[Illustratie: GENERAAL JOUBERT.]
HOOFDSTUK I.
------
't Is nacht. En 't is stil op het onmetelijke veld. Slechts het
gebladerte beweegt zich van het kreupelbosch, en fluisterend gaat de
nachtwind door het lange, gepluimde Tamboeki-gras.
Hoog aan den hemel staan de sterren van Afrika. Ze schitteren en
fonkelen als diamanten op een donker gewaad.
Ginds, boven een eenzaam kopje 1), blinkt een ster, helderder dan de
andere.
't Is geen ster; het leek maar zoo. 't Is een brandend vuur.
Dicht in de nabijheid van dat vuur zit, op een kleinen, gekantelden
klipsteen, een man.
Hij heeft een kleine, houten pijp in den mond, en zit te rooken.
Aan zijn rechterzijde ligt zijn geladen tweeloopsgeweer; aan den
linkerkant zit Turk, zijn hond. Het dier heeft groote, schrandere
oogen en staart even als zijn baas in het heldere, vroolijk
opvlammende vuur.
Op eenigen afstand graast een paard. Het is ongekluisterd; het
behoort eveneens aan dien peinzende man bij het vuur.
Hij werpt een nieuw houtblok op het vuur, want het is koud, en het
vuur verspreidt een aangename warmte. De vlammen slaan nu hoog uit,
en duidelijk kunt ge thans de gelaatstrekken van den man
onderscheiden.
De middaghoogte des levens heeft hij reeds lang achter den rug. Ge
ziet het bij den eersten oogopslag aan dien zwaren, grijzen baard,
en aan dat grijze haar, dat weelderig te voorschijn komt van onder
den bruinen, breedgeranden hoed. Ook loopen er zware rimpels over
zijn verweerd en door de zon verbrand gelaat.
Maar de ouderdom heeft zijn kracht nog niet gebroken, en zijn
spieren zijn hard als staal.
Onafgebroken staren zijn oogen in het schijnsel der vlam, en in die
oogen liggen moed en onverschrokkenheid. Hij voelt zich hier, bij de
nachtelijke duisternis, midden in het eenzame, onmetelijke veld,
even goed thuis als bij helderen dag in het drukke gewoel van het
lager 2).
Neen, angst heeft Teunis Smit, de beroemde leeuwenjager, nooit
gekend. Zelfs niet op het hachelijk oogenblik, toen een tijger hem
plotseling van achter besprong, en met den scherpen klauw de wang
openscheurde.
Ge kunt het breede lidteeken nog zien, al is het twintig jaar
geleden. Dààr, op de linkerwang.
De pijp is leeg gerookt. De eenzame man haalt uit den zak van zijn
leeren buis, waarover de bandelier, gevuld met scherpe patronen, is
bevestigd, den tabaksbuil, en stopt de pijp op nieuw. Vervolgens
neemt hij een brandenden tak, en steekt ze daarbij aan.
Nu gaat zijn hand liefkozend over den ruwen, harigen kop van zijn
hond, en het trouwe dier legt den grooten kop op de knie van zijn
meester. En het kijkt hem aan, alsof het zeggen wil: Wij behooren
bij elkaar.
De leeuwenjager strekt de handen uit naar het vuur en warmt ze. Maar
hij staat op en luistert, want zijn scherp oor meent het gehuil van
een wild dier te hebben vernomen. Met twee vingers in den mond fluit
hij zijn paard. Het komt aanloopen als een hond; de jager heeft het
daarop gedresseerd.
"Ik wou niet graag, dat de wilde dieren je oppeuzelden, Voske," zegt
de jager; "blijf hier bij het vuur."
Werkelijk blijft het paard in de nabijheid van het vuur, doch het
gehuil in de verte is verstomd.
De jager werpt nieuwen voorraad op het vuur, en de dorre takken
kraken en knetteren, doch anders heerscht overal doodsche stilte.
Slechts het loover van het kreupelbosch, onder aan den voet van het
kopje, ritselt in den nachtwind, en langzaam, bijna onhoorbaar
bewegen zich de grashalmen heen en weer.
Het gelaat van den leeuwenjager neemt een peinzende houding aan.
Zijn oog is op de grillige, flikkerende vlammen gericht, maar het
ziet ze niet. Het staart ver terug naar lang vervlogen dagen, toen
de Boeren uit de Kaapkolonie trokken naar het tegenwoordige
Transvaal. Heeft hij, Teunis Smit, dien tocht niet medegemaakt? Was
hij niet in het Boerenlager, dat door de woedende Matabele-kaffers
werd bestormd? Heeft hij niet den stouten tocht over de
duizelingwekkende hoogten van het Drakengebergte medegemaakt? Heeft
hij niet medegestreden tegen die horden bloeddorstige duivels, die
Zoeloe's werden genoemd?
De leeuwenjager stut het hoofd met zijn hand.
Onbewegelijk staart hij in het vuur. Zijn pijp is lang uit gegaan.
Zijn oogen worden vochtig, en twee groote tranen rollen over zijn
verweerde wangen.
