--------
HOOFDSTUK III.
------
't Gaat tegen den avond. De heete gloeiende zon neigt naar het
westen, en het geboomte, waartusschen het erf van Dirk Kloppers'
"Vredenoord" verscholen ligt, werpt lange, donkere schaduwen.
Kloppers' huis is lang en breed; slechts één verdieping hoog. Er
naast, door een breede ruimte gescheiden, staat de open wagenschuur.
In de nabijheid staan de hutten der Kaffers, die bij Kloppers in
dienst zijn. De kralen tusschen de kafferwoningen en het boerenhuis
bestaan uit lage, cirkelvormige muren, van klipsteenen opgebouwd, en
dienen des nachts tot stalling voor het vee.
Uit de verte ziet ge een groote kudde schapen langzaam naderen.
Vlugge keeshonden zwermen er om heen, dringen de afdwalende schapen
met luid geblaf terug tot hun makkers, en met lomen tred volgen, de
korte zweep in de hand, de kafferknechten.
De Kaffers zien er traag en vadzig uit. Slechts één onder hen,
Columbus, een reeds bejaard man, schijnt gunstig bij zijn
stamgenooten af te steken.
Hij draagt een lam in de armen, dat zich den poot heeft opengereten
aan een scherpen doornstruik. Hij heeft een medelijdend hart, deze
Kaffer, want anders zou hij het bloedende lam niet dragen. Blatend
en onrustig volgt hem de moeder, het oude schaap.
Het hoornvee is reeds in zijn stalling; gij hoort het aan het
geloei, dat opstijgt uit de koeienkraal. Juist gaat een Kaffer, in
elke hand een emmer, de kraal binnen, om te melken, want het is
melktijd.
Achter op het erf staan eenige Kaffervrouwen, de wollen dekens om
het half naakte lichaam geslagen, met groote, zware stampers de
milies 1) fijn te stampen in het blok. De kleine, zwarte
kroeskoppen, die daar in het zand liggen te rollen, zijn hun
kinderen.
Langs den steenen muur van het boerenhuis slingert de wijnstok zijn
sappige ranken, en drijft de abrikozenboom zijn veel beloovende
knoppen. Vóór het huis staat een lindeboom, welks dicht gebladerte
schaduw biedt tegen de felle zonnestralen, en daaronder staan eenige
harde, stevige, houten banken.
Van hier uit geniet uw oog een kostelijk vergezicht, met den in
duizend kleuren schitterenden bloementuin op den voorgrond, en ver
aan den horizon het dertig voet hooge bamboesriet en de blauwe,
zacht hellende heuvelen. Een klein stroompje slingert zich door het
vredig landschap heen, en zijn water blinkt in de scheidende
avondstralen als gesmolten goud.
Eén der banken onder den lindeboom is bezet.
Ge ziet er Teunis den leeuwenjager.
De leeuwenjager is nu al eenige maanden hier, bij Dirk Kloppers. Hij
denkt niet aan vertrekken, want te dreigend pakken zich de
oorlogswolken samen boven zijn vaderland. Het zal op vechten
uitloopen -- zonder twijfel. En zou hij dan aan de uiterste grenzen
van het land op de jacht kunnen gaan, en zijn broeders laten
strijden en bloeden? Die dat denkt, kent den leeuwenjager niet.
Neen, waarlijk niet. Gisteren zeide hij nog tot Dirk Kloppers: "Ik
waag er mijn oude knoken aan, al zijn ze vier en zeventig jaar oud."
Maar al is hij oud, hij zal zijn man staan! Nòg gaat hij voor geen
leeuw op zij -- hoe zou hij dan voor een Engelschman op zij kunnen
gaan!
Naast Teunis den leeuwenjager ziet ge nog twee menschen zitten; het
zijn Dirk Kloppers en diens vrouw.
Ze beginnen zoo zachtjes aan oud te worden; dat ziet ge aan het
grijze haar en aan die rimpels op hun voorhoofd.
Als er vijf en zestig Afrikaansche zomers op uw hoofd hebben
gebrand, dan wordt ge dat wel gewaar.
't Is nu zoo ongeveer veertig jaar geleden, dat zij zijn getrouwd.
Zij hadden met hun ouders den grooten Trek medegemaakt uit de
Kaapkolonie over de Oranje-rivier, vervolgens over het
Drakengebergte naar Natal en weer terug uit Natal, omdat Engeland
het wederrechtelijk annexeerde, totdat de moede Trekkers de zoo
vurig gewenschte staatkundige vrijheid over de Vaal-rivier, in de
Transvaal, hadden gevonden.
Toen was Dirk Kloppers met Anna Jansen getrouwd.
En _veel_ hebben zij ondervonden in die veertig jaren: vreugd en
leed; smart en troost. Donkere wolken gingen over hun hoofd, "doch,"
placht Kloppers te zeggen: "Gods goedertierenheid omlijste ze met
zilveren randen."
Gestadig werd het huishouden grooter, en een schaar gezonde kinderen
omringden als frissche olijfplanten den eikenhouten disch.
Dikwijls moest Kloppers van huis; met het kommando mee tegen de
Kaffers. Dan bleef vrouw Kloppers met eenige maar halfvertrouwde
Kafferknechten alleen achter bij de kinderen. 's Avonds, als zij de
kleine woelwaters naar bed had gebracht, hield zij de wacht, opdat
geen stroopende Kafferbenden het vee zouden stelen. De schort gevuld
met scherpe patronen, over haar schoot het geladen geweer -- zóó
hield ze de wacht!
