--------
HOOFDSTUK V.
------
Wij zijn in de laatste dagen van November; midden in den
Transvaalschen zomer.
Het is van daag bij Dirk Kloppers bizonder druk geweest van de
gaanden en komenden. Het stond den ganschen dag niet stil van
bezoekers.
Zij kwamen allen te paard; wel gewapend. In de ruime voorkamer, waar
in mooie eikenhouten lijsten de portretten hingen van Willem den
Zwijger en van van Riebeek, den stichter der kolonie aan de Kaap,
daar werden zij ontvangen.
Herman de Hollander was bij die bezoeken tegenwoordig, daar men hem
vertrouwde, en Kees Botter, omdat hij een Afrikaander was.
De dagen waren zeer onrustig. Onbedriegelijke voorteekenen
verkondigden den naderenden strijd, even als de stormvogels den
naderenden orkaan verkondigen.
Fluisterend werd er in de groote voorkamer gesproken, want men moest
op zijn hoede zijn voor de scherpe ooren van Kaffers en van
onvertrouwbare blanken, die allicht het een en ander konden
overbrengen naar het Engelsche kamp, dat niet al te ver af was.
Kees Botter had zijn ooren goed open, al werd er gefluisterd. Nu en
dan vraagde men zijne meening, en dan gaf hij telkens een juist,
doeltreffend antwoord, zoodat de ouderen dachten: Die Kees Botter
heeft een helderen kop.
Ja, dat had hij.
En op den avond van dezen drukken, woeligen dag, toen al de
huisgenooten reeds ter ruste waren gegaan, sloop Kees Botter
voorzichtig de achterdeur uit.
Twee keeren keek hij schuw om, doch er was niet het minste onraad te
bespeuren. De maan scheen helder aan den wolkeloozen hemel, en de
plaats lag in diepe rust.
Een smal voetpad leidde door den grooten boomgaard over het golvende
grasveld naar een laag doch uitgestrekt bosch, waardoor het zich
heenwrong.
Dit pad sloeg Kees Botter in, en hard doorloopend had hij na een
half uur het bosch bereikt.
Nu vertraagde hij zijn schreden, en al langzamer werd zijn gang.
Twijfelend bleef hij staan.
"Ga terug!" zeide een stem in zijn binnenste.
"Vooruit!" drong een andere stem.
"Gij gaat uw volk verraden," waarschuwde de eerste stem.
"Gij zult het bloedvergieten beperken," vleide de tweede stem.
"Trekt met de Boeren op in hun rechtvaardigen strijd," vermaande de
eerste stem.
"En blijf arm en veracht," dreigde de tweede.
Al zwakker werd de eerste stem; al krachtiger, al overredender sprak
de tweede.
Zij trof den jongen man in zijn zwakste zijde: in zijn gloeiende
eerzucht.
Hij luisterde niet meer naar de eerste stem; hij hoorde slechts de
tweede.
Hij zag het schitteren van stapels goud, en zij brachten hem hetgeen
hij zoo vurig verlangde: macht, eer en aanzien.
Wel kon hij door zijn droomen heen den verwijtenden en toornigen
blik zien van Dirk Kloppers, zijn weldoener, en van zijn kameraden,
maar hij sloot zijn oogen. Hij wilde niet zien.
De laatste aarzeling was overwonnen en vastberaden ging hij
voorwaarts.
Midden in het bosch bevond zich een open, vlakke ruimte, en aan één
zijde van deze ruimten zaten twee mannen op een boomstam, die van
ouderdom was omgevallen.
Het waren een officier en een sergeant, gekleed in de Engelsche
uniform.
"Zoo," zeide de Engelsche officier, terwijl hij bij de komst van
Kees Botter ongeduldig opsprong, "ben jij daar eindelijk? Ik ben
koud geworden van het wachten."
"'t Is mijn schuld niet, Majoor," antwoordde de aangesprokene; "men
moet zijn tijd afwachten, om geen argwaan te wekken."
"Hoe is de stemming der Boeren?" vraagde de Majoor.
"Bepaald oorlogzuchtig," antwoordde Botter.
"Zoo," zeide de Majoor langzaam, -- "zóó! Ze zijn gek; dat zeg ik
je. En heb jij je van je last gekweten?"
"Dan zou ik nog gekker zijn dan de Boeren," antwoordde Botter. "Ge
wilt hebben, dat ik tweedracht onder de Boeren zaai en hen de
heerlijkheid van het Engelsche gouvernement voor oogen houd. Maar
begrijpt u dan ook niet, Majoor, dat ik door zoo te handelen
mijzelve verraad? Ik heb het eens geprobeerd, doch die oude Dirk
Kloppers keek mij zoo wantrouwend aan met zijn strenge oogen, dat ik
er genoeg van had. Voor een klein gerucht ben ik niet vervaard maar
om zich hals over kop in het ongeluk te storten -- neen, Majoor, dat
doet Kees Botter niet."
"Wat doe je dan wel?" vraagde de officier op driftigen toon. "Gij
zult goed betaald worden, dat weet je, maar het gouvernement wil
waar voor zijn geld. Ge hebt reeds tien pond op afkorting te pakken,
en ge hebt nog zoo goed als niets gedaan. Ik zeg je nog eens
nadrukkelijk: wij willen waar voor ons geld."
"Niets gedaan?" zeide de lichtgeraakte Afrikaander ontstemd; "is
mijn rapport van de oorlogzuchtigheid der Boeren dan van geen
beteekenis?"
"Jij hadt mijn last moeten volbrengen," zeide de Majoor.
De jonge man trok onwillig zijn schouders op.
"Waarom heb je 't niet gedaan?"
"Dat heb ik reeds eens gezegd," antwoordde de Afrikaander op
wreveligen toon. "We moeten geen kinderwerk doen. Gaat ge tweedracht
zaaien, dan houden de Boeren je voor een spion, en je bent
opgevouwen. Het moet anders worden aangelegd -- anders!"
"Jij schijnt nog al bang te zijn voor de Boeren," zeide de officier
met een minachtend lachje.
"Bang ben ik niet," antwoordde de Afrikaander op hoogen toon, "maar
ik _ken_ ze."
"Zóó," zeide de Majoor, "_ik_ ken ze ook. Eén Engelschman jaagt tien
Boeren op den loop; dat is zeker."
"We zullen zien," zeide Kees Botter kortaf.
"En welk plan heb _jij_ nou?" vraagde de Majoor.
"Binnen kort zullen de Boeren een groote volksvergadering houden, ik
weet het uit de beste bron, en die vergadering zal beslissen over
oorlog en vrede."
"En jij denkt van oorlog?"
"Ik twijfel er niet aan, Majoor!"
"De Boeren zijn stapelgek; ik zeg het nog eens," riep de Majoor met
gramme stem. "Maar wij zullen ze bijlichten, hé sergeant?"
"Dat zal waar zijn," antwoordde de dappere sergeant. "Ik wed, dat ze
bij 't eerste kanonschot van schrik in zwijm vallen, Majoor," en hij
trok welgevallig aan zijn oude, grijze knevels.
"Nu is het mijn voornemen," zeide de jonge Afrikaander, zijn plan
nader uitéénzettend, "mij bij het Boeren-kommando aan te sluiten --"
De officier knikte bevredigd.
"Dat hoogstwaarschijnlijk de passen van het Drakengebergte zal
bezetten," liet Botter er op volgen.
"En dan kunt gij de Engelsche autoriteiten op de hoogte houden van
de bewegingen der rebellen?"
"Dat is mijn doel," zeide de Afrikaander.
"Mooi!" zeide de Engelschman, en hij wreef zich vergenoegd de
handen.