De nachtwind steekt op, en klagend strijkt hij door het lange, dorre
gras.
De hond schijnt iets van de smart van zijn meester te gevoelen, en
het trouwe dier likt zijn handen.
Maar zijn meester merkt het niet.
Meer dan veertig jaar heeft de wond tijd gehad, om te genezen, maar
genezen is ze niet, en genezen zal ze nooit.
_Zij_ zou de zijne worden. _Zij_ zou hem, den wilden jagersman,
leiden met haar zachte hand, en hem een gezellig, prettig tehuis
bereiden. Een eigen tehuis, waarin _zij_ de goede engel zou zijn.
Vriendelijker dan de sterren van Afrika, daar boven zijn hoofd,
blonken _haar_ oogen als sterren op zijn pad.
Doch door de gouden toekomstdroomen suisde de scherpe assegaai 3),
en sneed een leven af, dat hij lief had als zijn eigen.
De leeuwenjager steunt, en Turk kijkt hem aan met zijn groote,
schrandere oogen.
Ver in 't zuiden, ginds in Zoeloe-land, daar ligt zij begraven:
Mieke Kloppers.
Met eigen handen heeft hij, voorzichtig en behoedzaam, de schoonste
klipsteenen op haar graf gestapeld, opdat des daags geen aasvogel,
en des nachts geen roofdier haar ruste zou storen.
De vochtige schemering droogt langzaam op in zijn oogen, en een
ander beeld gaat aan zijn ziel voorbij.
Hij werpt een grooten, verdorden doornstruik op het vuur, dat begon
te kwijnen.
Zie, hoe de vlammen hoog op flikkeren!
Maar de vlammen der brandende Zoeloe-kralen 4) stegen toch nog
hooger, toen de Boeren uittogen ter bloedwraak.
En toen de harde Boerenvuist de kracht der Zoeloe's had gebroken,
toen kwamen de Engelschen, en zij stalen Natal, dat de Boeren met
hun vee en met hun bloed hadden gekocht.
Peinzend vouwt de leeuwenjager de handen over zijn knie. Wat _hem_
betreft, hij had zich liever _dood_gevochten dan Natal opgegeven.
Maar de Boeren hadden daartoe geen vrijheid gevonden, want aan gene
zijde van het Drakengebergte, in de Transvaal, wenkte hen de zoo
vurig begeerde onafhankelijkheid.
Zoo trok men naar het noorden, naar de Transvaal, en hij, de eenzame
zwerveling, die vader noch moeder meer had, werd als een kind des
huizes opgenomen in het gezin van den wakkeren Gert Kloppers, den
vader van Mieke.
Met een stok schuift de leeuwenjager de brandende takken en twijgen
dichter bij elkaar. Maar Turk strekt zich lang uit bij het vuur, met
den snuit tusschen de voorpooten, en met gespitste ooren.
Hij, de leeuwenjager, had het goed bij Gert Kloppers, maar zijn
ontembaar jagershart dreef hem de wildernissen in tot aan de
uiterste grenzen der Transvaal. Bij een breeden stroom, waar de
sporen van leeuwen en olifanten zich kruisten, waar de grond dreunde
onder de hoeven van duizenden buffels, en waar het krokodil tusschen
het golvende oeverriet zich koesterde in den middaggloed, daar
bouwde hij zich, boven op den top van een heuvel, zijn woning. Hij
maakte ze zoo sterk als een klein fort, en hier woonde hij met een
kafferknecht tot op dezen dag.
Hij zou wat kunnen vertellen uit de rijke geschiedenis zijner
jachtavonturen! Was hij niet vele jaren de eerste scherpschutter
geweest onder de Emigranten-Boeren? 5)
Eens stond hij tegenover een van woede schuimbekkenden buffel, die
den jager op zijn hoornen wilde nemen. De kogels van zijn tweelooper
waren te licht, om het dier te vellen. Snel besloten schoot hij het
razende dier de oogen uit; één voor één. Toen was het weerloos, en
hij doodde het met zijn lang jachtmes.
Een anderen keer doodde hij een krokodil door met den tweeden kogel
den eerste dieper in te drijven in het vleesch van het monster.
Door een olifant achtervolgd, struikelde hij. Reeds hief de reus den
vreeselijken poot op, om zijn vijand te vermorzelen. Maar de jager
sprong tegen den poot op, en klemde er zich aan vast, zooals een
matroos bij noodweer zich vastklemt aan den grooten mast, om niet
overboord te worden geslagen. Spoedig kwamen zijn kameraden, en
redden hem uit zijn gevaarlijke positie.
De leeuwenjager stookt het wachtvuur op. Hij wrijft zich vergenoegd
de handen, want hij heeft altijd schik, als hij denkt aan zijn
menigvuldige avonturen.
Hij vat de veldflesch en neemt een hartigen teug Kaapschen wijn.
Vervolgens werpt hij een grooten houtblok in het vuur, dat de vonken
stuiven.