In bonte afwisseling gingen de jaren snel voorbij.
De familie Kloppers had jaren gekend van zeldzame vruchtbaarheid en
jaren, waarin hun velden verschroeiden van droogte; jaren, waarin de
veelbelovende korenvelden werden verwoest door de vernielende
sprinkhanen, en hun rijke veestapel werd besprongen door de wilde
dieren, gedund door de plunderende Kaffers, vernietigd door de pest.
Maar Dirk Kloppers en zijn vrouw zagen in die tegenspoeden de hand
van hun getrouwen God, en zij geloofden, dat Hij kastijdt, om daarna
te zegenen. En in spijt van vele wederwaardigheden was hun bezitting
steeds grooter geworden en hun veestapel vooruit gegaan.
Hun kinderen waren groot geworden, en even als de jonge vogels,
kunnen zij vliegen, het oude nest verlaten, zoo hadden zij de
ouderlijke woning verlaten, en in het uitgestrekte gebied van de
Transvaal en den Oranje-Vrijstaat een eigen huis gebouwd. Elken keer
was er een vroolijk bruiloftsfeest gevierd, doch na elke bruiloft
was het ook iets stiller geworden in Kloppers' woning.
Twee kinderen, een jongen en een meisje, hebben zij op prillen
leeftijd verloren. Daar, achter in den tuin, in de schaduw van
eenige treurwilgen, dáár liggen zij begraven.
Het meisje bezweek aan de typhuskoortsen. Ach, het was zoo'n
hartelijk kind; zoo'n lief, vriendelijk bloemke! Maar de groote
Landman plantte het bloemke over in Zijn hemelsche gaarde, en de
ouders legden de hand op hun mond.
Boven op zolder, onder de half vermolmde daksparren, daar staat de
groote kist, waarin haar kleertjes zijn opbewaard.
Hoe menigmaal staart de trouwe moeder nog op die kleertjes!
En daarnaast liggen de kleertjes van het broertje, van Jantje, dat
naast zijn zusje ligt begraven.
Ach, dat Jantje, dat lieve ventje met die heldere, blauwe kijkers en
met dien guitigen glimlach!
De kleeren van dit kind zijn als doorweekt geweest van bloed en van
tranen. De bloedsporen kunt ge nog duidelijk zien, al zijn ze meer
dan twintig jaren oud, doch de tranen heeft de moeder geschreid.
Vóór het oog der moeder is dat lieve Jantje omgekomen.
Zij _zag_ het gevaar; zij _zag_ den leeuw, die haar kind wilde
bespringen.
Zij stond buiten; vóór het geopende raam. Zij reikte met den arm
door het geopende raam, en greep het zware, geladen geweer.
Zij legde het geweer aan op het hongerige roofdier, maar het ketste,
want het kruit was vochtig.
Toen was het lot van het arme kind beslist.
Nog _heden_ ziet zij den angstigen, op zijn moeder geslagen blik van
haar lieveling, en dat oogenblik was voor haar banger, dan toen zij
de van bloed druipende assegaaien der wilde Zoeloe-Kaffers voor zich
zag. 2)
Reeds lag het kind onder den scherpen klauw van het roofdier, maar
vrouw Kloppers greep een mes, en snelde op het monster aan. En had
zij geen mes gehad, dan had zij 't zóó gedaan -- met de bloote hand.
Want welke liefde evenaart de moederliefde? Is zij niet sterk als de
dood en diep als het blauw des hemels?
Onder haar oog bezweek haar lieveling, vóór zij de noodlottige plek
had bereikt, en ook zij zou bezweken zijn, ware haar broer --
Lodewijk Jansen -- niet vlak in de nabijheid geweest. Hij rukte het
geweer van den schouder en joeg den leeuw een kogel door den kop.
Maar vrouw Kloppers was haar Jantje kwijt...
De echtelieden Kloppers hadden later nog een kind gekregen, een
jongen, en zij noemden het Jan, naar het andere, dat zij hadden
verloren.
En Dirk Kloppers zeide een keer tot zijn vrouw: "Zet eens een leege
flesch op zestig meter afstands van hier, en druk er een kurken stop
op."
En vrouw Kloppers mat den afstand, en plaatste de flesch met den
kurken stop op de behoorlijke plaats. En Kloppers zeide: "Als ik den
stop nu niet van de flesch schiet, dan is het een slecht schot,
Anneke."
Hij mikte even en schoot de stop van de flesch.
Toen zeide hij: "Anneke, haal eens den appel, die binnen op de tafel
ligt." En toen zij den appel had gehaald, zeide hij: "Gooi hem hoog
de lucht in, en als mijn kogel niet door het klokhuis gaat, dan is
het een slecht schot, Anneke."
Zij deed, zooals hij had gezegd. En hoog in de lucht, zonder dat
Kloppers scheen gemikt te hebben, ging zijn kogel midden door den
appel heen.
"'t Is een meesterschot," riep Anna, den doorgeschoten appel in de
hand, met stralenden blik.
"Nu doe gìj je meesterschot," zeide hij lachend.
"Later," zeide zij, "later!"
Geen veertien dagen later deed zij haar meesterschot.
