de officier op gemelijken toon "men zou hier van verveling dood
gaan."
Maar Kees Botter scheen deze opmerking niet eens te hooren.
"Ik heb zeer belangrijke berichten, Majoor!" zeide hij op vroolijken
toon.
"Dat de Boeren van daag hun vaatdoek te Heidelberg zullen hijschen?"
antwoordde de officier; "dat wist ik van morgen reeds..."
"Ik moet zeggen, dat u vlug van nieuws wordt bediend Majoor!"
"Vlugger dan door jou -- dat is zeker."
"U behoeft niet dadelijk grof te worden," zeide de prikkelbare
Afrikaander. "Kent u ook het veldtochtsplan der Boeren?"
De officier schudde het hoofd.
"Dan zal ik het u vertellen," zeide Botter.
"Ik ben van daag van de groote volksvergadering te Paardekraal terug
gekomen met den zoon van mijn ouden baas, en ik weet het precies. De
hoofdmacht der Boeren zal de passen van het Drakengebergte bezetten,
om aan generaal Colley, die uit Natal komt oprukken, den doortocht
te beletten."
"Zij zullen 't niet lang volhouden," zeide de officier.
"En de rest van de Boeren zal de Engelsche garnizoenen in de
Transvaal gaan besluiten."
"Dus _ons_ kamp ook?" vraagde de officier.
"Natuurlijk -- wat anders, Majoor?"
"Sapperloot, dat wordt mooi," riep de officier, en hij sloeg zich op
de knie; "dat wordt mooi, sergeant. Met zevenklappers jaag ik de
Boeren de breede veertien op -- wat zullen ze hollen!"
"U stelt het zich al te gemakkelijk voor," zeide de Afrikaander; "de
Boeren loopen niet zoo hard als u denkt."
"Goed, wij zullen zien," zeide de officier; "en verder?"
"Ik trek met het Boeren-kommando mee naar de passen van het
Drakengebergte, als u 't goed keurt."
"Ik keur het goed," zeide de officier, "want daar zal de beslissing
moeten vallen."
"Die natuurlijk niet twijfelachtig is," liet hij er op volgen.
"En ik houd," zeide Botter, "de Engelsche autoriteit op de hoogte
van de bewegingen en de plannen der Boeren -- maar hoor ik daar niet
een verdacht geritsel?"
"'t Was maar een vluchtende haas," zeide de oude sergeant.
"Ik vind uw voorstel uitstekend," zeide de officier op tevreden
toon.
"En heeft u lust, dan kan u overmorgen vroeg nog zoo ongeveer een
dertig- of veertigtal Boeren inrekenen Majoor!"
"Werkelijk, Botter?"
"Werkelijk, Majoor. Zij komen mijn ouden baas afhalen, en trekken
met hem naar het oorlogsterrein."
"Kom, dat wordt prachtig," riep de Majoor. "Dat geeft nog wat
variatie in dit vervelende nest, dat Transvaal heet. Want ik ben
liever aan den Nijl of aan den Indus, en gij sergeant?"
"Ik ook," antwoordde de sergeant, en hij draaide aan zijn grijze
snor.
Dit was trouwens zoo wat de eenige bezigheid, die hij bij deze
samenkomsten uitvoerde.
"En hoe moeten we 't aanleggen, Botter, om die dertig of veertig
dappere Boeren te knippen?"
"Dat zal ik u zeggen, Majoor," antwoordde Botter. Hij beschreef zeer
nauwkeurig den weg, dien de Boeren zouden nemen, "en," voegde hij er
aan toe, "u legt zich met een paar honderd man in hinderlaag, en de
overrompeling is volkomen."
Maar de officier riep met de grootste minachting: "Met twee honderd
man -- ben je nu stapelgek, vent? Honderd man zijn meer dan genoeg."
"Ik zeg u, Majoor, neem er twee honderd," zeide Botter op bedaarden
toon.
"Dat zeg ik ook," zeide de sergeant, die heimelijk vreesde, van de
partij te moeten zijn; "dat zeg ik ook; de ruimte schaadt niet."
"Ik zal er honderdvijftig nemen," antwoordde de officier; "maar ook
geen één meer."
"De Boeren zijn tegenwoordig met een wilden, oproerigen geest
bezield," meende Botter.
"Ik zal er hem uitranselen," zeide de officier; "hier, met deze
karwarts -- wil je rooken; Botter?"
"Als 't u blieft, Majoor!"
De officier, die zelf ook opstak, reikte den Afrikaander een sigaar
aan.