't Is toch gezellig bij zoo'n vuur, midden in de eindelooze
wildernis! Het verkwikt; het koestert. Het geeft licht en warmte. En
't houdt de wilde dieren op een afstand.
De leeuwenjager stopt opnieuw zijn pijp. Het paard achter hem schudt
de ruige manen.
Hij is nu op reis naar Dirk Kloppers, den oudsten zoon van Gert
Kloppers.
De wakkere Gert Kloppers is al jaren dood. En de edele ouderling de
Jong, en de stugge Barend Jansen, en zoo vele anderen, die den
uittocht uit de Kaapkolonie hebben medegemaakt, al die ouden zijn
dood. Al die ouden zijn dood en begraven.
Zoo gaat het met de heerlijkheid van den mensch, Teunis Smit!
De mensch groeit, bloeit en sterft.
Het gaat hem als het dorre gras, Teunis Smit, dat gij daar in uw
hand hebt, en dat gij in den vuurgloed werpt.
Gisteren bloeide het nog, en nù wordt het in den vuurgloed geworpen.
Het flikkert op en verdwijnt. Niets dan wat asch -- dat schiet er
over.
De leeuwenjager legt het hoofd tusschen zijn handen, en staart met
strakken blik in het brandende vuur.
De brand slaat nu hoog uit, tot één groote, machtige vlam, recht
opgaande als de spits van een dom, die naar boven wijst....
De maan is thans opgegaan van achter de donkere bergen. En even als
een moeder, die haar slapende kinderen kust, zoo kust zij de aarde.
Reeds schemeren de toppen der bergen en der heuvelen in haar zacht
glanzend licht, en dat licht breidt zich uit over het onmetelijke
veld als een stroom, die dam noch dijken kent.
Slechts in de spelonken en de spleten, aan de achterzijde der bergen
en tusschen de overhangende rotsen heerscht de duisternis van den
nacht.
De leeuwenjager is opgestaan en rekt de forsche leden. Hij kijkt bij
het schijnsel van het vuur op zijn ouderwetsch horloge: 't is kwart
vóór één.
Zijn scherpe oogen turen naar de verte; hij meent een verdacht
geluid te hebben gehoord. Ook de hond is overeind gerezen en laat
een zacht geknor hooren.
Nu is 't weer stil.
Slechts de nachtwind fluistert eentonig in het lange schrale gras,
en ritselend beweegt zich het loover van het kreupelbosch.
Doch thans herhaalt zich het gedruisch; duidelijker nog dan zooeven.
De jager kijkt naar zijn paard. Het staat, met neergebogen kop,
achter hem; het geeft geen enkel teeken van onrust. 't Is een
bewijs, dat er geen roofdier in aantocht is.
De jager legt het oor op den grond en luistert. Hij hoort den
hoefslag van paarden.
Nu rijst hij overeind, en ziet vlak vóór zich een donkere schaduw
naderen. Zij nadert snel; ze komt recht op zijn wachtvuur aan.
Hij zet zich weer neer, op den gekantelden klipsteen, maar de
tweelooper bevindt zich thans in zijn handen.
Nu zijn de drie naderende ruiters te onderscheiden, en dicht bij het
kopje gekomen, springen ze vlug uit het zaâl.
De middelste werpt de teugels los over zijn paard en zegt eenvoudig:
"Stilstaan, Moorkop!"
Het paard verroert zich niet.
Maar de twee anderen kluisteren hun kleppers.
"Heidaar, ouwe heer," roept de ruiter rechts, "wat voer je daar uit
bij nacht en ontij?"
"Wat voeren jùllie daar uit?" antwoordt de aangesprokene, terwijl
hij heel bedaard de rookwolken uitblaast.
"Ben jìj 't, oom Teunis?" roept de bezitter van den moorkop; "ben
jij 't, Teunis Smit?"
Maar nu springt de leeuwenjager, terwijl hij den tweelooper
wegschuift, blijde verrast overeind. Hij heeft die tweede stem
herkend.
"Ik ben zoo zeker Teunis Smit als jij Jan Kloppers bent. Kom maar
gauw, kerel!"
Vlug klauteren de ruiters den heuvel op.
"Wel, wel," zegt de leeuwenjager, terwijl hij Jan Kloppers hartelijk
de hand schudt: "dat noem ik nog eens een verrassing in de
wildernis. Ik ben net op reis naar je vader -- wel, wel, dat is een
verrassing! Ik zal nog wat hout op het vuur gooien -- zie zoo, nu
kunnen wij elkander wat beter zien!"
't Gebeurt zelden, dat de in zichzelf gekeerde jager zooveel woorden
aan één stuk spreekt. De verrassing heeft hem blijkbaar spraakzaam
gemaakt.
"Doch wie zijn die twee?" laat hij er op volgen, terwijl hij de twee
kameraden van Jan Kloppers bij het schijnsel van het flikkerende
vuur met zijn scherpe oogen monstert.
"Dat is," zegt Jan, op zijn nevenman rechts wijzend wijzend, "mijn
vriend Herman Hoogerhuis, een Hollander."