Nog vandaag gaat er een rilling door haar leden, als zij daaraan
denkt.
Haar jongen, de kleine Jan, zat op eenigen afstand van de woning in
het zand te spelen. En geen dertig pas van hem vandaan lag een
groote, hongerige tijger op de loer.
Haar man was niet thuis; hij was op de jacht.
Zij greep het groote olifantsroer, en mikte tusschen de oogen van
het roofdier. Zij gloeiden als vurige kolen.
Als het kruit weer eens vochtig was -- haar hart bonsde, alsof het
bersten zou.
Daar drukte zij af -- de vuurstraal glipte uit den loop van het
geweer.
Loodrecht vloog de tijger omhoog, en plofte toen met een harden slag
dood tegen den grond.
Toen Dirk Kloppers 's avonds thuis was gekomen, en de wond van het
roofdier had onderzocht, zeide hij: "Anneke, dat is jòu
meesterschot!"
Maar Anna zeide: "De Heere ondersteunde mij, en Hem willen wij
danken!"
Toen legde haar man de hand op haar schouder en antwoordde: "Anneke,
ik ben het volkomen met je eens!"
Zoo werd het leven van den kleinen Jan bewaard, en hij is nu het
laatste kind, dat nog in huis is, en hij is opgegroeid tot een
krachtigen, rijzigen, jongen man. Reeds heeft de lezer hem ontmoet
bij het wachtvuur op het kopje. In zijn blauwe oogen schittert vuur,
en zijn spieren zijn sterk als de spieren van een jongen leeuw.
Zoo hebben Dirk Kloppers en zijn gade veel ondervonden in hun leven,
en daar zij elkander werkelijk uit liefde hebben genomen, is de
bedding dier liefde steeds dieper geworden. Zij gelijken op twee
boomen, die, naast elkander geplant, hun takken en twijgen al
vaster, al inniger en hechter door elkaar hebben gestrengeld.
Anna is trotsch op haar man -- mag zij niet trotsch op hem zijn?
Draagt hij niet het litteeken op zijn voorhoofd, dat in haar oogen
schooner is dan een blinkende ridderorde? Heeft hij dat litteeken
niet gehaald vlak voor de monding van het Engelsche kanon, dat hij
met zijn kameraden bestormde? Was hij niet steeds een der eersten in
den strijd tegen de Kaffers? Heeft hij, toen de Boeren door
onderlinge veten werden uitéen gescheurd, tot bezinning gekomen,
niet in edele zelfverloochening meegeholpen, om de klove te dempen?
En heeft hij niet rusteloos meegewerkt, totdat de Boeren weer
stonden schouder aan schouder, zooals het broeders betaamt van 't
zelfde huis? En is hij niet groot en geëerd in den raad van zijn
volk, en hebben de Boeren niet gezegd: "Hij wordt sprekend zijn
vader, de dappere voortrekker Gert Kloppers?"
Daar achter in den tuin, in de nabijheid van zijn twee
kleinkinderen, daar rust het gebeente van Gert Kloppers. En naast
hem rust zijn vrouw, de trouwe Hanna, die genoemd werd een moeder in
Israël.
In vol geloofsvertrouwen ging de moegeworden zwerver zijn laatste
reis aanvaarden, doch het scheen, dat voor den stervenden
Voortrekker de sluier der toekomst werd teruggeschoven. Met het oog
van een ziener staarde hij vooruit.
Even voor zijn heengaan richtte hij zich nog overeind in de groote,
bruine bedstee, en zeide tot de treurende familiebetrekkingen en
vrienden, die hem omringden: "Engeland zal komen, als ons land
begeerlijk wordt in zijn oogen, en zal onze onafhankelijkheid willen
rooven. Het is onverzadigbaar; daarom zal het ons volk trachten in
te slokken.
Ziet in den weg des vredes dit te voorkomen. Gelukt dit niet, grijpt
dan naar het zwaard! 't Is beter onder te gaan als een vrij volk,
dan te leven als een volk van slaven!"
Toen Gert Kloppers dit had gezegd, had hij een pauze gemaakt, en
peinzend door de kleine ruiten naar buiten gestaard, naar de wolken,
die hoog en luchtig voorbijdreven. En na die pauze had hij gezegd:
"Maar de rechtvaardige God zal onzen ondergang niet gedoogen. Hij
zal het niet gedoogen, dat het kleine, aemechtige volk der Boeren
wordt vermorzeld onder den ijzeren voetzool van het machtige
Engeland!"
Het eerste gedeelte van Gert Kloppers' voorzegging is in vervulling
gegaan.
De Transvaalsche schildleeuw is in banden geklonken; de vrijheid
vermoord.
De Engelsche staatkunde, die groot is in 't huichelen, heeft een
harer grootste triumfen gevierd en een vrijheidlievend volk op het
hart getrapt!
Op het hart getrapt -- ja, zoo is het!
Dirk Kloppers en de leeuwenjager, daar in de schaduw van den
lindeboom gezeten, ze zijn er beiden van overtuigd. Ze hebben de
zaak van alle kanten bekeken; ze hebben de argumenten van Engeland,
die voor de annexatie worden aangevoerd, gewikt en gewogen, maar ze
kunnen tot geen andere slotsom komen dan tot deze: "Het
Transvaalsche volk is op het hart getrapt!"