"U zult wel zoo vriendelijk willen zijn," zeide deze, "er voor te
zorgen, dat ik overmorgen bij de overrompeling niet bij ongeluk word
doodgeschoten."
"Nou, dat zou erg jammer zijn," lachte de officier -- "hier heb je
vuur!"
"Dat zou 't ook," zeide Botter -- "ten minste voor de Engelsche
belangen. Maar wij zullen nu eens over den deze praten," en hij
maakte een ondubbelzinnig gebaar met duim en wijsvinger.
"Hoe denkt u daarover, Majoor -- maar 't is net, alsof ik daar in de
struiken iets verdachts hoorde; ik vertrouw het niet."
"Och kom," zeide de officier.
"Ik zeg u -- ik vertrouw het niet," herhaalde de wantrouwige
Afrikaander.
Hij nam een stuk papier uit zijn zak, vouwde het op en stak het aan
met een lucifer.
Met deze flambouw gewapend, speurde hij den omtrek af, en daar -- in
de verte --
"Daar ligt een boomstam of een mensch," zeide hij; "_dat_ wil ik
weten."
Lena begreep, dat ze was ontdekt. En al had ze thans de helderste
oogen van de wereld gehad, die hadden haar niet meer kunnen redden.
Botter's scherpe blik had haar onmiddelijk herkend.
"Sta op," riep hij met harde, ruwe stem, "wat doe je hier?"
Van den eersten schrik bekomen en geen uitweg ziende, stond zij nu
vastberaden op.
"Wat doe jij hier?" herhaalde de Afrikaander.
"Daar heb _jij_ niet mee te maken," antwoordde zij op kordaten toon.
"Speel jij den _spion_?" vraagde hij.
"Speel _jij_ soms den spion?" was haar antwoord.
"Heb jij gehoord, wat we hebben besproken?" vraagde hij.
"En als ik het heb gehoord, wat zou dat dan?" was haar wedervraag.
"Als je 't hebt gehoord -- kom mee," zeide hij, en hij sleurde haar
met brutaal geweld naar de open plek, waar de beide Engelschen
waren.
"Jij hebt het gehoord -- je hebt _alles_ gehoord; spreek het eens
tegen," riep hij op groven toon. "Maar je zult stipte geheimhouding
zweren; je _zult_. Versta je me? Ik zal je _dwingen_," zeide hij met
een vloek.
Hij haalde een geladen revolver van onder het vest te voorschijn;
Lena hoorde het knakken van den haan.
Al het bloed was uit haar gezicht geweken, maar zij klemde de tanden
op elkaar en zeide geen woord.
"Zul je den mond opendoen, verklikster?" zeide de Afrikaander,
terwijl hij haar zoo gevoelig in den arm kneep, dat zij een zachten
kreet van pijn niet kon onderdrukken.
Doch nu kwam de officier tusschenbeide; deze marteling stuitte hem
tegen de borst.
"Kom eens hier, meisje," zeide hij, "wie heeft je gestuurd?"
"Niemand heeft mij gestuurd," antwoordde zij.
"En heb je ons gesprek afgeluisterd?" vraagde hij.
"Daar antwoord ik niet op," zeide zij.
"Zoo," zeide hij, blijkbaar geprikkeld en op scherperen toon: "weet
je ook, tot wien je spreekt?"
"Neen," zeide ze bedaard, "dat weet ik niet."
"Kijk mij dan eens goed aan," ging hij voort, terwijl hij den mantel
terugsloeg, en de blinkende knoopen der roode uniform zichtbaar
werden.
"Ik kan u niet zien, mijnheer," zeide het meisje.
"Me dunkt, de maan schijnt toch helder genoeg," hernam de officier.
"Ik ben blind, Mijnheer."
"Zóó," zeide de majoor op langzamen, verbaasden toon, "zóó -- dat is
iets anders," maar Kees Botter, zich weer in het gesprek mengend,
riep op wilden, hartstochtelijken toon: "Zul je zweren? Ik schiet je
dood, als je niet zweert. Hier, voel dezen revolver eens!"
Hij greep haar hand en drukte ze met geweld tegen den loop. Die hand
was zoo koud als ijs.
Maar de officier zeide onwillig: "Waarom dat gemartel? Wij nemen
haar eenvoudig mee naar ons kamp; dan kan ze geen kwaad stichten."
"Neen," riep de Afrikaander; "zij _zal_ zweren."
Zijn voor niets, zelfs voor geen moord terugdeinzende aard kwam
boven. Zijn oogen waren als met bloed doorloopen, en ze fonkelden
als van een roofdier.