"Hier," zeide hij op vroolijken toon, "rook eens! Wat wil je, licht
of zwaar?" en hij stak den goedgevulden sigarenkoker den Afrikaander
toe.
"Ik zal maar een zware nemen," antwoordde deze; "wij Transvaalsche
Boeren zijn nog al zwaar op de hand," en hij lachte zelf om zijn
kwinkslag.
"Gij moest in de omgeving kunnen komen van den aanvoerder der
rebellen," zeide de majoor na een kleine pauze; "dat was nog iets.
Hoe noemen de Boeren hun aanvoerder ook nog?"
"Kommandant-Generaal, Majoor!" antwoordde Botter.
"Hoor je 't nu, sergeant? De aanvoerder van een troep ezels heet
Kommandant-Generaal," riep de Engelsche majoor, en hij schudde van
het lachen.
Hij wendde zich weer tot den jongen Afrikaander.
"Zou je geen adjudant, boodschaplooper of zoo iets kunnen worden bij
den aanvoerder der rebellen?"
"Ik weet het niet," antwoordde Kees Botter nadenkelijk, "maar we
zullen zien; 't zal aan mij niet liggen."
"Goed," zeide de officier; "voorloopig heb ik nu niets meer te
zeggen; heb je iets bijzonders, dan weet je, waar je 't brengen moet
-- hier -- bij dezen boom."
Dit zeggende, sloeg hij met de vlakke hand tegen een knoestigen,
krom gegroeiden boom.
"'t Is al laat, en nog een heel eind naar ons kamp -- kom sergeant,
wij gaan."
Maar Kees Botter bleef staan, en maakte een gebaar met wijsvinger en
duim, dat voor geen tweëerlei uitlegging vatbaar was.
De officier lachte.
"Gij zijt een echte geldduivel," zeide hij schertsend, "maar om uw
moed en ijver te prikkelen voor de goede zaak, komt het er op een
paar pond niet op aan."
Hij haalde een prachtig gewerkte geldbeurs uit den zak; tusschen de
blauwe, fijne mazen door schitterde het goudgeld in het maanlicht.
De oogen van den jongen Afrikaander begonnen te fonkelen als van een
roofdier.
"Hier," zeide de officier op jovialen toon, "heb jij tien pond met
de beeltenis van je koningin er op."
Hij telde ze in de uitgestrekte hand van den spion.
Kees Botter telde ze nog eens, heel voorzichtig, en het koude goud
gloeide in zijn hand als vuur.
"Dank je, Majoor," zeide hij, "en wel thuis."
Ieder ging nu zijns weegs; de open ruimte in het bosch lag weer
verlaten.
Met opgeheven hoofd keerde Kees Botter naar huis terug.
Hij zwelgde reeds in het vergezicht der toekomst.
"'t Is Engeland te doen om het _Transvaalsche_ goud," zeide hij tot
zich zelve, "en mij om het _Engelsche_ goud. Zoo heeft ieder zijn
afgod. De Boeren zweren bij hun onafhankelijkheid, maar dit is
_mijn_ god," en hij liet de goudstukken, die hij in zijn zak droeg,
rammelen.
"'t Valt wel heel gelukkig," dacht hij vervolgens "dat de Boeren
zulke stijfkoppen zijn; anders hadden de Engelschen mij niet
noodig."
Hij wierp het korte, uitgebrande stompje sigaar weg, stak de handen
in de zak, en begon een vrolijk deuntje te fluiten.
In een zeer behagelijke stemming bereikte hij de hoeve, en
behoedzaam de achterdeur openend, zocht hij al tastend zijn
slaapplaats op.
In het achterhuis meende hij iets als een zachten stap gehoord te
hebben, maar het moest wel eene vergissing zijn. Hij lachte om zijn
eigen argwaan, en spoedig lag hij te bed. Hij had zich echter niet
vergist.
Toen hij was verdwenen, schreed die stap voort, naar het voorhuis.
En die stap was zoo vast en zeker als de gang van een mensch op
klaarlichten dag.
Slechts een blinde kon bij nacht zoo goed den weg vinden.
--------
HOOFDSTUK VI.
------
In het ruime woonvertrek van Dirk Kloppers zaten niemand dan Kees
Botter en de blinde Lena.
De andere waren op bezoek bij een buurman, die jarig was.
Heel voorzichtig nam Kees een vel geel geworden postpapier, een
couvert, een inktpot en een penhouder met een half verroeste pen.
Hij zette zich aan de lange tafel, en begon met grooten ijver te
schrijven.
Aan het andere eind der tafel zat Lena; zij hanteerde met
bewonderenswaardige vaardigheid de breinaalden.
Botter was nu bijna gereed met den brief.
"Wat doe je daar, Kees?" vraagde Lena, terwijl zij hare glanslooze
oogen ophief.
Hij schrok bijna van die vraag, maar hij antwoordde op zijn gewonen
toon: "Wel, ik zit kleine houtjes te snijden -- waarom vraag je dat
zoo?"
"Och, ik vraag dat maar," zeide zij bedaard.
Met een wantrouwenden blik keek hij haar aan, maar het volgende
oogenblik moest hij er inwendig om lachen.
Zich ongerust maken om een blind kind -- 't was ook belachelijk!
Nu was de brief gereed en in het couvert gedaan, en met zekeren
haast verliet Botter het vertrek.
Hij sloeg den weg in naar het ons bekende bosch.
Rechts en links liet hij zijn blikken gaan, maar niets verdachts
bespeurde hij. Gloeiend drukte de hitte van den zomernamiddag op het
erf. De kettinghond strekte zich slaperig uit bij zijn hok, en geen
vogel liet zich hooren Er heerschte volstrekte rust; slechts de
kippen kakelden en scharrelden luidruchtig in den mesthoop achter
het huis.
In het bosch gekomen, liep de Afrikaander naar een open ruimte, waar
hij de nachtelijke samenkomst had gehad.
Bij den knoestigen, kromgegroeiden boom bleef hij staan, en hij
lichtte de schors zoover op, dat hij den brief er tusschen kon
steken; tusschen de schors en den stam.
"Een knappe kerel, die den brief vindt," zeide hij tevreden; "zelfs
de ouwe Dirk Kloppers zal er wel afblijven."
Terwijl hij weg was, stond de blinde op; zij tastte naar den
inktpot, die op den schoorsteenmantel stond.
"Hij staat op de rechte plaats," mompelde ze, "maar de pen, waar is
de pen?"
Zij tastte den schoorsteenmantel geheel af, doch kon de pen niet
vinden. Nu voelde ze op de tafel rond en vond de pen.
Bij deze ontdekking kwam er een zekere spanning op haar fijn,
schrander gelaat.
"Ik meende het krassen der pen wel gehoord te hebben," peinsde ze,
"en ik heb me niet vergist. De zaak wordt al vreemder. Ik ben
begonnen met hem te wantrouwen, en ik kan eigentlijk niet zeggen,
waarom. Maar er ligt zoo'n harde, gevoellooze klank in zijn stem --
ja, daarin zal 't hem wel zitten. En nu heb ik hem eergister avond
opgewacht, want hij bleef zoo verschrikkelijk lang weg, en in plaats
van door de gewone huisdeur komt hij door de achterdeur binnen. Hij
moet nog wel omloopen, om daar door te gaan -- wat mag de reden
daarvan zijn?
En nu vraag ik hem: Wat doe je daar? en hij spelt mij een leugen op
de mouw, want er is op den heelen vloer geen spaandertje te vinden,
maar wel ligt de pen hier op tafel.