Op den knoestigen boomtak boven hen wiegt zich de groene papegaai;
in het gras snort de kever, en uit het boschje klinkt het smeltend
lied van den nachtegaal.
De sprekers merken het niet.
De gloeiende vuurbol raakt thans de lange heuvelrijen aan den
westelijken horizon, en de hooge gomboomen werpen reusachtige
schaduwen.
De sprekers zien het niet.
Hun oogen zien slechts een gewond, bloedend hert, en dat hert is hun
volk.
Maar het geluid van naderend paardegetrappel en daartusschen de
klank van vroolijke stemmen geeft aan hun gedachtengang een andere
richting.
Vrouw Kloppers is opgestaan, om de komenden te verwelkomen.
Drie er van zijn u bekend: Jan Kloppers, Herman Hoogerhuis de
Hollander en Kees Botter.
De vierde en de vijfde, die achter de anderen aankomen, een jongen
en een meisje, zijn kinderen van Dirk Kloppers' oudste dochter
Mieke, die met een Boer uit den Oranje-Vrijstaat is gehuwd.
Tijdelijk behooren zij thans tot Dirk Kloppers' huishouding.
Hij, Arie, is ruim dertien; zij, Lena, ruim twaalf jaar.
Dat ze broeder en zuster zijn, ziet ge op den eersten oogopslag,
maar toch -- welk een onderscheid!
Hij is groot voor zijn leeftijd; zij is tenger. Bij hem is alles
vroolijkheid en leven; over haar gelaat gaat reeds een trek van
lijden.
Zij heeft een ernstig maar schrander en aanvallig gezicht. En die
aanvalligheid drukt zich in hare bewegingen uit. Zij helpt ook mede
in het huishouden, en daarin is zij vlug en bij de hand, in zoover
als men zulks kan verwachten van eene -- blinde.
Sedert vier jaren is zij reeds blind. Toen, vier jaren geleden, kwam
er een ontsteking op haar linker oog, en die ontsteking plantte zich
over op haar rechter. Langzaam, maar zeker, ging er een net over
haar heldere kijkers, al dichter en dichter, totdat het avond,
totdat het nacht werd voor het ongelukkige kind.
Wel is dat een harde slag geweest voor Lena.
Het groene loover hoort zij ruischen boven haar hoofd, maar zij ziet
het niet; de geurende bloem des velds, het beekje, kabbelend
tusschen zijn oevers, de springbok, huppelend boven de rotsen, de
zonnestralen, spelend over het groene landschap, de maan en de
sterren, neerblikkend van den diep blauwen, nachtelijken hemel --
heel die natuur is voor haar geworden een met zeven zegelen gesloten
boek!
Van daar die droeve trek op haar gelaat; van daar dat stille, in
zich zelf gekeerde wezen.
En toch leeft deze ongelukkige, deze jeugdige blinde mee met haar
volk, en vlug en verstandig als zij is, ziet zij met haar blinde
oogen den toestand helderder in dan vele oude menschen.
De toesnellende Kaffers hebben intusschen de van den snellen rit
warme paarden in ontvangst genomen en naar den stal gebracht.
"En hebt ge iets bijzonders vernomen?" vraagt de oude Kloppers aan
het nieuwe gezelschap, dat zich mede onder den lindeboom op de harde
banken schaart.
"Wij hebben een man uit Potchefstroom 3) gesproken," antwoordt Jan
op levendigen toon; "daar is de boel in de war geloopen of recht
geloopen, net, zooals ge 't neemt."
"Zoo!" zegt zijn vader, terwijl hij bedachtzaam de pijp uit den
mond neemt.
"Ge weet, dat de Engelsche regeering de belasting wil innen," zegt
Jan.
"Dat weet ik, ik heb zelf een aanschrijving gehad," antwoordt zijn
vader.
"En gij hebt niet betaald," zegt Jan.
"Natuurlijk niet," zegt zijn vader, "want dan zou ik de wettigheid
van het Engelsch bestuur erkennen, en dat doe ik nooit! Ik wil wel
betalen, maar onder _protest_, en daarin zijn bijna al de Boeren het
eens. Wij verlangen, dat de Engelsche regeering op de
belastingkwitanties uitdrukkelijk het _protest_ vermelde."
"Daarin heeft ze geen zin," zegt Kees Botter.
"Dat is _haar_ zaak," zegt de oude Kloppers; "_wij_ doen 't niet
anders. Maar vertel op, Jan, wat is er te Potchefstroom gebeurd?"
"Wel, P. Bezuidenhout wilde zijn belasting niet betalen, en zijn
ossenwagen werd voor het gouvernementskantoor gebracht, om publiek
verkocht te worden. Maar ge kent onzen voorman Piet Cronjé?" 4)
"Of ik hem ken," zegt de oude Kloppers. "'t Is een verstandige,
moedige, onverbasterde Afrikaander, die het hart op de rechte plek
heeft zitten."
"Nu," herneemt Jan, "die kwam met zijn Boeren ook aan zetten;
Bezuidenhout was inmiddels op den wagen geklommen en zeide:
'Burgers, ik ben onwillig om te betalen, daar de belasting veel te
hoog is, en verder moet jullie het nu maar weten.' Hij verliet
daarop den wagen, en Cronjé zeide: 'We _zullen_ 't ook weten; de
ossenwagen wordt _niet_ verkocht.' Nu sprong echter één der klerken,
een Hollander, op den wagen, en zeide parmantig: 'Wie biedt er geld
voor?' Maar hij was gauwer van den wagen dan er op; hij kon zich
later niet meer herinneren, of hij met de voeten of met het hoofd
het eerst op den grond was."