Hij duwde den loop van den revolver hard tegen het voorhoofd van het
blinde kind.
"Wil je zweren?" siste hij tusschen de tanden door.
"Wat moet zij zweren?" riep een forsche, vreemde stem.
Verrast keken de mannen op; het was de stem van Jan Kloppers.
Het lang uitblijven der blinde Lena had hem toch ongerust gemaakt.
Hij had het geweer over den schouder geworpen, en was met den jongen
Arie op pad getrokken.
Thans verschenen beiden op het open terrein.
"Wat moet zij zweren?" vraagde Jan nog eens, en de Engelsche
militairen met een wantrouwenden blik opnemend, wendde hij zich tot
Lena.
"Ik moet zweren," zeide zij, "dat ik Kees Botter niet zal verraden,
die zelf zijn eigen volk verraadt."
"Spreek duidelijker," riep Kloppers, onder den indruk dezer
vreeselijke betichting met gedempte stem, "ik begrijp je niet."
"Ik klaag hem, Kees Botter," zeide Lena, "voor God en menschen aan,
dat hij een spion is van de Engelsche regeering. Zoo pas heeft hij
al de geheimen, die hij van ons volk wist, aan de Engelschen hier
verklapt."
"Zóó," zeide Jan Kloppers, "zóó!"
Hij was als verpletterd door deze verschrikkelijke tijding. Maar dat
ze waar was, bevestigden de twee roode jassen, daar vóór hem, en
plotseling brak zijn toorn los als een vernielende bergstroom.
"Zóó," zeide hij tot Botter, "ben jij zoo diep gezonken? Ben jij een
verrader geworden? Het genadebrood heb je gegeten bij mijn vader, en
is _dat_ de dank?"
Zijn stem was schor van hartstocht; hij was zich zelve niet.
Met éénen vreeselijken vuistslag sloeg hij den verrader tegen den
grond, en rukte hem den geladen revolver uit de hand.
Dit was veel sneller toegegaan, dan ik het hier neer kan schrijven,
en Arie het wapen reikend, zeide hij: "Houd dien verrader in toom en
jaag hem bij de geringste beweging een kogel door den kop."
"En waarmee kan ik de Engelsche heeren dienen?" ging hij voort, zich
tot den officier wendend, die inmiddels de hand op zijn schouder had
gelegd.
"Ik wil u even vragen," zeide de officier met gebiedende stem, "of
gij op de laatste vergadering te Paardekraal zijt geweest?"
"Ja," antwoordde Kloppers, "als het je plezier kan doen om dat te
weten, dan zal ik het je zeggen. Ik ben er geweest."
"Dan hebt ge tegen het uitdrukkelijk bevel onzer geëerbiedigde
koningin gehandeld, en moet ik je als rebel arresteeren," zeide de
officier op strengen toon.
"Wanneer arresteeren, Mijnheer?"
"Op staanden voet," zeide de officier.
"Op staanden voet?" zeide de jonge Boer.
Er kwam een spotlach op zijn gelaat, en hij schudde zich als een
jonge leeuw, die door de vrije wildernis trekt.
"Arie," ging hij voort, op Kees Botter wijzend, "houd dat ondier in
de gaten," en zich tot den officier wendend, zeide hij: "Hier,
Mijnheer, keten me nu!"
Hij rekte zich uit tot zijn volle lengte, en ging vlak vóór den
officier staan.
Hij was zeker een halve voet langer dan de Engelschman.
"Sla me nu de Engelsche boeien om de handen," sprak hij tartend.
"Sergeant," beval de officier, "pak aan!"
De geroepene was niet erg op zijn gemak, maar hij kwam toch naderbij
en haalde de handboeien uit den zak.
De jonge Boer kruiste de armen over de borst.
"Moet die ouwe stakkert mij de boeien aanleggen?" spotte hij. "Het
manneke is al blij genoeg, dat hij op zijn beenen kan staan."
"_Hier!_" riep de majoor op bevelenden toon, en meteen greep hij den
Boer in de borst. Maar deze sprong achteruit, en rukte het geweer
van den schouder.
"Pas op!" riep hij met dreigende gebaren -- maar nògmaals kwam er
in het tooneel een onverwachte verandering. Alsof hij uit den grond
was opgekomen, zoo plotseling verscheen de oude Dirk Kloppers op het
open terrein.
Het licht der maan bescheen zijn grijze lokken, en vorschend gingen
zijn blauwe oogen over de merkwaardige groep.
"Wat beteekenen die vreemde uniformen hier, Jan?" vraagde hij.