Ik vertrouw hem niet -- ik vertrouw hem al minder -- men zegt, dat
het in ons land krioelt van spionnen -- misschien is hij een
_spion!_"
Er gaat een zonderlinge beweging over haar gelaat. Zij stut het
hoofd met beide handen als een mensch, die voor een moeilijk
vraagstuk staat.
Is Kees Botter een spion, een verrader?
't Is haast te afschuwelijk, om het te gelooven.
Is hij geen spion? Waarom handelt hij dan zoo vreemd?
Zij weet, dat er in het naastbijgelegen dorp een Engelsch garnizoen
is gelegd; zij brengt verband tusschen Botter's uitblijven,
eergisteravond, en dat garnizoen; zij brengt eveneens verband
tusschen het schrijven van Kees Botter en dat garnizoen.
Zij kan de gedachten niet kwijt raken: Kees Botter is een spion.
Maar die gedachte, dat vermoeden jaagt het bloed sneller door haar
aderen. Er komt een dreigende rimpel op haar blank en effen
voorhoofd. Het is, alsof ze beginnen te weerlichten, die lichtlooze
oogen -- de dochter der vrije Emigranten-Boeren komt boven in het
blinde kind. Zij heeft haar vaderland lief, en voor de vrijheid van
haar volk plengt zij, als het moet, zonder aarzelen haar bloed.
Zij legt de pen op de plaats, waar ze gelegen heeft. Zij zet zich
weer aan de tafel, bij het opengeschoven raam, en rustig zet zij
haar breiwerk voort.
Kees Botter is eindelijk teruggekomen. Het zweet gulst hem van het
gelaat; zoo hard heeft hij geloopen.
"'t Is warm vandaag," zegt hij, "broeidend warm."
Het volgende oogenblik is hij het vertrek weer uit. Lena luistert
met voorovergebogen hoofd, waar hij heengaat. Haar scherp gehoor
volgt het zwakker wordend geluid van zijn stap.
"Hij is naar de wagenschuur," mompelt ze.
Met een snelle beweging tast zij nu naar de pen op de tafel -- ze is
verdwenen.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
Zij tast langs den schoorsteenmantel -- daar ligt ze; bij den
inktpot.
"Ik dacht het wel," zegt ze.
"Ik dacht het wel," zegt ze nog eens.
--------
HOOFDSTUK VII.
------
De Boeren hadden intusschen zoo hard gereden met den ossenwagen van
P. Bezuidenhout, dat het door heel de Transvaal had gedreund. En bij
de zeer gespannen verhouding tusschen het volk en de door hen gehate
Engelsche regeering achtten de voormannen het noodzakelijk, om de
groote volksvergadering, die zou worden gehouden op den 8sten
Januari, een maand te vervroegen.
Naar deze vergadering, in het zuiden des lands, bij Paardekraal,
trok een viertal ons wel bekende personen: de leeuwenjager, Jan
Kloppers, Herman Hoogerhuis en Kees Botter.
De leeuwenjager sprak weinig; dat was zoo zijn manier. Doch de
anderen, de jonge mannen, hadden het te drukker. Er werd geschertst
en gelachen; er heerschte een prettige geest.
Slechts éénmaal dreigde de goede verstandhouding verbroken te
worden.
Bij zeker dorp namelijk ontmoette hen een Engelsch ambtenaar. Die
ambtenaar maakte met Kees Botter een praatje, en zij gaven elkander
bij het heengaan de hand.
Het kookte en borrelde bij Jan Kloppers inwendig, toen hij dit zag,
en hij was er de man niet naar, om dit onder stoelen of banken te
steken.
"Jij bent een laf hartige kerel, om dat te doen," zeide hij toornig.
"Wien bedoel je?" vraagde Botter met onheilspellenden blik.
"Ik bedoel jòu," antwoordde Jan Kloppers met nadruk.
Het bloed schoot den prikkelbaren en eerzuchtigen Botter in het
gezicht.
"Zeg dat nog eens," zeide hij met dreigende stem, zijn paard een
heftigen ruk gevend, zoodat het tegen den moorkop van Jan Kloppers
aan bonsde.
Maar de Hollander kwam tusschen beide.
"Jan," zeide hij, "jij hebt ongelijk. Gij hebt niet het recht, om
Kees een lafaard te noemen, omdat hij een Engelschman de hand geeft.
Er zijn Engelschen, die met Afrikaansche vrouwen zijn getrouwd. 't
Zou een mooie boel worden als zoo'n vrouw haar man geen hand meer
mocht geven! Als het op vechten aankomt tegen de Engelschen, zal
Kees niet achteraan komen -- toe, geeft malkaar de hand!"
Nog een oogenblik weifelde Jan Kloppers -- toen reikte hij Kees
Botter de hand.
"Ik ben te driftig geweest, Kees," zeide hij op gullen, hartelijken
toon; "vergeef het mij! Wij waren altijd goeie kameraden -- laten we
't blijven!"
En hiermee was de twist bijgelegd. Tegen den avond bereikten de
ruiters de plaats van Lodewijk Jansen, een broeder van Anna, Dirk
Kloppers' vrouw. Van nacht zouden zij hier blijven, daar ze morgen
nog altijd een halven dag stevig hadden door te rijden, voor zij het
doel van hun reis hadden bereikt.
Lodewijk Jansen was van hetzelfde slag als Dirk Kloppers, maar hij
zag er strenger uit, harder. De aard van zijn vader, van Barend
Jansen, die zat er in. Op dat verweerde gelaat stond taaiheid te
lezen en onverzettelijkheid, en dat breede, stalen voorhoofd wist
van geen buigen. Hij was met hart en ziel de goede zaak toegedaan,
en inniger kon geen Israëliet de Filistijnen, de vijanden van zijn
volk, hebben gehaat, dan hij de Engelschen haatte. De Engelschen
_waren_ voor hem de Filistijnen, en Londen noemde hij Gaza en Asdod.
Hij stond met beide voeten op oud-testamentischen bodem, en met
beide handen hield hij vast aan deze wet: oog om oog, en tand om
tand.
De deuren zijner gastvrije woning had hij wagenwijd open gezet voor
de Transvalers, die naar Paardekraal trokken, en met een vijftiental
Boeren, meest allen forsch gebouwde mannen, stond hij op zijn erf de
naderende ruiters reeds op te wachten.
Nu sloegen onze vier ruiters de lange met abrikozen-boomen beplante
oprijlaan in, en reden recht op de groep Boeren aan.
"Welkom," riep Lodewijk Jansen met zijn zware stem, "weest welkom!"
"Zijn er geen spionnen onder u?" liet hij er op volgen met een
flikkering van zijn donkere oogen.
"Neen," zeide Jan Kloppers, "ik sta voor hen borg."
"Goed," hernam Lodewijk Jansen; "als een zoon van Dirk Kloppers dat
zegt, dan vertrouw ik er op."
Nu ging men naar binnen, en dat er druk over den staatkundigen
toestand werd gesproken, behoeft wel geen betoog.
"Ik denk, dat het lijdelijk verzet nu wel zal uit raken," zeide
Lodewijk Jansen, "en ik ben er blij om."
"De toestand is onhoudbaar," zeide een oude Voortrekker; "het wordt
nu _vechten_ of _trekken_."
"_Vechten_, als Engeland niet toegeeft," zeide de leeuwenjager.
"Of _trekken_," zeide een voorzichtige stem. "In mijn buurt maken
zich reeds verscheidene menschen reisvaardig, om naar 't noorden te
trekken."
"_Niet_ trekken," zeide een andere stem; "wij zullen toch eens met
Engeland _moeten_ vechten. En moet het toch, dan liever van daag dan
morgen."
"Dat is gemakkelijk gezegd," zeide de voorzichtige stem, "maar weet
ge wel, dat wij geen kanonnen hebben, en dat de Engelschen met elk
kanonschot minstens vijfentwintig der onzen zullen doodschieten?"