Dit was zoo. De wieg van Herman Hoogerhuis had hier ver vandaan, aan
den oever van een Hollandschen stroom, gestaan. Maar de reislust en
de zucht naar avonturen had hem, den zoon van goeden huize, de wijde
wereld ingedreven, totdat hij, bij de Transvaalsche Boeren
aangeland, het daar zoo uitstekend naar zijn zin had gevonden, dat
hij er voorloopig zijn anker had laten vallen. Ofschoon er bij hem
aan geld geen krimp was, had hij, om toch eenigszins nuttig te zijn,
hier en daar bij de Boeren aan de kinderen huisonderwijs gegeven,
doch de gastvrije woning van Dirk Kloppers was zijn eigentlijk
tehuis geworden.
"Zoo," zegt de leeuwenjager op bedachtzamen toon, "ben jij een
Hollander? Zoo!"
Maar hij reikt hem toch zonder aarzelen de hand.
"En die daar, wie is dat, neef Jan?"
"Dat is Kees Botter; een echte Afrikaander, even goed als gij en ik.
Hij helpt ons in de boerderij."
Kees Botter is een geboren Afrikaander uit Natal. Zijn ouders zijn
dood. Verleden jaar, een transport ossenwagens, met koopmansgoederen
geladen, vergezellende, werd hij, in de nabijheid van Dirk Kloppers'
plaats 6) gekomen, plotseling ongesteld. Kloppers nam hem op en
zorgde voor den zieke, tot hij geheel hersteld was. En daar hij vlug
van begrip, sterk en ondernemend was, nam Kloppers hem gaarne in
dienst. Van zijn ondergeschikte betrekking voelt Botter echter
weinig; hij wordt behandeld als een kind des huizes. Trouwens zijn
vader was even goed een Afrikaansche Boer als Dirk Kloppers.
Botter is iets kleiner van postuur dan zijn beide kameraden, doch
zwaargebouwd, en op de breede schouders staat de korte, stevige nek.
Zijn gelaat teekent eene voor niets terugdeinzende wilskracht, en in
zijn grijze oogen flikkeren list en eerzucht.
Met gefronste wenkbrauwen en een hem zelf onverklaarbaren
achterdocht neemt de leeuwenjager den Afrikaander uit Natal van het
hoofd tot de voeten op.
Kees Botter steekt hem de hand toe, en slechts aarzelend neemt de
leeuwenjager ze.
Gaat er een voorgevoel door zijn ziel, dat hij door deze hand zal
sterven?
Doch snel heeft hij zijn wantrouwen overwonnen, en op zijn gewonen,
ouden toon vraagt hij: "Hoe komen jullie toch hier?"
"Dat zullen we je dadelijk vertellen," antwoordt de Hollander,
terwijl hij den jager aankijkt met zijn vroolijke, bruine oogen,
"maar help ons eerst maar aan wat eten, als ge 't hebt, want ik
verga van honger!"
"En ik!" zegt Jan Kloppers.
"En ik!" zegt Kees Botter.
"Kom aan, ik heb nog wel wat," antwoordt de leeuwenjager. Hij neemt
een langen reep biltong 7), dat dicht bij het zadeltuig ligt en
reikt het over. Dan neemt hij de veldflesch, en houdt ze met een
onderzoekenden blik vlak voor de vlam van het vuur.
"En hier in de flesch zit voor jullie alle drie nog een flinke slok
wijn; dat zal je opknappen."
De drie ruiters laten zich niet lang nooden. Als jonge wolven, die
in geen dagen iets in 't lijf hebben gekregen, zoo vallen zij op het
droge, taaie vleesch aan, en het gaat naar binnen als klokspijs.
Nu, dat is ook geen wonder, want als ge twaalf uur lang zonder
voedsel op de Transvaalsche hoogvlakte zijt geweest, dan krijgt ge
honger.
Nu maakt de veldflesch de ronde, en ze gaat leeg tot den laatsten
drop.
"En thans zal ik het je vertellen, oom Teunis, wat de oorzaak is,
dat wij hier in het holle van den nacht kwamen aangaloppeeren," zegt
Jan Kloppers.
"Wij waren reeds eenige dagen op bezoek bij een paar familieleden,
toen wij gisteren middag de tijding vernamen, dat de zending van
onze voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad geen
resultaat had gehad. Gladstone laat ons in den steek."
"Wie is Gladstone?" vraagt de leeuwenjager.
"Zie je," zegt Jan op schertsenden toon, "dat komt er nu van, als ge
je leven tusschen olifanten, rhinocerossen en nijlpaarden verslijt.
Dan weet je niet eens, wie Gladstone is."
Maar op ernstiger toon gaat hij voort: "Gladstone is een der
invloedrijkste mannen in Engeland, en zoo pas minister geworden. Nu
dachten onze aanvoerders: Als Gladstone maar minister is, dan komt
er hoop, want hij heeft een open oog voor het onrecht, dat ons is
aangedaan. Doch die hoop is thans vervlogen, want hij heeft
woordelijk dit verklaard: 'Ik kan de koningin niet adviseeren, om
het oppergezag over de Transvaal op te geven.' Toen wij dit nieuws
hoorden, hebben wij onmiddellijk onze paarden opgezadeld, en hebben
ons gehaast, om thuis de ernstige tijding over te brengen."