"Dat beteekent," zeide de aangesprokene, op Kees Botter wijzend, die
nog steeds door den revolver in Arie's hand werd in bedwang
gehouden, "dat die ellendeling daar, dien gij steeds als uw eigen
kind hebt behandeld, van de goede zaak een verrader is geworden, en
aan de Engelsche militairen hier al de geheimen verklapt, die hij
weet."
"En wat hebt ge op die zware beschuldiging te antwoorden?" vraagde
de oude Kloppers, zich tot Botter wendend.
Hij vraagde dit op langzamen, onnatuurlijk kalmen toon. Maar onder
die kalmte kookte het, en onder die zware wenkbrauwen begon het
onheilspellend te flikkeren.
Botter had die vraag verwacht, en nu het loochenen niet kon helpen,
werd hij brutaal. En op zijn brutaalsten toon antwoordde hij: "Nu
ja, ik _heb_ de geheimen verklapt; in het belang der Boeren zelf. Ze
zijn verloren, als ze tegen de Engelschen moeten vechten, en hoe
sneller de oorlog afloopt, hoe minder Boerenbloed er zal vergoten
worden. Ik ben nu in een scheeve positie, maar later zult ge mij nog
komen bedanken!"
"Dat denk ik ook," zeide Jan met een schamperen lach.
Botter was intusschen overeind gerezen, en Arie keek zijn grootvader
aan.
"Zal ik --" zeide de jongen, "zal ik?"
Maar de oude Kloppers schudde het hoofd. Hij drukte den loop van den
revolver zwijgend naar beneden.
Er volgde een korte pauze, en de Engelsche majoor wachtte met
klimmende verbazing de ontknooping.
Nòg bewaarde de oude Kloppers zijn kalmte, maar zijn zoon had er een
voorgevoel van, dat er iets verschrikkelijks gebeuren zou.
"Hebt ge nog iets meer te zeggen, Kees Botter?" vraagde de oude
Transvaler.
"Neen," zeide de aangesprokene zoo onverschillig mogelijk,
"voorloopig niet."
Maar toen hij den grijzen Voortrekker in de oogen keek, toen ging er
toch een rilling door zijn leden. Hij verzamelde echter nog eens al
zijn moed bij elkaar, en zeide, met een volkomen mislukte poging, om
een grap te uiten: "Me dunkt, ik kan me nu wel verwijderen -- 't is
hier nog al tochtig in de avondlucht."
"En waar wil je heen?" vraagde Kloppers.
"Naar _jou_ huis niet, ouwe," zeide de verrader op zijn brutalen
toon van zoo even.
"Grootvader, wees voorzichtig," smeekte het blinde meisje; "hij is
tot alles in staat. Zoo even dreigde hij me dood te schieten."
"En waarom wou hij je doodschieten, Lena?"
"Omdat hij bang was, dat ik zijn verraad zou verklappen."
"Zoo," zeide de Voortrekker, "nu weet ik genoeg."
"Maar die Engelsche officier wilde het niet hebben."
"Goed," zeide Kloppers, "daar zal ik nota van nemen."
Nu wendde hij zich weer tot Botter.
"_Hier!_" riep hij op gedempten toon, "tegen den grond!"
"Blijf van mij af," antwoordde de verrader ruw, maar in 't volgende
oogenblik had de Voortrekker hem reeds gegrepen.
"Dat kan ik niet dulden," riep thans de majoor, die tot nog toe
lijdelijk toeschouwer was geweest.
Hij wilde de worstelenden scheiden, maar Jan legde op het hoofd van
den Engelschman aan en riep: "Raak mijn vader niet aan, of ik schiet
je neer."
Doch reeds had de Voortrekker den verrader met zijn reuzenkracht
tegen den grond gedrukt.
Besluiteloos stond de majoor er naast, en in zijn nabijheid, met den
vinger aan den trekker van het geweer, stond de jonge Jan.
Botter echter tastte naar zijn mes en vond het. Doch den ouden
Kloppers was deze beweging niet ontgaan; den arm van zijn
tegenpartij grijpend, ontworstelde hij hem het wapen, en wierp het
wijd het bosch in.
"Arie," zeide hij, "haal mij een scherpen doorntak."
Arie haalde er één: zoo hard als staal. De grijze Voortrekker vatte
hem stevig in zijn sterke vuist.
"Nu ga ik met je afrekenen," zeide hij, terwijl hij den verrader de
knie op de borst zette. Zijn stem was kalm, maar zij was vreeselijk
in haar kalmte.