"'t Zullen er wel een paar minder zijn," zeide Jansen droogjes.
"En als wij de kanonniers bij de stukken neerleggen, dan worden de
Engelsche kanonnen al heel mak," voegde de leeuwenjager er aan toe.
"Zoo," zeide de voorzichtige stem, "maar ik zeg: Bezint voor ge
begint."
Doch nu stond er een kerel op als een reus, die achteraan zat in het
vertrek. Hij sloeg met de vuist op de tafel, dat de glazen
rinkelden, en riep: "Baas Verdoorn, je bent een erg verstandig en
voorzichtig man, maar met jou voorzichtigheid gaan we naar den
kelder. Verleden jaar, op zekeren nacht, reed ik naar huis, en mijn
huis stond in brand. Er was geen levende ziel te zien; mijn vrouw en
kinderen sliepen. 't Was erg onvoorzichtig van mij, baas Verdoorn,
om zoo maar het brandend achterhuis in te loopen, en de twee balen
buskruit er uit te halen. Gij zoudt u eerst bedacht hebben, baas
Verdoorn, want gij zijt een verstandig man, doch in dien tijd zouden
mijn vrouw en kinderen in de lucht zijn gevlogen."
"Wij hebben ons al drie jaar bezonnen," ging hij voort met toornige
stem, "me dunkt, we kunnen nu onder de hand wel eens beginnen."
Een goedkeurend gemompel ging door het groote vertrek, maar de
voorzichtige baas Verdoorn antwoordde; "Ge spreekt naar het
verstand, dat ge hebt, baas van Asch. Weet ge dan niet, dat Engeland
onuitputtelijke hulpbronnen heeft, en dat het voor elken
Engelschman, dien wij doodschieten, twintig en honderd in de plaats
kan stellen?"
"Huurlingen," riep baas van Asch, "huurlingen! Ze zuipen brandewijn,
en ze gaan dood aan een jeneverberoerte!" 1)
"En weet ge dan niet," ging Verdoorn voort, "dat bij ons alles in
eens in 't vuur moet? Dat wij geen reserven hebben en niets dan onze
geweren?"
"Wat raadt gij dan?" vraagde de leeuwenjager met nauwelijks
onderdrukte heftigheid.
"Dat heb ik reeds gezegd," antwoordde de aangesprokene: "trekken --
niet vechten. En misschien zal de Engelsche regeering ons nog eens
recht laten wedervaren -- in de toekomst --"
"In de toekomst," barstte de lange van Asch los, "in de toekomst!
Jij praat als een kind, baas Verdoorn, als een kind! Al wordt ge zoo
oud als Methuzalem, dat zult ge die toekomst toch nooit beleven om
de eenvoudige reden, dat die toekomst nooit zal komen. Engeland zal
geen recht doen, neen, nooit!"
"Ik ben het eens met van Asch," liet een zwaargebaarde man zich
hooren uit den anderen hoek van het vertrek: "eerst vechten! En
verliezen wij 't, dan kan elke Boer, die 't overleeft, zijn wagen
inspannen, en naar de wildernis trekken. Wij zullen dan doen, wat
Kommandant-Generaal Andries Wessel Pretorius 2) heeft gezegd: We
zullen van de woestijn ons schild maken, dat ons beveiligt tegen de
lagen van Engeland."
"Ge overdrijft," zeide Verdoorn op vinnigen toon, "ge overdrijft
schromelijk. Engeland heeft zijn ondeugden; 't is waar. Maar het
heeft zijn deugden ook."
"Noem ze," riep Lodewijk Jansen met harde stem.
"Engeland houdt het vierde gebod in eere, meer dan eenig ander
Volk," zeide Verdoorn.
"En het vertrapt het achtste, ook meer dan eenig volk," antwoordde
Lodewijk Jansen.
"Het zendt zijn zendelingen naar de Kaffers," zeide Verdoorn.
"En het rooft hun land," antwoordde Jansen.
"Het begiftigt en zegent de volken met Bijbels," zeide Verdoorn.
"En het vergiftigt en verwoest de volken door opium en brandewijn,"
antwoordde Jansen.
"En gij beweerdet zoo even," ging Jansen voort, en zijn gelaat stond
nog strakker dan gewoonlijk, "dat wij niets dan onze geweren hebben,
Verdoorn, maar wij hebben toch nog iets meer, dat gij vergeet,
namelijk ons goed recht. Wij kunnen tot God bidden, dat Hij onze
wapenen zegene, en dat kunnen de Engelschen niet. Wij hebben God aan
onze zijde, baas Verdoorn! En al zouden wij Boeren om onze vele
afwijkingen en overtredingen ondergaan in den strijd, dan nog zeg
ik: liever ondergaan in den strijd dan slaven worden van Engeland."
Hij was opgestaan; het begon te weerlichten onder zijn zware
wenkbrauwen.
"Men spreekt tegenwoordig van programma's," zeide hij met verheffing
van stem; "ik heb ook een programma. Het bestaat uit drie kleine
woordjes: _Vrij of dood!_"
Als een vonk in het buskruit, zoo werkte dit woord.
"Vrij of dood!" riepen de Boeren in uitbrekende geestdrift.
Men schudde elkander de hand -- men zwoer elkander trouw -- "vrij of
dood!"
En krachtiger dan gewoonlijk omklemde de hand van den leeuwenjager
den loop van zijn geweer.
1) Sinds generaal Wolseley tegen de alcohol krachtig is te velde
getrokken, is het jenevergebruik bij de Engelsche koloniale
troepen veel verminderd.
2) Zie "Helden van Zuid-Afrika" pag. 153 en vervolg.
--------
HOOFDSTUK VIII.
------
De Boeren, ook het gezelschap, dat wij bij Lodewijk Jansen hebben
aangetroffen, zijn te Paardekraal aangekomen.
Wel heeft de Engelsche generaal Lanyon, die te Pretoria verblijf
houdt, twee dagen geleden de bijwoning dezer volksvergadering te
Paardekraal op strenge straffen verboden, maar de vijf duizend
Boeren, die goed gewapend hier zijn verschenen, zijn niet gewend, om
zich in hun plannen door een Engelschen generaal te laten
dwarsboomen.
In afdeelingen van 300 à 400 ruiters rukken de Boeren aan, elke
afdeeling onder hun eigen vlag. Vóór de tent van Paul Kruger houdt
elke afdeeling halt, en brengt hem haar eere-saluut.
Met een plechtige godsdienstoefening wordt de vergadering geopend.
Men zoekt het aangezicht des Heeren, vóór het gaat in den strijd op
leven en dood.
Ieder is onder den indruk van het ernstige oogenblik. Oude veten
worden begraven, nieuwe banden gelegd. Men drukt elkander de hand;
men zweert elkander houw en trouw!
Men draagt zware klipsteenen bij één; tot een hoogen hoop; tot een
gedenkteeken der eendracht en eensgezindheid.
Het is een aangrijpend oogenblik, een hoogtepunt in het leven des
volks.
Schouder aan schouder, zoo staan zij daar: een éénig volk, een volk
van broeders!
De heldengeest der oude Voortrekkers en hooge geestdrift doortintelt
hun ziel.
En zij heffen de handen omhoog, en zweren bij Hem, Die eeuwig leeft,
de geliefde vierkleur trouw tot in den dood....
Herman de Hollander wijst naar een forsch gebouwden, breed
geschouderden Boer, die naar voren treedt.
"Wie is dat?" vraagt hij.
"Dat is nu Paul Kruger," zegt Jan Kloppers.
Kruger staat op een verhevenheid; aller oog is op hem gericht.