"Flink zoo," zeide de oude Kloppers, terwijl hij genoegelijk aan
zijn houten pijp trok, maar de oogen van den leeuwenjager begonnen
te schitteren.
"De Engelsche landdrost echter kwam tusschen beide, om een
waarschuwend woord te spreken. Doch toen een stevige Boer, van het
echte hout gesneden, hem de vuist onder den neus hield en zeide:
'Ruik daar eens aan,' toen droop de Engelsche lord af."
"Goed zoo," zeide Dirk Kloppers. "Vrouw -- geef mij den buil met
tabak eens aan -- Teunis, stop eens, je pijp is uit gegaan, kerel --
Jan, ga voort!"
"Op een wenk van Piet Cronjé gingen toen de Boeren aan den wagen
staan, en brachten hem aan den eigenaar terug."
Er volgde een pauze.
Allen waren onder den indruk van de ernstige tijding.
De oude Kloppers staarde, groote rookwolken uitblazend, naar de
verte, in de snel vallende schemering; vrouw Kloppers dacht aan het
verleden, toen haar man in den strijd tegen de Engelschen voor dood
werd opgenomen van het slagveld, en Teunis de leeuwenjager streelde,
in gedachten verdiept, den grooten kop van zijn hond.
"Maar Jan, ge hebt nog niet alles verteld," riep de vroolijke stem
van den Hollander.
"De Engelsche winkeliers in Potchefstroom zijn bang geworden," begon
de zoon van Kloppers opnieuw, "want zij vreezen den oorlog."
"De oorlog is ook vreeselijk," zeide de jonge Lena op zachten toon,
maar haar broer Arie hield dit voor een zeer ongepaste aanmerking en
zeide: "Daar heb jij geen verstand van."
"Doch de beroemde Raaf heeft hen getroost," zeide Jan, zonder op de
opmerkingen van Lena en Arie acht te slaan.
"Raaf -- wie is Raaf?" zeide de leeuwenjager.
"Een Engelsch kapitein," antwoordde Jan; "hij behoort bij het
Engelsche garnizoen te Potchefstroom. Nu, deze beroemde Raaf heeft
de bange winkeliers getroost en tot hen gezegd: Menschen, bedaart
maar! Als de Boeren komen, ga ik onder een boom staan, en sla op een
blekken schotel. Dan gaan al de Boeren op den loop!"
Met een schaterlach, die luid weerklonk door de vredige stilte van
den avond, werden de troostwoorden van mijnheer Raaf aangehoord.
Slechts twee menschen lachten niet mee; het waren de leeuwenjager en
de oude Kloppers.
Laatstgenoemde nam zijn hoed, zette hem op, daar het koel begon te
worden en zeide op droogen toon: "Wij zullen zien, dat we dien
gevaarlijken schotel te pakken krijgen."
Maar de leeuwenjager was hartstochtelijker aangelegd dan zijn vriend
Kloppers.
Hij stond op en zeide op toornigen toon: "Nog bespotten ze ons, maar
het uur der wrake zal slaan, en de dag zal komen, dat deze helden
zullen beven als riethalmen bij het knallen van ons geweer -- maar
wordt het geen tijd, om naar binnen te gaan, Nicht Anneke?"
"Ja," zeide ze, "het begint koel te worden; wij gaan naar binnen."
Nu stonden de ouden op.
Zoo recht als een kaars, met veerkrachtigen tred, schreed Dirk
Kloppers naast den gespierden leeuwenjager voort. Die 't niet wist,
had Kloppers voor een vijftiger gehouden.
"Als het tot een oorlog komt, dan gaat Vader voorop," zeide Jan. "En
wij vechten met hem naast elkander, hè Herman, hè Kees?"
"Ja," zeide Herman, "naast elkander."
"En wij zullen de Roodrokken schieten als reebokken," zeide Kees
Botter, die den heelen avond schier geen woord had gesproken.
"'t Was jammer, dat we van daag den vuurbol niet hebben gesproken,
Jan," zeide Herman.
"Den vuurbol? O, nu begrijp ik je. Maar we hebben zijn vrouw toch
gesproken," antwoordde Jan.
"Ja, die weet er nu alles van," zeide Herman. "Ik ben bepaald
benieuwd, hoe de vuurbol zich houdt, als hij hoort, dat hij mee moet
in den oorlog."
Nu stappen ook de jongelieden naar binnen, en het werd stil onder
den lindeboom. Het avondeten stond reeds gereed, en geen uur later
ging men naar bed.
Na de bedrijvige drukte van den dag heerschte nu op het erf van Dirk
Kloppers diepe, nachtelijke rust. Slechts het eentoonig, zwaarmoedig
gezang van een Kaffer, zittend op den dorpel van zijn hut, werd
vernomen, en de groote waakhonden van Dirk Kloppers, met hun breede
muilen, liepen los over het erf van "Vredenoord".
Doch Dirk Klopper's vertrouwen berustte niet op de waakzaamheid van
zijn honden. Zijn vertrouwen was uitgedrukt in den psalm, dien hij
heden avond na het avondeten met langzame, ernstige stem had
voorgelezen: "Ik zal in vrede te samen nederleggen en slapen, want
Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen!"