"Ik klaag je aan, Kees Botter, dat gij de gastvrijheid hebt
geschonden, dat gij een blind meisje met den dood hebt bedreigd, en
dat gij uw vaderland hebt verraden. Om uws vaders wil, die een
oprechte Afrikaander was, zal ik u niet aan onze wettige regeering
overleveren, die u zeker tot den kogel zou veroordeelen, maar
teekenen zal ik u, opdat vriend en vijand wete, wie Kees Botter is."
"_Dit_ is voor den _schender_ der gastvrijheid," ging hij voort met
bliksemend oog en vreeselijke stem, terwijl de roede met de harde,
scherpe doornen door de lucht suisde, "en _dit_ is voor den _beul_
van blinde kinderen, en _dit_ voor den _verrader_ van zijn volk."
Drie keeren, kruiselings, gingen de slagen over het gelaat van den
verrader. Hij gilde van pijn, van schaamte en woede; het bloed
gulste van zijn gelaat.
"En ga nu uit mijn oogen, ellendeling, en bid God, dat Hij uw zonden
moge vergeven," riep de Voortrekker.
Met één ruk had hij hem overeind, en slingerde hem wijd weg, zooals
men een giftige adder wijd wegslingert...
"Wij hebben hier niet meer noodig," meende de sergeant op
schuchteren toon.
"Dat denk ik ook niet," zeide de oude Voortrekker. "Wist ik, dat de
vijandelijkheden reeds waren begonnen, dan zou ik u beiden mede
nemen als mijne gevangenen. Maar ik weet het niet; daarom kunt ge
gaan."
En hij maakte een waarlijk majestueuze beweging met zijn hand.
"Komt," zeide hij, zich vervolgens tot zijn huisgenooten wendend,
"wij gaan naar huis," en zich omkeerend, verdween hij met hen in de
duisternis van het bosch.
Met een van woede verwrongen gelaat staarde Botter hen na, en met
een vreeselijken vloek brulde hij: "Die Dirk Kloppers, die beul --
_sterven_ zal hij door _mijne_ hand!"
Met de Engelschen ging hij naar hun kamp -- waar zou hij anders
heen?
De majoor en de sergeant hadden echter ieder hun eigen gedachten, en
zwijgend sprongen zij op hun paarden, die op eenigen afstand waren
vast gebonden.
"Als de andere Boeren van _dat_ slag zijn," zeide de officier
nadenkelijk, en hij wees met den vinger achteruit, "dan zijn we nog
niet zoo gauw klaar."
"Ze schijnen door den duivel bezeten," antwoordde de sergeant, en
hij draaide zenuwachtig aan zijn grijze knevels.
Ook Arie had zijn eigen gedachten. "Wat een mooie gelegenheid was
het geweest," dacht hij bij zich zelve, "om een Engelsch paard en
een Engelsch wapen machtig te worden, maar die kans is van daag
verkeken."
Vol vreeze was het blinde meisje. "Ach Grootvader," zuchtte zij,
"die Botter zal zich vreeselijk op u wreken."
Maar hij schudde zijn grijze lokken en antwoordde: "De Heere, die
mij heeft bewaard voor den assegaai van den Kaffer, voor den kogel
van den Engelschman en voor den klauw van het wild gedierte, is
machtig genoeg, mij ook te bewaren voor den zwakken arm van dien
knaap."
"Maar gij hebt je gedragen als een heldin," liet hij er op volgen,
en hij legde zijn hand liefdevol op haar hoofd.
En met snelleren stap schreed hij, de blinde Lena aan de hand en Jan
en Arie achter zich, naar de eenzame hoeve, waar zijn vrouw de
komenden met pijnlijk ongeduld verbeidde.
--------
HOOFDSTUK XI.
------
't Is nog nacht, doch in het oosten begint het te schemeren. En
helder blinkt de morgenster boven de eenzame woning van Dirk
Kloppers. In het achterhuis, in den stal heerscht groote beweging.
Deuren worden dicht en opengeslagen; luid blaffen de groote
waakhonden, en slaapdronken Kaffers zijn bezig, bij het sombere
schijnsel van een vetkaars, vastgezet in een gebeukte, blekken
lantaarn, eenige rijpaarden naar buiten te leiden.
In het voorvertrek, aan de eikenhouten tafel, zit het huisgezin van
Dirk Kloppers aan het ontbijt.
In den hoek staan een viertal geweren, en daarnaast, op een
bruingeverfde kist, zijn eenige bandelieren neergelegd.