Naar den _vorm_ is hij de Vice-president, doch _feitelijk_ nu
president Burgers het land heeft verlaten, de president der
republiek.
Hij, Paul Kruger, gaat voor het geliefde volk der Emigranten-Boeren
thans het hoofd op het blok leggen.
Dat is werkelijk geen ijdele fraze.
"Ik zie," schreef de veel vermogende Osborne aan den Engelschen
generaal Lanyon in een brief, die door de Boeren werd onderschept:
"ik zie, dat mijn oude vrienden, de Boeren, opnieuw beginnen, de
verzenen tegen de prikkels te slaan. Wat is het ongelukkig, dat deze
misleide menschen voortdurend een prooi blijven van beginsellooze
schurken, 1) die van honger dood zouden gaan, zoodra die agitatie
bedaarde, en die reeds lang behoorden opgehangen te zijn. Laten er
maar eerst twee of drie terechtgesteld en veroordeeld zijn wegens
het bewerken dezer rustverstoringen, en wij zullen niets meer van
die dingen hooren."
De Engelschman Dartnell schreef aan Swart, den Engelschen
thesaurier-generaal te Pretoria: "Ik zie, de Boeren beginnen hun
gekkenwerk weer, maar ze zullen toch wel nooit vechten, denk ik.
Kunt ge geen plan bedenken, om Mijnheer Kruger op te hangen? Dat zou
een einde aan de oproerigheden maken."
Paul Kruger kent het groote gevaar, waarin hij verkeert, maar hij
deinst niet terug, want hij is een goede herder, en een goede herder
geeft zijn leven voor zijn schapen.
Als kind van tien jaar heeft hij, achter de kudden van zijn vader
aan, den gevaarvollen Trek van de Kaapkolonie naar de Transvaal
medegemaakt. Hij heeft met zijn volk geweend en gejuicht; geleden en
gestreden, nu al veertig jaar lang. Een huurling vlucht, als er
gevaar komt, maar een goede herder is nooit dichter bij zijn
schapen, dan wanneer het gevaar het grootst is, en Paul Kruger is
een goede herder.
Neen, _dat_ is de echte Paul Kruger niet, dien ge bij officiëele
gelegenheden ziet.
De hooge hoed staat hem niet en past hem niet; het zwart, lakensch
pak beknelt, belemmert hem in zijn bewegingen, en de breede sjerp
over de borst staat theathraal, gemaakt.
Neen, _dat_ is de echte Paul Kruger niet.
Gij moet hem zien, dezen zoon der wildernis, op het steigerende
paard, midden op het onmetelijke veld, in de kleedij der wildernis,
den breedgeranden hoed op den stevigen kop, het wambuis los om de
forsche leden, wijd open van voren, opdat de borst de vrijheidslucht
kan inademen der Afrikaansche bergen....
Daar is hij in zijn kracht; in zijn element; daar doet hij zijn
stoute daden!
Vraag het toch eens aan die luisterende Boeren, die thans als aan
zijn lippen hangen, wat hij kan, wat hij durft!
_Vast_ is zijn hand, en _wis_ is zijn schot.
Door een woedenden buffel achtervolgd, keerde hij zich om in het
zaâl, en joeg -- midden in den galop -- het schuimbekkende beest den
doodelijken kogel door den kop.
En _vlug_ is hij als Asahel, de broeder van Joab.
Hij heeft tegen de snelvoetige Zoeloe-hoofdlieden geloopen en hen
verslagen. Hij heeft -- op een afstand van 400 meter -- tegen een
ruiter gerend, die het vlugste paard uit den stal had gehaald, en
hij liep harder dan het paard.
_Voorzichtig, sterk_ en _onverschrokken_, dat is hij.
Eens was hij met zijn kommando op een krijgstocht tegen vijandelijke
kaffers.
Die Kaffers hadden zich 's nachts in een hinderlaag gelegd, in een
spelonk. Een der hunnen stond als voorpost bij den ingang.
Kruger sloop alleen voorwaarts en ontdekte den Kaffer.
Met de kracht van den panter sprong hij plotseling uit het
struikgewas te voorschijn, en vóór de vijand éénen kreet kon
uitstooten, omklemden de harde Boerenvingers zijn hals als ijzeren
schroeven.
De Kaffer was een kind des doods, en met onbegrijpelijke
koelbloedigheid nam Kruger, die met de oorlogsgewoonten der Kaffers
vertrouwd was, diens plaats in.
Hij bootste de veiligheidsgeluiden van den Kaffer na, tot dat hij
zijn manschappen bij zich had.
Toen verpletterde hij de Kaffers.
Op een tocht in 1845 barstte zijn geweer, en het lid van den duim
werd gekwetst.
Er was gevaar voor koud vuur.
Snel besloten nam hij het mes uit den lederen koker en sneed den
duim af.
Een woeste os wilde hem op zijn horens nemen.
Hij greep het beest bij de horens, en drukte met zijn reuzenkracht
den kop in den modder. Hij hield den kop in den modder, totdat het
beest was gestikt.
Dit alles kunnen u de Boeren vertellen, maar zij kunnen u nog meer
vertellen.
In het begin van 1864 stonden de Transvalers als twee vijandelijke
slagorden dreigend tegenover elkander.
Over het ééne kommando voerde Paul Kruger bevel; over het andere
generaal Schoeman.
Beide kommando's naderden elkander. Slechts een open vlakte, in
welker midden eenige klipkopjes verrezen, scheidde hen nog.
Maar de botsing was onvermijdelijk, en wie het eerst de klipheuvelen
in het midden der vlakte bereikte, was meester van het terrein.
Immers die klippen vormden een natuurlijke verschansing, en zonder
zich zelve bloot te geven, kon men den vijand neerleggen.
Die klipsteenen vormden dus den sleutel van de positie; Schoeman
begreep dit even goed als Kruger.
Beide kommando's stormden nu van tegenovergestelden kant, op die
klippen los, maar Paul Kruger en zijn mannen waren er het eerst.
De volgelingen van generaal Schoeman verschrokken, toen zij dit
zagen. Er kwam wanorde in hun gelederen; zij rukten hun paarden om
en vluchtten.
Zij waren nu echter weerloos aan Paul Kruger overgeleverd, want zij
moesten eenige honderden passen over de open vlakte terug, vóór zij
in veiligheid waren.
Reeds vielen er dooden.
Maar het sneed Paul Kruger door de ziel, dat broeders op broeders
zouden schieten. Snel sprong hij op de naaste klip, zwaaide zijn
geweer en riep met luid klinkende stem: "Stopt, mannen, stopt! Geen
enkel schot meer!"
Oogenblikkelijk verstomde het geweervuur. Zoo'n klem had Paul Kruger
op zijn manschappen.
Maar de tegenpartij was door deze daad van edelmoedigheid diep
getroffen, en de noodlottige burgeroorlog werd gestuit.
Reeds drie dagen later kwam de volledige verzoening tot stand.
De Boeren kunnen u nog meer vertellen.
Ruim anderhalf jaar geleden zou Sir Bartle Frère met het
volkscomité, waarvan Paul Kruger voorzitter is, een samenkomst
hebben te Kleinfontein.
Het volk was tot deze vergadering _niet_ uitgenoodigd, maar het
verscheen toch, in een getal van ruim 4000 goed gewapende Boeren.
Deze gedachte bezielde hen: "_Nu_ moeten we vechten; _nu_ is het
tijd. Sir Bartle Frère moet onze onafhankelijkheid beteekenen, en
het naar Engeland seinen. Anders nemen wij hem gevangen, hijschen de
Vierkleur en verklaren aan Engeland den oorlog."