1) Maïs.
2) Zie "Helden van Zuid-Afrika". Pag. 128.
3) Een stadje in het zuidelijk deel van Transvaal.
4) Zijn volle naam is Pieter Arnoldus Cronjé; hij is de held van
Krugersdorp.
--------
HOOFDSTUK IV.
------
De man, door Herman Hoogerhuis, "de vuurbol" genoemd, is één van
Kloppers' naaste buren. Hij woont twee uur gaans van Kloppers' huis.
Dat noemden de Boeren destijds dicht bij.
Woonden zij op een half uur afstands van elkander, dan zeiden zij:
"Wij zitten boven op elkaar; we zullen stikken." En zij spanden den
sterken ossenwagen in, en bouwden een nieuwe woning, midden in de
eindelooze wildernis.
Ja, die wildernis, dat eenzame, golvende grasveld, met hier en daar
een kleinen vijver, schitterend in de zonnestralen, of een beekje,
dartelend tusschen de heuvelen, ja, die wildernis is naar het hart
van den Afrikaanschen Boer. _Hier_ voelt hij zich thuis; _hier_ kan
hij aarden. Hier, waar niets de kalme rust verstoort dan het knallen
van een zweep, het loeien van een os en het ratelen van een zwaren
wagen ver weg, op het breede, zandige transportpad. 1)
Niet het _bouwland_ maar het _grasland_ trekt den Boer aan. Hij is
geen echte landbouwer, geen akkerman. Hij heeft weinig op met de
ploeg, en hij zaait niet meer dan noodig is. Het bewerken van den
grond eischt harden arbeid in gebukte houding, maar de Boer houdt er
niet van, om te bukken.
De Boer is een _herder_, en zijn trots bestaat in de uitgestrektheid
zijner weidevelden, in zijn talrijke kudden, zijn sterke ossen, zijn
paarden en schapen.
Om een mooie woning maalt hij niet. Er sluimert in zijn hart een
aangeboren _trekzucht_, en hij houdt niet van een huis, dat al te
hecht is opgetrokken, omdat het de familie _bindt_ aan een _vasten_
haard.
Zijn echte, ware woning is de ossenwagen, het met een linnen huif
overdekte, op vier wielen rustende huis, en als hij straks met zijn
broeders optrekt in den oorlog tegen Engeland, en het Engelsche
geweld zou zegevieren, en zijn broeders zouden vallen in de passen
van het Drakengebergte, dan zal hij zijn ossenwagen inspannen, en
met vrouw en kinderen voorttrekken naar het noorden, onder de oogen
van den almachtigen God der oude patriarchen, de vrijheid
tegemoet.....
Zóó is de kern van het volk, doch daarom zijn niet al de Boeren zoo.
Bij sommigen is die trek naar vrijheid en onafhankelijkheid al zeer
zwak ontwikkeld, doch het zijn er niet velen; 't zijn eenlingen. En
tot die eenlingen behoort onze goeie "vuurbol."
Ginds ziet ge hem op het uitgestrekte veld zijn kudde schapen
weiden.
Dit land is van hem; hij heeft het eenige jaren geleden gekocht voor
een oude poney, die hij missen kon. Maar 't land is er ook naar.
Overal ziet ge het roode zand tusschen de magere grassprieten
doorgluren. Het is lang zoo goed niet als het land van Kloppers; het
lijkt er niet naar. Maar de "vuurbol" heeft weinig eischen, en hij
schikt zich in zijn lot.
Onder een overhangenden boom, die schaduw biedt, vleit hij zich
neer.
Nu kunt ge hem goed opnemen.
Hij heeft lang, sluik, rood haar. Het bedekt zijn groote ooren; het
hangt tot in zijn gezicht.
Hij heeft lange armen, lange handen, lange beenen en lange
veldschoenen van ongelooid leer aan zijn voeten.
Aan dezen man is alles lang behalve de jas, die betere dagen heeft
gekend, en waarvan de panden nauwelijks reiken tot de helft van den
rug.
Zijn voorhoofd is laag, en zijn gezicht is bedekt met zomersproeten.
Hij heet Leen Blok, en de jonge, bonte hond, die daar naast hem zit,
heet Flink.
Leen Blok grijpt met de hand naar zijn langen, mageren hals. Dat
doet hij zeker elke vijf minuten. Hij schijnt het land te hebben aan
zijn langen hals, even als men het land heeft aan een boord, die te
hoog is. En iederen keer, als zijn baas naar den hals grijpt, begint
de jonge, speelzieke hond te blaffen.
"Schei er uit, Flink," zegt hij wrevelig.
Flink houdt onmiddelijk op, maar nauwelijks maakt Blok weer een
verdachte beweging naar boven, of de hond begint opnieuw.
Een paar keeren staat Leen Blok op, om zijn schapen te tellen. Dan
gaat hij weer zitten, en tuurt met lodderige oogen over de
troostelooze vlakte.
Denken doet hij niet veel; 't is te warm om te denken. Hij veegt
zich met den mouw het zweet van het gezicht.
't Is een dorre streek. De schapen moeten tot tusschen de
doornstruiken hun pover voedsel zoeken. Eentoonig strekt zich het
landschap uit; kaal en mager als een heideveld.