Tegenover Dirk Kloppers zit, met de walmende olielamp tusschen
beide, zijn huisvrouw. Naast den huisvader heeft zijn vriend, de
leeuwenjager, zwijgend plaats genomen. En in de schaduw zitten Jan,
Arie, Lena en Herman Hoogerhuis.
Er wordt weinig gegeten; het brood, met het fijne schapevleesch,
smaakt heden morgen niet.
Er wordt evenmin veel gesproken. Ieder is met zijn eigen, ernstige
gedachten vervuld, en zelfs de bruine oogen van den Hollander staan
droef en weemoedig. Als een berg drukt het naderend afscheid op
aller gemoed.
Thans neemt de oude Kloppers den zwaren, met koperen beslag belegden
Staten-bijbel en leest met langzame, duidelijke maar bewogen stem:
"Een lied Hammâaloth.
Die op den Heere vertrouwen, zijn als de berg Zion, die niet
wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzoo is de Heere rondom Zijn volk,
van nu aan tot in der eeuwigheid.
Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der
rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet
uitstrekken tot onrecht.
Heere! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hunne
harten.
Maar die zich neigen tot hunne kromme wegen, die zal de Heere weg
doen gaan met de werken der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël
zijn!"
En hoor, nu zingen zij te samen het 3de vers van den 17den Psalm:
"Ik zet mijn treden in uw spoor.
Opdat mijn voet niet uit zou glijden;
Wil mij voor struikelen bevrijden.
En ga mij met uw peillicht voor.
Ik roep U aan; 'k blijf op U wachten,
Omdat G', o God! mij altoos redt;
Ai! luister dan naar mijn gebed,
En neig Uw ooren tot mijn klachten!"
En nu knielt de kleine gemeente neer, en de huisvader gaat voor in
het gebed. Het is geen lang, maar een krachtig, aangrijpend gebed.
In dit gebed smeekt de grijze Voortrekker, met belijdenis van de
schulden en zonden des volks, dat de Almachtige de wapenen der
Boeren moge zegenen; dat Hij, nu de weerbare mannen naar het
oorlogsveld trekken, zich, als de bergen rondom Jeruzalem, moge
legeren rondom de achterblijvende vrouwen en kinderen; dat Hij den
strik moge breken, waarin zij gevangen zitten, en dat zij met
gejuich mogen wederkeeren uit den strijd!
Hij bidt ook voor de vijanden van zijn volk, en hij smeekt zijn God,
dat Hij hen om Christus wil een inzien moge geven in het groote
kwaad, dat zij bedrijven, door een klein en aemechtig volk op het
hart te trappen, opdat de zware bloedschuld, die zij over hun zielen
gaan halen, hen niet vertere, hen noch hunne kinderen!
Lodewijk Jansen, Kloppers' zwager, zou _dat_ niet hebben gedaan:
_bidden_ voor den Engelschman.
"Wat," zou hij hebben gezegd, "zal ik bidden voor den Engelschman?
Neen, dat doe ik nooit! Roepen Engelands ongerechtigheden niet tot
God om wraak? Komt het niet met paarden en wagenen en kanonnen, om
een klein volk te knechten? Wordt de man niet uit de armen van zijn
vrouw, en de zoon niet uit de armen zijner moeder gescheurd, om
neergelegd te worden door het Engelsche lood? En zijn nù reeds geen
Engelsche agenten bezig, om de honderdduizenden Kaffers in de
Transvaal op te ruien? En zijn die Kaffers, sterk door Engelands
geheimen steun, niet van plan, om bij de éérste nederlaag der Boeren
hun achtergebleven vrouwen en kinderen aan de assegaai te rijgen?"
En zou hij voor deze menschen bidden, die _christenen_ heeten, maar
door _heidenen_ worden beschaamd? Neen, waarlijk niet! Het vuur des
hemels zou hij over hunne hoofden willen inroepen en de wraak des
Almachtigen!
Doch Kloppers is milder dan Lodewijk Jansen. Hij is even kloek in
het veld als laatstgenoemde, en de scherpste doorntak is hem niet te
scherp, om er een verrader mee te tuchtigen, maar hij placht te
zeggen: "Jezus is voor mij, toen ik zijn vijand was, in den dood
gegaan -- zou ik dan niet voor mijn vijanden bidden?"
Er is niemand van het gezelschap, die het gebed van den ouden
Kloppers hartelijker nabidt dan de blinde Lena. Zij kan voor het
volk, dat zij liefheeft, zoo weinig doen, doch met haar blinde oogen
grijpt zij het machtigste wapen -- het gebed.
Nu worden de laatste toebereidselen voor den tocht gereed gemaakt;
de bandelier gevuld met scherpe patronen, het zakje van bokkevel vol
geladen met gemalen koffie, en biltong noch tabak vergeten.