Nog op denzelfden dag, 's namiddags, werd de groote tent opgeslagen,
en het comité nam zitting. Buiten de tent verdrong zich het volk;
het kon alles hooren.
Kruger opende de vergadering.
Hij vraagde het gevoelen der comitéleden.
Met bijna eenparige stem verklaarden zij: "_Nu_ moeten we op de
Engelschen gaan schieten! Nu of nooit! De Zoeloe's 2) hebben de
Roodrokken pas zooveel klop gegeven, dat wij, met hen vereenigd, de
Engelschen gemakkelijk in zee kunnen jagen, Natal innemen en onze
onafhankelijkheid verzekeren!"
Maar Paul Kruger zette zich schrap en schudde den schranderen kop.
"_Nog_ blijf ik bij _lijdelijk verzet_," zeide hij. "Wij kunnen niet
met de barbaarsche Zoeloe-Kaffers optrekken tegen de Engelschen,
want het is onzer onwaardig, en het bloed van onze broeders, door de
Zoeloe's vergoten, is nog niet gewroken." Maar het hielp niet.
"_Nu_ is het tijd om te vechten," antwoordde de groote meerderheid.
"Wij zullen de sympathie verliezen der beschaafde wereld," riep
Kruger.
"En onze vrijheid terug krijgen," antwoordde zijn tegenstanders.
"Engeland heeft een groote troepenmacht onder weg, om de Zoeloe's
ten onder te brengen," zeide Kruger, "en zijn ze met de Zoeloe's
klaar, dan zullen ze onze kleine macht verpletteren."
Maar met al zijn welsprekendheid vorderde hij geen duim. Met de
taaiheid van een Fries hielden ze vast aan hun idee: "Vechten,
dadelijk vechten!"
Kruger verdaagde de vergadering tot den volgenden morgen.
Het was nu avond geworden; een donkere avond. Een fijne motregen
viel neer. Niemand was meer buiten; ze waren allen in hun tenten.
Peinzend wandelde een man, in zijn regenjas gedoken, tusschen de
tenten door.
Nu en dan stond hij stil, en luisterde naar de gesprekken, die
binnen de tenten werden gehouden.
Er werden harde woorden gesproken.
"Als Kruger ons wil verhinderen, om op de Engelschen te schieten,"
zeiden sommigen, "dan zetten wij hem af, en kiezen Joubert tot onzen
voorman."
"Kruger zal nooit toestaan, dat wij tegen de Engelschen gaan
vechten," zeiden anderen; "daarom _moet_ hij worden afgezet."
"Och, _weet_ ge dan niet," zeiden derden, "waarom hij niet tegen de
Engelschen wil vechten? Toen hij den eersten keer met Jorissen naar
Engeland is geweest, om onze onafhankelijkheid terug te vragen, toen
hebben zij geld aangenomen van den Engelschen minister. Hij is door
den Engelschman -- omgekocht. Hij is een -- verrader."
Zoodanig waren de gesprekken.
En de peinzende man dook dieper in zijn regenjas en keerde terug
naar zijn tent.
Het was Paul Kruger.
Geen slaap ging dezen nacht over zijn oogen, maar hij kwam tot een
vast besluit.
Den volgenden morgen begaf hij zich naar de groote tent, en riep het
volkscomité bijéén.
Hij opende de vergadering met deze woorden: "Mannen Broeders!
Gisteren heb ik u mijne inzichten medegedeeld, en gij verschilt van
mij. Nu heb ik mijn besluit genomen. Op een pad, waarop ik geen
licht zie, kan ik niet vóór loopen. Ik wil nog bij lijdelijk verzet
volharden, en gijlieden wilt nu dadelijk uw land terug hebben of
tegen de Engelschen vechten. Nu, gaat dan voort op het pad, waarop
_gij_ licht ziet. En kiest voor mij mijnheer Joubert of een anderen
voorman. En waar gijlieden heen gaat, daar zal ik ook heengaan, en
waar gijlieden valt, daar zal ik ook vallen. 'Maar vóór loopen kan
ik niet op een pad, waarop _ik_ geen licht zie."
Zóó sprak Paul Kruger.
Er volgde een doodsche stilte.
Niemand sprak een woord.
Maar te diep wortelde Paul Kruger in het hart van zijn volk, dan dat
het hem kon loslaten.
"Neen, oude President," riepen ze eindelijk, en schudden zijn hand,
"neen, zóó is het niet bedoeld. Loop maar weer vóór op het pad,
waarop _gij_ licht ziet, en _wij_ zullen u volgen."
En Paul Kruger liep weer vóór, en bewaarde zijn volk voor een stap,
die heillooze gevolgen zou hebben gehad.
En nu -- kunt ge lezen, wat er geschreven staat op het menschelijk
aangezicht? Kunt gij uit de trekken en plooien van het gelaat de
gedachten ontcijferen, die woelen en worstelen in het hart van den
mensch?
Bezie toch eens het gelaat van dien man daar vóór u; op die
verhevenheid; sprekende tot het volk.
Maar bezie het met aandacht; bestudeer het, want anders ziet ge
_niets_.
Ontembare geestkracht, grenzenlooze onverschrokkenheid,
bewonderenswaardige zelf beheersching, onwrikbare volharding en
zeldzame scherpzinnigheid, het spreekt uit dit stevig, breed,
schijnbaar hard gelaat.
Onbuigzaam, dat is hij, waar het de vrijheid geldt van zijn volk;
onbuigzaam als Cromwell, de koning der rondkoppen. Doch daarbij
scherpzinnig en schrander als wijlen de oude kluizenaar te
Friedrichsruhe.
Neen, ze _lijmen_ hem niet, dezen zoon der wildernis!
Hij kent de grepen en knepen der staatsmanskunst, en met
vossensluwheid weet hij het looze, verraderlijke net te ontkomen.
Tegenover de meest geslepen staatslui van Europa heeft hij gezeten,
de eenvoudige man, die slechts met moeite kan schrijven, en hij keek
hen in de kaarten. Doch zijn effen gelaat verraadde het niet;
slechts een fijn, schier onmerkbaar lachje speelde dan om zijn
lippen.
Doch thans is dat fijn, ironisch lachje niet zichtbaar, en een wolke
van ontroering gaat over zijn gelaat.
Hij behoort tot die schaar van helden, die God op Zijn tijd verwekt,
wanneer Hij een vertrapt volk door den nacht van het lijden wil
heenleiden tot het morgenrood der vrijheid en der zegepraal.
Doch die helden voelen de volle zwaarte der verantwoordelijkheid,
die op hun schouders wordt gelegd, en Paul Kruger voelt ze ook.
Van daar die wolke van ontroering over zijn mannelijk gelaat.
Hij zal dat kleine, zwakke, aemechtige Boerenvolk uitleiden uit de
kluisters der Engelsche gevangenschap, en het brengen als een andere
Mozes in het Kanäan der vrijheid. En dit moedige hart, dat nooit
heeft gebeefd, deinst terug bij het gezicht der rookende
bloedplassen, waar de tocht doorheen zal gaan.
Doch hij sterkt zich in zijn God.
Daar ligt het geheim van zijn kracht.
Scheur dat Godsvertrouwen uit zijn ziel, en ge snijdt de lokken af
van dezen Afrikaanschen Simson.
Diep buigt hij voor zijn God in het stof, en daarom zal hij den
vrijen nek voor Engeland niet buigen -- nooit en nimmer!
De kommandant-generaal Piet Joubert, die straks de Boeren zal
aanvoeren in den heldenstrijd voor vrijheid en recht, heeft gezegd:
"Engeland is machtig, maar God is almachtig" -- Paul Kruger zegt er
Amen op.