Er volgt een pauze. Zwijgend staart de leeuwenjager in het brandende
vuur.
"Ik had reeds begrepen," zoo begint hij, "uit de onrustigheid der
naburige Kafferstammen, dat er buitengewone gebeurtenissen op til
zijn. Het geduld van ons volk loopt ten einde --"
"Het _is_ ten einde," zegt Jan Kloppers.
"En de Engelschen houden vast, wat ze hebben --" zegt de
leeuwenjager.
"Totdat wij 't hun uit de handen slaan," zegt Jan Kloppers.
"Dat wordt oorlog!" zegt de leeuwenjager.
"Ja, oorlog!" roept Jan Kloppers uit; "en _wij_ hebben God en het
recht aan onze zijde!"
"Gij vecht mee, niet waar, kameraden?" zegt hij met zijn heldere,
krachtige stem.
"Niets vaster!" zegt Herman Hoogerhuis. "De Transvaler en de
Hollander behooren bij elkander, vooral als het tegen de Engelschen
gaat."
"En ik hoop er ook bij te zijn," zegt de stevige Kees Botter; "wij
zullen de Engelschen beuken als stokvisch!"
"En gij, oom Teunis, gij doet toch ook mee?"
"Een kleine veertig jaar geleden heb ik met uw vader en nog eenige
andere Boeren een Engelsche batterij bestormd," antwoordt de
leeuwenjager; "ik hoop het nog eens te doen!"
Hij is opgestaan; de oude herinnering wordt levendig.
Met groote stappen meet hij den omtrek van het wachtvuur. Zijn oogen
flikkeren; zijn gestalte schijnt grooter te worden.
"Ik haat de Engelsche politiek," zegt hij op een toon, even hard als
de harde kogel van zijn geweer, "omdat zij ons arm volk uit de
Kaapkolonie heeft gejaagd, midden onder de scherpe klauwen van het
wilde gedierte en de nog scherpere assegaaien van bloeddorstige
Kaffers. Die politiek heeft ons arm volk geen rust gegund voor het
hol van zijn voet. Overal is zij ons volk gevolgd als de hongerige
wolf het weerlooze schaap."
"Ja," gaat hij voort met klimmende hartstochtelijkheid, "ik haat
deze politiek, en ik vloek deze politiek, want zij versiert haar
daden met bijbelteksten even als de farizeeër de zoomen van zijn
kleed, doch ze is een witgepleisterd graf, van binnen vol verrotting
en doodsbeenderen. Maar de rechtvaardige God zal tusschen beide
komen, en de plannen onzer verdrukkers omver blazen als
kaartenhuizen."
Plotseling blijft hij voor de jonge mannen staan, die als aan zijn
lippen hangen, en kijkt hen aan met zijn flikkerend oog.
"Gij wilt vechten," zegt hij; "ik geloof het. Maar hebt ge ook
bedacht, dat deze strijd slechts kan uitloopen op zegepraal of
dood?"
"Ja," zegt Jan Kloppers met vaste stem, "dat heb ik bedacht. En ik
houd het voor beter, dat mijn lichaam rust _onder_ de klipsteenen,
vrij van de Engelsche vlag, dan _boven_ de klipsteenen, en gebonden
aan de Engelsche vlag. Hebt ge mij nu begrepen, Oom Teunis?"
Ja, nu heeft Oom Teunis hem begrepen. Hij schudt den jongen man de
hand. "Net zijn vader," zegt hij, "net zijn vader!"
"Doch jongens," laat hij er op zijn gewonen toon op volgen, "ge zult
vaak krijgen; gaat slapen!"
"En gij?" vragen de anderen.
"Ik ben oud en heb weinig slaap noodig. Ik zal voor de paarden
zorgen -- wel te rusten!"
Dat lieten zich de ruiters, die van den langen rit doodop waren,
geen twee keeren zeggen. Snel hadden zij hun kombaarzen 8) gehaald,
en zich lang uitstrekkend bij het verwarmende vuur, er mede gedekt.
Geen vijf minuten later verkondigde hun diepe en regelmatige
ademhaling, dat zij sliepen.
De leeuwenjager echter zette zich, nadat hij de paarden had na
gezien, weer neer op den kleinen, gekantelden klipsteen bij het
flikkerende vuur. Turk zat weer naast hem en staarde droomerig in
den vuurgloed.
Een diepe rust heerschte op het onmetelijk veld. Niets werd gehoord
dan het knetteren en kraken der droge takken in het vlammende vuur,
het knappen der halmen, die door de paarden werden afgegraasd en het
ruischen van den nachtwind.
En langzaam steeg de glanzende maansikkel omhoog aan den donkeren
hemel, omstuwd en omfonkeld door tienduizenden sterren.