De Kaffers brengen de paarden voor; Columbus houdt den Moorkop, die
driftig op de stalen stang bijt, bij den teugel.
De walmende olielamp wordt nu uitgeblazen; reeds valt het matte
schijnsel der morgenschemering in het vertrek.
Elk oogenblik kunnen nu de andere Boeren komen, in wier gezelschap
men mede zal trekken naar het oorlogstooneel. Lena staat op, want
zij hoort reeds den snel naderenden hoefslag van vele paarden. Zij
gaat ter zijde staan, in een hoek van het woonvertrek.
Zij hoort nu, dat de ruiters van hun paarden springen; zij hoort hun
mannelijken stap, hun morgengroet, nu zij de woning binnentreden.
Zij hoort het rinkelen der sporen aan hun laarzen, en het dreunen
der geweerkolven, nu zij op den steenen vloer worden neergezet. Zij
hoort het schuifelen der voeten en het druk, verward geroep en
gepraat van dertig, veertig menschen.
"En is dat nu Lena?" hoort zij plotseling een stem in haar nabijheid
vragen.
"Ja, kommandant," antwoordt een andere stem, "dat is Lena!"
"Stilte!" roept de eerste stem op gebiedenden toon.
"Stilte!" roepen de Boeren, "onze kommandant wil spreken."
Plotseling verstomt het leven, en aller oogen zijn op het blinde
meisje gevestigd. Zij _voelt_ het, al _ziet_ zij 't niet, en het
bloed stijgt haar naar de wangen.
De kommandant echter legt de hand op haar schouder en zegt: "Lieve
Nicht, ik heb zoo even van uw grootvader vernomen de even schrandere
als moedige daad, die gij eergisteravond hebt verricht. Gij hebt de
plannen van een verrader verijdeld, en het slagnet ontdekt, waarin
wij heden morgen zouden worden gevangen. Wij erkennen daarin de hand
van onzen getrouwen God, want wat zelfs aan het schrandere oog van
onzen wakkeren Kloppers ontsnapt, laat hij door u, eene blinde,
ontdekken. Zoo zijn Gods wegen gemeenlijk, en wij, Boeren op
kommando, danken u hartelijk voor de liefde, die hij voor onze
verdrukte natie betoont, en de God van Israël, Die ook de God der
Boeren is, moge u daarvoor rijkelijk, rijkelijk zegenen!"
Hij drukt haar de hand; al de anderen volgen zijn voorbeeld. Maar
Lena staat daar, schuchter en verlegen, het gloeiend gezichtje door
het dichte, donkerbruine haar als in een lijst gevat. Doch een
heldere glimlach komt op haar lief gelaat, nu haar oor de stem van
Leen Blok opvangt.
"Ach nichtje," klaagt Leen Blok, terwijl hij komt aansloffen op zijn
lange veldschoenen van ongelooid buffelleer, "daar ben ik nou. In 't
holle van den nacht heeft de wilde Kasper Veen mij uit mijn bed
getrommeld, en zij zeggen, dat ik maar courage moet hebben, maar ik
weet niet, wat courage is," en hij trapt met zijn lange veldschoenen
droevig op den grond. "Nu, nichtje, het ga je goed; ik ga mij nu
offeren voor ons vaderland, maar ik zat liever bij mijn schapen," en
de lange Leen sloft naar buiten, naar zijn poney, een koppig,
bijterig dier met kleine, kwaadaardige oogen.
Lena hoort, hoe de drukte weer afneemt; de voetstappen verwijderen
zich. Zij hoort door het thans opengeschoven raam het ruischen der
oude Boerenvlag, het vaarwel van vele stemmen: "Zoo God wil, tot
weerziens!" het kommando van den aanvoerder: "Voorwaarts!" en het
kletteren der paardehoeven over den harden grond van het erf.
Tot weerziens -- ach, zij hoopt het ook. Doch terwijl hare
natuurlijke oogen met een ondoordringbaren sluier zijn gesloten,
zijn hare andere oogen wijd open, en zij ziet dappere, moedige
krijgers, thans vol kracht en gezondheid, neergestrekt door het
Engelsch kanon, een spijs voor den zwervenden aasvogel....
De leeuwenjager is zoo pas, na een hartelijk afscheid genomen te
hebben, met de ruiterschaar vertrokken, maar de andere huisgenooten
zijn er nog. Dirk Kloppers kon in het gewoel van zooeven geen
afscheid nemen. Trouwens, Kloppers heeft vlugge kleppers, en de
ruiterschaar zal spoedig zijn ingehaald.