En hoor nu het sobere, maar van mannelijke kracht doortintelde
woord, waarmede hij te Paardekraal den buitengewonen Volksraad op
Maandag 13 December 1880 opent, en -- den oorlog inluidt:
"Edel Achtbare Voorzitter en Leden van den Volksraad!
Ik sta hier voor uw aangezicht, geroepen door het Volk. In die stem
van het Volk heb ik gehoord de stem van God, den Koning der Volken,
en ik gehoorzaam. Ik heb niet gedacht aan mijn eigen bekwaamheid,
maar ik doe, wat mijn hand vindt om te doen...
Hier sta ik, ik kan niet anders, God helpe mij!
Het is niet noodig, een lange toespraak te houden. Uwe werkzaamheden
zijn noodig, om de regeering spoedig in staat te stellen, het land
volgens de Grondwet te besturen, en daartoe uit te voeren den wensch
van het Volk, zooals die in de besluiten van 15 December 1879 zijn
uitgesproken.
Ik heb in zoover gedaan, wat de wet van mij verwacht, maar nu is het
oogenblik gekomen voor den Edel Achtbaren Volksraad, om verdere
voorziening te maken voor het Bestuur des lands. Ik heb de eer u
voor te stellen, dit Bestuur voorloopig op te dragen aan een
Driemanschap.
Ik wil u herinneren, dat de zaak van het land, hoewel zeer ernstig,
toch volkomen wettig is. Het Volk heeft nooit den weg der wet
verlaten, heeft na de annexatie geprotesteerd, zich lijdelijk
verzet, en zou misschien nog andere vreedzame middelen hebben
verkozen, ware het niet, dat de Engelsche autoriteit in Pretoria dit
onmogelijk had gemaakt. Het recht der volken is aan onze zijde, en
hoe zwak wij zijn, onze God is een rechtvaardig God! Mijne Heeren!
De Heere zegene uwe werkzaamheden en bescherme ons Vaderland!"
Zóó sprak Paul Kruger.
Klonk het slot niet als een gebed?
Het antwoord van den Volksraad bij monde van zijnen voorzitter
Bodensteijn was van deze aanspraak de heldere, vastberaden
weerklank.
Het luidde als volgt:
"Hoog Edele Heer en Heeren!
Wij hebben de aanspraak van Z. H. Ed. den Vice President met een
warm gevoel van dankbaarheid vernomen omdat Z. H. Ed. den moed heeft
gehad, in dit moeilijk oogenblik, in naam van het Volk, de wet in
handen te nemen. Nooit zal het Volk der Zuid-Afrikaansche Republiek
vergeten, dat Gij -- toen de nood op het hoogst was gestegen --
onder het gevaar eener vijandelijke macht, hebt gezegd: "Hier sta
ik, ik kan niet anders, God helpe mij!"
Evenmin zal het volk het werk van het Comité vergeten, dat gedurende
de laatste vier jaren onzer onderdrukking werkzaam en waakzaam was
voor de belangen van ons Volk. En wij zijn hier met u -- en met ons
Volk -- bereid, om ons leven -- tot den laatsten man -- te offeren
voor de onafhankelijkheid van ons dierbaar Vaderland..."
Zoo sprak de Voorzitter.
De schildleeuw van het kleine, maar dappere Boerenvolk had zijn
ijzeren kluisters gebroken.
1) Met deze "beginsellooze schurken" waren Paul Kruger, Piet
Joubert en M. Pretorius in de eerste plaats bedoeld.
2) De Zoeloe's waren destijds in oorlog met de Engelschen. In dien
oorlog sneuvelde de zoon van Napoleon III, exkeizer van
Frankrijk. De oorlog eindigde met de onderwerping der Zoeloe's.
--------
HOOFDSTUK IX.
------
Op zijn vluggen moorkop gezeten, jaagt een eenzaam ruiter over de
onafzienbare, golvende grasvelden der Transvaal. Gisteren 15
December, is hij met zijn kameraden van Paardekraal vertrokken, en
van nacht heeft hij met hen bij een kennis gelogeerd. Maar het
ongeduld pakte hem, en toen de anderen nog sliepen, heeft hij, Jan
Kloppers, zijn klepper gezadeld.
Hij liet een boodschap achter, dat hij niet langer kon wachten, en
vóór het schemeren van den dageraad zette hij den tocht alleen
voort.
De morgenwind streelt zijn wangen, en vrolijk hinnikt de moorkop. De
ruiter heeft hem den teugel los over den nek geworpen, en regeert
hem door een druk van zijn knieën.
Over zijn schouder hangt de keurige tweelooper, en over de borst de
bandelier met de scherpe patronen.
"Toe, Moorkop," zegt hij in zijn alleenspraak, "toe, vooruit... Jij
moogt mee in den oorlog, hoor -- met jouw baas! Dat spreekt van
zelf... Wat zullen wij op die Roodbaatjes 1) schieten... Vader gaat
ook mee -- natuurlijk! En wat zal kaptein Raaff op zijn blekken
schotel slaan..."
Hij lacht van plezier, doch de snelle Moorkop rept zich, en suizend
gaat het over de golvende vlakte.
"Herman Hoogerhuis gaat ook mee -- natuurlijk. Een flinke kerel, die
Herman, maar 't schieten moet hij nog leeren. Enfin, dat leert men
van zelf, als men op de Roodbaatjes mikt... 't Is anders toch maar
een naar ding, zoo op je evenmensch te schieten -- 't is
verschrikkelijk! Maar wat is er aan te doen? Doodschieten doe ik ze
toch...
En Kees Botter gaat ook mee -- natuurlijk. Hij heeft het al gezegd.
Nu, hij zou ook geen goeie Afrikaander zijn, als hij niet meeging.
't Spijt me, dat ik verleden week zoo 'n standje met hem heb gehad,
maar dat moet vergeten zijn. Hij is sedert dien tijd meer dan
vriendelijk -- het is een beste kerel...
Maar jij, kleine Arie, jij kunt niet mee, hoor! Daar is geen kwestie
van. Gij zijt nog geen dertien jaar -- kinderen kunnen we bij 't
vechten niet gebruiken. 't Is werkelijk geen kinderspel -- 't zal
bloed kosten...
Ja, 't is toch een ernstig ding, zoo'n oorlog! Daar komt zoo 'n bom
voor je voeten neerploffen en slaat je in gruizelementen...
Dan ben je zoo maar in de groote, vreeselijke eeuwigheid, Jan...
Vader is niet bang om te sterven, maar ik wel, dat is waar. Doch
voor de Engelschen ben ik niet bang; dat is ook waar. Wij strijden
voor een rechtvaardige zaak, en we winnen 't zeker. Onze dappere
Paul Kruger zeide: "Slechts over onze lijken krijgen zij onze vlag,"
maar zoo'n vaart zal 't niet loopen. We gaan achter de klippen
liggen, en zullen ze schieten als boschduiven...
't Is echter miserabel, dat we geen kanonnen hebben, maar daar is nu
heelemaal niks aan te doen.
Nu we geen kanonnen hebben, zullen we 't zonder kanonnen doen, hé
Moorkop?", zeide hij, en hij sloeg den klepper op den blinkenden
hals.
Hij zette zich vaster in het zadel, en greep den lossen teugel. Hij
scheen den blanken loop der Engelsche kanonnen reeds te zien, wijd
in de verte.
"Vooruit, Moorkop," riep hij, "vooruit, wij zullen ze schieten als
boschduiven, hoera!"
Dirk Kloppers zat met eenige vrienden juist aan de koffietafel, toen
Jan, van het hoofd tot de voeten met een zware laag stof bedekt,
naar binnen stoof.
De Boeren sprongen bij zijn verschijning overeind, en met strakke
gezichten staarden zij op den pas gekomene.