En de leeuwenjager zat, met de armen op de knieën, te peinzen en te
turen in het grillige vuur. En in die vonken en in die uitschietende
lichtstralen zag hij het vlammende oorlogsros, dat de rijke
maïsvelden vertrapt, de gevulde korenschuren verbrandt en de
menschen vermoordt....
Hij ging met de hand over het voorhoofd, zooals hij gewoon was,
wanneer hij door vele gedachten werd overstelpt.
"Maar liever het vlammende oorlogsros dan de Engelsche vlag binnen
onze landpalen," zeide hij tot zich zelven, en hij klemde de tanden
op elkaar...
Langs den oostelijken horizon ging thans een streep van goud en
purper, die het schijnsel der maan en het licht der sterren deed
verbleeken.
In de kreupelboschjes werd het levendig, en de stem van den
zangvogel werd gehoord. De leeuwerik schudde den dauw van zijn
vlerken en steeg klapwiekend omhoog. En boven het woud, in de verte,
sloeg een arend zijn breede vleugels uit.
Nu stond de leeuwenjager op en riep met luide, krachtvolle stem:
"Jongens, op! 't Is dag! We moeten vandaag nog bij Dirk Kloppers
zijn!"
1) Heuveltop.
2) Boerenkamp.
3) Kafferspeer.
4) Kafferwoningen.
5) Die Afrikaansche boeren, die uit zucht naar staatkundige
onafhankelijkheid in 1836 de Kaapkolonie hadden verlaten.
6) Hoeve.
7) In de zon gedroogd vleesch.
8) Schapenvachten.
--------
HOOFDSTUK II.
------
Wat was er in de Transvaal gebeurd?
De Engelsche regeering had, tegen alle recht en billijkheid in, er
voor gezorgd, dat de Kafferstammen vuurwapens konden verkrijgen. Dat
prikkelde hun strijdlust, en wat was natuurlijker, dan dat de
Transvaalsche Boeren, die midden onder de Kaffers woonden, het spit
moesten afbijten?
De Engelsche regeering hoopte, dat de Boeren het met die Kaffers te
kwaad zouden krijgen, en dan zou zij weten, wat haar te doen stond.
Sedert 1875 was Burgers president der Transvaal. Hij was predikant
geweest in de Kaapkolonie, en vol van grootsche plannen en
hooggespannen idealen, beklom hij den gewichtigen zetel. Maar _hij_
begreep de _Boeren_ niet, en _zij_ begrepen _hem_ niet. Zoo kwam
het, dat het teedere raderwerk van den staat onder zijn bestuur
begon te schuren en te knarsen. Nu brak er een oorlog uit met den
Kaffervorst Secoecoeni, en Burgers zelf trok met het kommando 1)
mee, Doch na een paar schermutselingen spanden de Boeren ontstemd en
wrevelig de ossen weer voor hun wagens en keerden naar huis.
Zij konden 't met Burgers niet koersen.
Nu riep de Transvaalsche regeering vrijwilligers op, om den
Kafferkaptein in toom te houden, doch Engeland meende den tijd
gekomen, om zijn slag te slaan.
In 't Zuiden, in Natal, woonde een hooggeplaatst Engelsch ambtenaar:
Shepstone.
Deze slimme man berichtte naar Pretoria, dat hij zou overkomen, om
niet de Transvaalsche regeering de Kaffer-aangelegenheden te
beredderen. Hij zou een gewapend gevolg medebrengen, dat hem wel
niet ten kwade zou worden geduid.
De Engelschen hadden de zaak sluw ingepikt. Er was voor gezorgd, dat
de reis van Shepstone naar Pretoria, den zetel der Transvaalsche
regeering, tot een waren triomftocht werd. Vele adressen werden hem
onderweg aangeboden, waarin de onderteekenaars hem hunne hulde
betuigden. In Pretoria werden de paarden van den wagen gespannen, en
Shepstone door een juichende schaar menschen door de straten
gereden.
Er lag iets stuitends in voor een rechtschapen man, doch Shepstone
had een sterke maag en kon het verdragen. Het wàre volk der Boeren
echter stond met verontwaardiging en droefheid naar die komedie te
kijken. Want een komedie was het en anders niets. Een troep
Engelsche gelukzoekers vormde den kern van deze luidruchtige bende,
die voor Shepstone in het stof kroop.
Laatstgenoemde had nog twee Engelsche beambten medegebracht: Osborne
en Henderson, die bij de te houden conferenties mee zouden helpen,
het slagnet te spannen, waarin de arme Boeren moesten gevangen
worden.
Bij deze conferenties werd de Transvaalsche regeering
vertegenwoordigd door Paul Kruger, toenmaals lid van den
Uitvoerenden Raad en door den staatsprocureur Jorissen.