Herman Hoogerhuis staat buiten, bij de paarden; Lena en Arie staan
naast hem. Dirk Kloppers en zijn zoon Jan zijn nog in de woning.
Vrouw Kloppers neemt zelf het geweer van haar man uit den hoek,
schuift er den kogel in, en reikt het hem over. En even als een
kleine veertig jaar geleden 1) zegt zij: "Strijd wakker, lieve man!"
Zij hangt hem den bandelier over den schouder.
Zij staart hem aan met hare oude oogen, waarin zich hare ziel en
hare groote, trouwe liefde weerspiegelen; zij neemt zijn verweerd
gezicht tusschen hare gerimpelde handen en kust het....
Maar in de strenge oogen van den grijzen Voortrekker begint het te
schemeren, en over zijn gelaat biggelen twee groote tranen.
"De Heere zij uwe banier," zegt ze; "Hij zij uwe hulp en uw schild
bij dag en bij nacht!"
"En zie ik u hier niet meer terug," zegt hij, "dan hoop ik u in dat
zalige land te ontmoeten, waar recht en gerechtigheid zullen
heerschen, en waar God al de tranen uit de oogen zal wegwisschen."
Nu gaat hij naar buiten.
"En nu zullen _wij_ afscheid nemen, moeder," zegt Jan weemoedig.
Ja, nu zal zij afscheid nemen van haar zoon, van haar jongsten, van
haar Benjamin.
"Gelooft gij, dat ik u liefheb, mijn jongen?" vraagt ze.
"Ja," zegt hij, "dat geloof ik."
"En gelooft gij, dat mijne liefde zoo groot is, dat ik mijn bloed,
druppel voor druppel, voor u zou willen geven, als het moest?"
"Ja," zegt hij met bewogen stem, "dat geloof ik."
"En kunt gij het nogthans verstaan, dat ik u liever _dood_ aan mijn
voeten zie liggen met het volle schot van den Engelschman in de
borst, dan dat gij de _vlag_ zoudt kussen, die ik haat?"
"Ja," zegt hij huiverend, "ik versta het."
"Mijn jongen, mijn lieveling!" roept ze uit, "mijn licht en mijn
zonneschijn!"
De volheid der moederlijke teederheid en al het schrijnend zielewee
van het afscheid breekt zich baan in dezen kreet, en van aandoening
overweldigd, knielt de jonge man aan den schoot zijner moeder.
Ach, dat heeft hij zoo dikwijls gedaan, vele jaren geleden, toen hij
nog een klein jongske was. Maar in dit plechtig oogenblik wordt hij
weer dat kleine jongske, en de hand van zijn moeder gaat streelend,
liefkozend over zijn blond haar. Zij kust dat haar.
"Geef mij uw zegen, lieve moeder," fluistert hij, maar zij
antwoordt: "Ik kan u geen zegen geven, lieve jongen, maar de God
uwer vaderen, de Getrouwe en de Almachtige, Die zegene u!"
En door haar eigen gevoel overstelpt, vat zij hem bij de hand, en
leidt hem naar boven, naar het kleine kamertje, waar hij als kind
heeft geslapen.
Dáár, in dien hoek, bij dien ouden, vermolmden stoel, dáár heeft ze
hem leeren knielen; dáár heeft zij hem zijn eerste avondgebed
geleerd.
En daar hebben zij ook nu te zamen gebeden, de oude moeder en haar
jongen, haar Benjamin....
Ongeduldig slaan de paarden met de voorpooten tegen den grond.
Herman Hoogerhuis roept: "Het wordt tijd."
Jan spoedt naar buiten. De moorkop ziet hem, en hinnikt zijn jongen
meester vroolijk tegemoet.
Snel springt hij in het zaâl: een beeld van jeugdige mannelijke
kracht. De morgenlucht verkwikt hem, en zijn oogen beginnen weer te
stralen.
Men zegt Arie en Lena vaarwel -- de ruiters geven hun paarden de
sporen.
De oude vrouw staat hen na te turen, met weenende oogen.
Daar kijken Jan en Herman nog eenmaal om.
Zij zwaaien de geweren boven hun hoofden.
"Voor Afrika!" roept de één.
"Voor Oud-Holland!" roept de ander.
"Voor vrijheid en recht!" roepen ze beiden.
Maar de oude Voortrekker blikt niet éénen keer meer om.
Zijn gedachten zijn reeds ver in 't zuiden.... in 't gewoel van het
gevecht.... in den donder van den slag...