Tegen den middag neemt Leen den geruiter, katoenen buil, die naast
hem ligt, en haalt er zijn middageten uit: een stuk schapevleesch,
in een grauw papier gerold, en een paar sneden bruin brood.
De kleine kruik staat er naast; ze is gevuld met koude koffie, die
door de hitte lauw is geworden.
Leen zet zich nu op zijn gemak neer. Het schapevleesch haalt hij uit
het grauwe papier, en legt het bij zich neer; op het papier daar
naast het bruine brood. Reeds heeft hij de kurken stop van de kruik
gedaan en een slok koffie genomen.
Wat gaat het toch vreemd toe in de wereld, denkt hij. Kloppers heeft
alles volop in de wereld, en hij slechts een kluif schapevleesch en
een stuk hard brood. Kloppers loopt alles mee en heeft geen
zomersproeten -- waarom zit hij toch zoo vol zomersproeten?
Zijn blik dwaalt naar zijn schapen.
De Engelsche koopman geeft aan den rijken Kloppers altijd meer voor
de wol dan aan hem -- waarom toch? Is zijn wol minder goed? De
Engelschen liggen nu met de Boeren overhoop; dat is net goed --
waarom geven zij hem niet meer voor de wol?
Flink zit tegenover zijn baas met ongeduld het oogenblik te
verbeiden, dat het maal zal beginnen, waarvan allicht een paar
brokken voor hem overschieten. Hij zit met schuinschen kop, het
rechter oor over het oog, en met kwispelenden staart zijn baas met
strakken, hongerigen blik aan te kijken.
Ja, het gaat er vreemd naar toe in de wereld, denkt Leen, en hij
grijpt ouder gewoonte naar zijnen langen, mageren hals.
De hond ziet het en begint te blaffen als een razende.
Leen Blok, anders tamelijk lankmoedig, wordt woedend, en trapt met
zijn lange beenen naar den hond. Hij raakt hem niet, maar de kruik
met lauwe koffie wel. Klokkend vloeit het vocht weg in het rooie
zand. Snel wil de schaapherder de omgevallen kruik weer overeind
brengen, doch van dit oogenblik maakt de jonge hond gebruik, om zich
met een stouten sprong van den schapen-bout meester te maken.
Wat nu te doen? De lange Blok is wanhopig. Radeloos gaan zijn
vingers door het sluike, ongekamde haar.
"Kom, mijn hondje! Kom Flinkje!"
Maar Flink vertrouwt het niet.
Op eerbiedigen afstand legt hij zich neer, de lekkere kluif tusschen
de pooten. Van de gloeiende warmte smelt het vet.
"Hondje, kom nou: Geef mij het kluifje! Je zult je part hebben;
eerlijk, hoor!"
Maar het hondje schijnt blijkbaar weinig vertrouwen te stellen in
het aanlokkelijk voorstel van zijn baas. Hij slaat de scherpe tanden
in het vleesch, en peuzelt het op tot het been.
Doch nu schijnt Leen Blok ontoerekenbaar te worden. Hij grijpt de
nog half gevulde kruik met het doel, er den hond mee dood te gooien.
Met den staart tusschen zijn pooten zet Flink het op een loopen, en
de kruik vliegt tegen de harde klipsteenen in duizend stukken.
Moedeloos zet de herder zich in de schaduw neder, het harde, bruine
brood verorberend, dat thans krioelt van mieren.
Dan stut hij het hoofd tusschen de handen, en tuurt onbewegelijk
naar den grond.
Al dieper zinkt zijn hoofd.
Een nieuwsgierig schaap nadert hem en besnuffelt zijn gezicht; de
hond zit weer naast hem, snapt naar de nijdige vliegen, en tikt met
den poot ongeduldig tegen de knie van zijn baas. Maar Leen Blok
bemerkt het niet, want hij slaapt, en hij wordt eerst wakker, als de
zon den horizon is genaderd.
Verschrikt springt de herder op, wrijft zich den slaap uit de oogen
en drijft zijn kudde naar huis.
Terwijl blaft zijn hond, die achter hem loopt, tegen de schaduw van
den langen, mageren hals, welke naast Leen Blok over het heideveld
glijdt, en hapt hij naar de gescheurde broekpijpen van zijn baas.
Trijntje, de vrouw van Leen Blok, was een en dertig jaar; twee jaar
ouder dan haar man. Kinderen hadden zij niet.
Zij was een goeie sul; zonder pretenties. Uit dat welgedane gezicht
keken twee kleine oogen vriendelijk de wijde wereld in.
Juist had zij de twee magere koeien gemolken, toen haar man met de
schapen naderde. Zij liep hem, hartelijk als gewoonlijk, tegemoet,
maar zij zeide weinig, en zwijgend gingen de twee menschen door het
dorre bloementuintje, waar tusschen het weelderig opgeschoten
onkruid drie eenzame zonnebloemen hun leven sleten, op huis aan.
Trijntje lichtte de klink op van de onderdeur, want de bovendeur was
geopend, en men trad het zeer eenvoudige vertrek binnen, waarvan de
vloer bestond uit eene hard geworden vermenging van leem en koemest.
Nadat nu Trijntje twee tinnen borden op de ruwe tafel had geplaatst,
en een ijzeren pot met dampende miliespap er naast, schikten zij en
haar man aan.