"Welke tijding brengt ge?" vraagde Dirk Kloppers, "oorlog of
onderwerping?"
"Oorlog en vrijheid!" zeide de jonge man met gloeiende wangen. "De
Republiek is door het volk in haar rechten hersteld, en van het
gouvernementskantoor te Heidelberg wappert van daag onze vierkleur."
"God zij geloofd," riepen de Boeren, maar de grijze Voortrekker
zeide: "Was er eensgezindheid onder ons volk?"
"Die vijfduizend Boeren te Paardekraal voelden zich als één volk van
broeders. Nooit, nooit heeft er grootere eendracht geheerscht."
Toen riep ook de grijze Voortrekker, maar krachtiger nog dan de
anderen: "God zij geloofd -- Hij heeft onze gebeden verhoord!"
"Laat er nu komen wat er wil -- wij zijn sterk door onze eendracht,"
liet hij er op volgen.
Er heerschte een oogenblik zwijgen. Ieder was met zijn eigen
gedachten vervuld.
Jan ontdeed zich van geweer en bandelier, trok het wambuis uit en
zette zich aan tafel.
Zijn zorgende moeder kwam reeds aandragen met brood en vleesch en
schonk hem een dampende kop koffie in.
Peinzend staarde de vader door de kleine ruiten naar buiten; naar de
schemerende heuvelen in de verte.
"En vandaag wordt onze vlag geheschen te Heidelberg," zeide hij meer
tot zichzelven dan tot de anderen, "van daag, den 16den December.
Dat is de Dingaansdag; de dag, waarop ik 42 jaar geleden bij de
Bloedrivier medestreed tegen het Kaffergeweld. 't Is dezelfde datum;
't is een beschikking des Heeren. Toen, den 16den December 1838,
werd ons volksbestaan gered tegenover de Zoeloe's, en heden, den
16den December 1880, wordt ze gehandhaafd tegenover Engeland."
Hij liep op en neer, met snellen, veerkrachtigen tred; hij scheen
vijf en twintig jaren jonger. Zijn blauwe oogen begonnen te
schitteren, en bleven hangen aan den blanken loop van zijn
Henri-Martini-geweer, daar tegen den muur.
Zijn vrouw raadde zijn gedachten.
"Wanneer trek je in den oorlog?" zeide zij.
"Overmorgen," antwoordde hij; "is je dat te vroeg, Anneke?"
"Neen," zeide zij bedaard; "ik dacht het wel."
"Maar het kan een bloedige oorlog worden," zeide hij nadenkelijk.
"Dat weet ik," antwoordde zij.
"En als wij Boeren sneuvelen in den strijd, Anneke?"
"Dan," -- zeide zij, "dan -- zeg Dirk, hoe heette de Haarlemsche ook
nog, die de vrouwen aanvoerde in den strijd tegen de Spanjoolen?"
"Kenau Simon Hasselaar," antwoordde hij.
"Goed," zeide zij, "dan volgen wij vrouwen het voetspoor van Kenau
Simon Hasselaar. Sterven moeten wij toch -- dan is het beter in den
strijd voor vrijheid en recht op het ruime veld, onder het moordende
lood van den vijand, dan als slaven in onze bedstee."
Zij zeide dit op kalmen, bedaarden toon, maar het oog van den
grijzen voortrekker rustte met welgevallen op zijn vrouw.
"Zoolang onze vrouwen door zulke gedachten zijn bezield," zeide hij,
"is onze republiek onoverwinnelijk."
"En jullie trekt natuurlijk ook met het kommando op?" ging hij
voort, zich tot de andere aanwezigen wendend.
"Ja," riepen ze, "hoe eerder hoe liever."
Slechts één man stemde met dat geroep niet in, en schudde treurig
het hoofd.
"Ik kan niet meegaan," zeide hij, en hij hief zijn beide tot stompen
geschroeide handen omhoog.
"Ik weet het," antwoordde Kloppers. "Sinds ge door die noodlottige
buskruitontploffing zijt getroffen, kunt ge geen wapens meer
hanteeren. Maar uw zonen kunnen uw plaats innemen, Neef Piet."
"Dat zullen ze!" antwoordde de verminkte. "Alle zeven! En zij zullen
hun man staan; daar sta ik borg voor!"
"Dat weten we," riepen de Boeren.
Eenige uren later kwamen de leeuwenjager, Herman Hoogerhuis en Kees
Botter aan.
"Nu zullen we de Roodbaatjes raken, Oom," zeide Kees Botter.
"Ja, jongen, met Gods hulp hopen we dat te doen," antwoordde de
aangesprokene.
"En ik ga ook mee, Kloppers," riep Herman Hoogerhuis op moedigen
toon.
"Kom," zeide de Voortrekker vroolijk, terwijl hij den Hollander
hartelijk de hand schudde, "dat doet me goed. Dat is het
oud-Hollandsche bloed, dat zich niet kan verloochenen. Wij zijn
loten uit één stam, Herman."
"En het gaat tegen den ouden, gemeenschappelijken vijand,"
antwoordde de Hollander.
Nu trad de jonge Arie in den kring.
Hij kwam zoo pas van het veld, van de kudde, en zijn zuster, de
blinde Lena, had hem het groote nieuws reeds medegedeeld.
Maar het nieuws had hem opgewonden, en zich tot den ouden Kloppers
wendend, zeide hij met smeekende stem: "Mag ik ook mee, Grootvader?"
"Waarheen, jongen?" vraagde deze.
"Wel in den oorlog, Grootvader."
"Neen, mijn jongen," zeide Kloppers, en hij schudde zijn grijze
lokken, "gij blijft bij je grootmoeder en zuster."
"Waarom, Grootvader?"
"Omdat ge nog een kind zijt," hernam Kloppers op ernstiger toon.
"Ik _ben_ geen kind meer," zeide de jongen met een gekwetst gevoel
van eigenwaarde.
"Ja wel Arie, gij _zijt_ nog een kind," hernam de oude Kloppers op
beslisten maar vriendelijken toon.
"Ik ben ruim dertien jaar; dat vergeet ge, Grootvader."
De Jonge Arie zeide dit vol ijver, in groote opwinding, maar zijn
grootvader was niet van zijn stuk te brengen.
"Later," zeide hij, "later! Dan moogt ge mee!"
En hij lachte, terwijl hij dit zeide.
Maar zijn kleinzoon lachte niet.
"Neen, _niet_ later," zeide de jongen hartstochtelijk, "_niet_
later! Laat me _nu_ meegaan!"
En hoe onvermurwbaarder het hart van den ouden Kloppers scheen, te
dringender werd de jongen in zijn vragen.
Hij bad, hij smeekte -- hij wierp zich aan de voeten van den grijzen
Voortrekker.
"Sta op," zeide de Voortrekker, zelf geschokt.
"Neen," zeide hij, "ik sta niet op, tenzij ik mee mag in den
oorlog."
Al de hartstochtelijkheid, die diep verscholen ligt in het hart van
den Afrikaanschen Boer, kwam bij dit Transvaalsche kind tot een
plotselinge, heftige uitbarsting.
"Sta op," zeide de Voortrekker nog eens, "dat kan ik niet aanzien.
Ge zegt, dat ge geen kind meer zijt? Wel aan, ik zal je op de proef
stellen.
Het paard, waarmee ge in den oorlog zult trekken, en het geweer,
waarmee ge in den oorlog zult schieten, moet ge eerst op den
Engelschman veroveren -- dan moogt ge mee in den oorlog."
"Goed," zeide de jongen, overeind rijzend en de heete tranen uit de
oogen wisschend, "die voorwaarde is niet al te zwaar."