Het is weerzinwekkend, om de strikvragen te lezen, waarmede de
Engelschen kwamen aandragen, om de Transvaalsche gevolmachtigden te
vangen. Doch met groote omzichtigheid en zelfbeheersching
antwoordden deze mannen, en slechts nu en dan klonk het door hun
woorden heen als ingehouden mannelijke toorn. Al waren zij
intusschen nog tienmaal voorzichtiger en kalmer geweest, het had hen
toch niet geholpen. Shepstone, die zich had neergezet aan den
gastvrijen haard der Transvaalsche Boeren, droeg het staatkundig
doodvonnis over dat volk in zijn zak, en den 12den April 1877 liet
hij door zijne annexatie-proklamatie de doodsklok luiden over de
Transvaalsche vrijheid. De Zuid-Afrikaansche Republiek had
opgehouden te bestaan, en de vierkleur werd neergehaald.
De redeneering, volgens welke Engeland tot deze ongerechtige daad
overging, kwam hierop neer: "O, gij Boeren! Wij hebben u lief. Wij
zien het gevaar, waarin gij verkeert. Tegen de Kafferstammen zijt ge
niet meer opgewassen. Neen, zegt niet, dat gij 't wel zijt, want het
is niet waar. Maar _wij_ zullen u bijspringen: in ùw belang en in
òns belang. Want de andere Kafferstammen zullen ook oproerig worden,
en onze Zuid-Afrikaansche bezittingen bedreigen. We zullen u dus
annexeeren, om u te beschermen. Wilt gij niet beschermd zijn, gij
dwaze Boeren? Goed, dan zullen wij u met onze kanonnen
doodschieten."
In werkelijkheid was dat Kafferpraatje natuurlijk niets dan
gehuichel. Dat wist Shepstone ook wel, en de Boeren wisten het ook.
Neen, daar wrong de schoen niet. Maar de Transvaal was een groot,
uitgestrekt, gezond, vruchtbaar land. En in het Oosten van het land,
in het Lijdenburgsche, was goud gevonden, en van dat goud had
president Burgers geld laten slaan, met zijn beeldtenis er op. En de
Engelschen hadden dat goud gezien, en het echt bevonden -- zoo en
zooveel karaat.
_Daarom_ moest de Transvaal worden ingeslokt.
In naam der Transvaalsche regeering diende President Burgers een
plechtig protest in tegen deze afschuwelijke daad, en toen dit niet
hielp, streek hij met benijdenswaardige, wijsgeerige kalmte het
pensioen op, dat de Engelsche regeering hem had toegedacht.
Een _Boer_, een echte zoon der Voortrekkers, zou dat niet hebben
gedaan -- neen, _nooit!_
Hij zou de Engelsche regeering die gouden ponden voor de voeten
hebben geworpen en gezegd: "Dáár ligt het geld; ik raak er niet aan;
in der eeuwigheid niet."
Maar Burgers sprak zoo niet. Hij streek het geld op. Hij dacht
waarschijnlijk: De zaak verandert er toch niet mee, al weiger ik het
geld.
In zijn innerlijkst bestaan was hij vreemd aan de Boeren. Vele
schitterende redevoeringen had hij in Pretoria gehouden, maar dit
groote, moedige woord, dat van _liefde_ voor de vertrapte Boeren zou
hebben getuigd: "Ik sta en val met het Transvaalsche volk", dit
woord is _nooit_ over zijn lippen gekomen. En toen de Boeren zich
aangordden tot den strijd op leven en dood, toen zat Burgers veilig
op zijn villa in de Kaapkolonie.
Neen, de Boeren waren waarlijk niet van plan, het er bij te laten
zitten. Daarin vergisten zich de Engelschen.
Reeds verscheidene groote volksvergaderingen waren gehouden, om
tegen de annexatie te protesteeren. De vergadering te Kleinfontein,
1879, was eene der belangrijkste, daar zij werd bijgewoond door Sir
Bartle Frère.
De Boeren stonden vóór den ingang van het lager, aan weerszijden
acht tot tien rijen diep, om hem te ontvangen. Hij reed met zijn
gevolg tusschen die gewapende rijen door, die een ijzig zwijgen
bewaarden. Geen hand werd omhoog gestoken; geen hoed afgenomen. Met
een doodelijke, onheilspellende stilte werd een der machtigste
Engelsche staatslieden ontvangen.
_Dat_ was Sir Bartle Frère inderdaad. Twintig Indische prinsen van
vorstelijken bloede hadden hem bij zijn vertrek uit Indië
vrijwillig, en de Sultan van Sansibar gedwongen hun hulde gebracht.
En de Engelsche parlementsleden hadden de waarlijk groote
verdiensten van dezen gewiksten staatsman niet beter weten te
erkennen dan -- tot twee keeren toe -- eenparig van hun zetels op te
rijzen.
Met zijn minzamen, onveranderlijken glimlach had Sir Bartle Frère
zijn overwinningen behaald. Met dien glimlach had hij de vijanden
ontwapend, de twijfelaars overgehaald, de vrienden betooverd.
Die glimlach was zijn zwaard, en nooit was hij gevaarlijker dan
wanneer die glimlach om zijn lippen zweefde.
Hij dreigde niet -- hij lokte. Hij striemde niet -- hij streelde.