Gulzig sloeg Leen Blok de pap naar binnen, zonder op zijn vrouw te
letten, die weinig at.
Hij had bepaald honger.
Toen de eenvoudige maaltijd was afgeloopen, nam Trijntje de borden
en plaatste ze op den grond, vóór den hond, die ze schoon likte.
Trijntje wachtte geduldig tot dit werk was afgeloopen, en plaatste
vervolgens de borden weer op den hoogen, breeden schoorsteenrand,
hun oude standplaats.
"Zoo'n hond," placht Trijntje te zeggen, "is een nuttig dier, want
het maakt de borden schoon; dat spaart een vaatdoek uit."
Het begon nu te schemeren, en de echtgenooten gingen nog even een
luchtje scheppen.
Zij gingen naast elkander zitten op den versleten, houten dorpel.
Niemand sprak een woord.
Het was een wonderschoone avond.
Het westen vlamde van vuur en goud, en in het oosten legerden zich
de avondwolken als een kudde lammeren rondom den herder.
Maar Trijntje had geen oog voor die schoonheid; zij zuchtte.
Eindelijk verbrak zij de stilte.
"Leentje," zeide zij, "wij zullen moeten scheiden."
"Wat," zeide hij, terwijl hij met zijn stok lange streepen in het
zand haalde, "wat?"
"Wij moeten scheiden, Leen," zeide zij nog eens.
Met de grootste verwondering staarde hij zijn huisvrouw aan.
"Waar wil je dan heen, Trijn?" vraagde hij.
"Ik ga niet weg," zeide zij.
"Wie dan?"
"Wel gij!" antwoordde zij.
"Ik?" vraagde hij in de grootste verbazing. Hij begreep er niets
van.
"Ik weg? Waarom ik weg?"
"Omdat ge moet!"
"Omdat ik moet?"
"Ja, Leen, omdat ge moet. Ge moet mee in den oorlog tegen de
Engelschen."
Als er een bliksemstraal uit den wolkeloozen hemel voor de voeten
van Leen Blok was ingeslagen, had hij niet harder kunnen schrikken
dan thans.
"Wie zegt dat, Trijn?" riep de schaapherder, terwijl hij opstoof, en
in zijn opgewondenheid zijn vrouw bij den arm greep; "wie zegt dat?"
"De Hollander heeft het gezegd en Jan Kloppers. Zij waren dezen
voormiddag hier."
"Maar dat is gelogen," riep Leen Blok; "dat is gelogen. Wie moet de
schapen dan oppassen, als ik er niet ben?"
"Dat zal ik moeten doen, Leentje!" zeide zijn vrouw op zachten toon.
"Gij," -- zeide hij -- "gij?" en hij keek haar aan met minachtenden
blik.
Trijntje echter voelde zich door deze uitlating gekwetst, en haar
huisvriend voelde, dat hij te ver was gegaan.
Hij tastte in zijn verlegenheid naar zijn mageren hals, de hond
begon te blaffen als een razende en Trijntje snikte.
Het was een onbeschrijfelijk tooneel, en er volgde een pijnlijke
pauze.
"Huil nu maar niet, Trijntje!" zeide hij eindelijk, vriendelijker
dan zoo even; "'t was niet zoo erg bedoeld."
Zij nam haar katoenen boezelaar en wischte zich de oogen.
"En aan wien moet ik later de wol verkoopen? Er is natuurlijk niet
één Engelschman, die de wol meer van Leen Blok wil hebben, als hij
hoort: Leen Blok heeft op ons geschoten. Ik zit zoo leelijk in de
knoei, als ik ooit in de knoei heb gezeten, Trijn," zeide hij, en
hij wrong zich de handen.
"Bedenk, het is voor een rechtvaardige zaak, dat gij optrekt, lieve
man," zeide zij op schuchteren toon, maar hij antwoordde niet.
"En heeft Jan Kloppers het gezegd?" vraagde hij opnieuw.
"Ja," zeide zij, "neef Jan heeft het gezegd, en hij voegde er bij,
dat elke man, die het hart op de rechte plaats heeft, vrijwillig mee
optrekt met het kommando."
"Zoo," zeide hij, terwijl hij zich het sluike haar uit het gezicht
streek, "dat is een steek op mij. Zal ik je wat zeggen, Trijn -- die
Kloppers' dragen het hart altijd hoog, en zij denken, dat er al
wonder wat gewonnen is, als wij Boeren maar eerst door de Engelsche
kanonnen zijn doodgeschoten."
"Maar ik ga nog niet graag dood, Trijntje; neen, werkelijk niet,"
liet hij er op volgen, en hij keek haar met zijn groote, waterige
oogen droevig aan.
Nu echter kon Trijntje het niet langer uithouden; zij viel hem om
den hals en weende.
"En zij raken mij eerder dan een ander," zeide hij, "want ik ben zoo
lang."
"Dan moet ge je schoenen uittrekken; dat zijt ge wat korter," snikte
zij.
"En op mijn sokken gaan vechten?" zeide hij wrevelig.
Trijntje trok haar schouders op; de goeie ziel wist niet meer, wat
ze zeggen moest.
"Kom," zeide, hij, "wij gaan slapen; 't is morgen weer vroeg dag."
De avond was nu gekomen, en vriendelijk blonk de avondster boven de
schamele woning van Leen Blok.