Zóó kwam hij bij de Boeren.
Hij verscheen niet als een rechter, die de rebellen ging straffen --
neen, als een vader, die zijn verdwaalde kinderen op het rechte
spoor zal brengen.
Het onbarmhartige Engelsche zwaard verborg hij in de plooien van het
vaderlijk gewaad, en met fluweel omwikkelde hij het Engelsche juk.
"Lieve vrienden," zeide de fijne man der wereld, terwijl hij zich --
als huns gelijke -- in de ruwe tent naast de voormannen der Boeren
nederzette: "lieve vrienden, hebt gij grieven? Ik ben expres
gekomen, om ze aan te hooren. Wordt u onrecht gedaan? Ik, Sir Bartle
Frère, gouverneur der Kaapkolonie en lid van Harer Majesteits
geheimen Raad, verzeker u op mijn woord van eer, dat u zal worden
recht gedaan. Hangt u de Engelsche vlag in den weg? Maar, lieve
vrienden, ik sta òok onder die vlag, en bevind er mij best bij, want
ik behoud mijn volledige persoonlijke vrijheid. Zie ik er ongelukkig
uit, omdat ik onderdaan ben van koningin Victoria? Neen, dat maakt
mij _gelukkig_, en 't zal ook _u_ gelukkig maken. Gij schudt van
neen? Och, dat kan ik verstaan, beste vrienden, want onbekend maakt
onbemind. Maar als gij onze koningin leert kennen, dan wordt dat
geheel anders. Hare onderdanen noemt zij hare kinderen, en hare
kinderen heeft zij lief. Gij deelt dus, zonder dat gij er een hand
voor hebt uitgestoken, in al de rechten van kinderen, en gij maakt
een deel uit van dat rijk, dat zijn macht uitstrekt in de vier
winden des hemels.
De heilzame gevolgen daarvan zijn voor u niet te berekenen. Ik hoor,
dat uwe financiën in de war zijn -- geen nood! In de bank van
Engeland is geld genoeg...."
Zoo zat Sir Bartle Frère te praten en te keuvelen, en de voormannen
des volks, Paul Kruger en de anderen, zaten met groote bedaardheid
te luisteren.
En nu en dan wierp de welsprekende, hoog begaafde grijsaard een
bespiedenden blik op die strakke, onbewegelijke gezichten daar vóór
hem.
Doch ze bléven strak; ze bléven onbewegelijk, en tegen die metalen
voorhoofden spatte al zijn welsprekendheid terug als de machtelooze
golven tegen een muur van graniet.
En toen Sir Bartle Frère dit bemerkte, tòen -- tòen viel hij uit
zijn rol.
Hij werd ontstemd, wrevelig, kort, en de minzame glimlach ging
schuil achter een donderwolk. Hij schoof den honigpot onder zijn
veldstoel en greep naar de zweep.
Inwendig kookte hij. Hij rukte het fluweel van het juk af en liet
het ijzeren juk zien. "Daar _blijf_ je onder," zeide hij toornig, en
de plooien van zijn vaderlijken mantel terugslaande, liet hij het
onbarmhartige zwaard van Engeland flikkeren.
Doch daar deinsden die moedige mannen evenmin voor terug als de
Romein Fabricius voor de olifanten van koning Pyrrhus, en Bartle
Frère kon met de boodschap naar huis gaan: De Transvaalsche Boeren
willen geen onderdanen zijn der Engelsche koningin -- nooit en
nimmer!
Maar in het hart der vergaderde Boeren te Kleinfontein dreigde het
smeulende oorlogsvuur elk oogenblik in lichte laaie uit te breken.
"De Engelschen houden ons voor den gek," riepen de onstuimigsten:
"schiet ze dood!"
Maar Paul Kruger en de andere voormannen wierpen olie op de
hooggaande golven, en de Boeren gingen -- zonder geweld te plegen --
naar huis.
Er werd een zeer merkwaardige memorie opgesteld, en direct aan de
Engelsche koningin gericht.
In deze memorie verzocht het volk zijn vrijheid terug. Het boog in
dit stuk diep voor de Engelsche regeering; het _smeekte_.... Het
_boog_ zoo diep, omdat _deze_ poging als de laatste _vreedzame_
poging werd beschouwd; het _smeekte_, omdat het in den anders
onvermijdelijken oorlog zijn vrijheid met zijn _hartebloed_ zou
moeten koopen.
Op dit smeekschrift kwam een antwoord, dat aan duidelijkheid niets
te wenschen overliet: de Engelsche regeering versterkte hare
garnizoenen in de Transvaal.
Toen zond het volk, als een allerlaatste poging, om langs
vredelievenden weg de staatkundige vrijheid terug te krijgen, zijne
voormannen Paul Kruger en Piet Joubert naar Kaapstad, doch ook deze
zending bleef, zooals de lezer reeds weet, zonder resultaat.
En de Engelsche generaal Wolseley zeide: "De Transvaal blijft
Engelsch, zoolang de zon boven Afrika schijnt."
Nu wisten het de Boeren.