De Bijbel herneemt zijn plaats.
Luther ging nu niet meer naar zijn schuilplaats terug. Hij bleef in
Wittenberg, trots pauselijken en keizerlijken ban, en vatte er vol
moed al zijn werkzaamheden weer op; zijn onderwijs aan de hoogeschool,
zijn prediking 's Zondags en in de week, het schrijven van boeken; en
bij dit alles werkte hij, geholpen door Melanchton, met onvermoeiden
ijver aan zijn Bijbelvertaling voort.
Nog in September verscheen het Nieuwe Testament in druk. Voor één en
een halven gulden was het te koop; en de menschen waren er zóó
begeerig naar, dat reeds in December van datzelfde jaar een tweede
druk noodig was. Want alle vrienden van het Evangelie, rijke en arme,
in de stad en op het land, wilden een N. Testament hebben. »Gij hebt
ons Christus gepredikt« zeiden ze tot den hervormer, »nu willen wij
Hemzelf hooren spreken.« En begeerig grepen ze naar het Boek, dat hun
door Rome zoolang onthouden was, en gingen ze zich in het lezen
oefenen; want die kunst verstonden nog maar betrekkelijk weinigen.
Terwijl het Nieuwe Testament nog gedrukt werd, begon Luther al met de
vertaling van het Oude; en hoewel hij er onafgebroken aan voortwerkte,
was eerst na twaalf jaren, in 1534 dus, het geheele werk voltooid.
Maar de menschen behoefden gelukkig met het lezen er van zoolang niet
te wachten; want het verscheen bij gedeelten, naarmate het werk
vorderde. Was een deel vertaald, dan werd het dadelijk gedrukt en
uitgegeven, om maar zoo spoedig mogelijk het verlangen er naar te
bevredigen en het voor de armen gemakkelijker verkrijgbaar te maken.
Zoo werd Luthers Bijbel al spoedig het meest gelezen volksboek. De
menschen droegen het bij zich en bestudeerden het zóó, dat ze er in
korten tijd geheel in thuis waren, het om zoo te zeggen van buiten
kenden. Ze konden nu ook zelf zien, waarin de leer des Bijbels
verschilde van die der priesters, en dat Luthers hervorming geheel in
overeenstemming was met Gods Woord. Eenvoudige mannen en vrouwen,
kinderen en soldaten, wisten meer van den Bijbel dan priesters en
geleerden.
»'t Wordt toch àl te erg,« klaagde een vijandig geestelijke.
»Schoenlappers en werkvrouwen, ja zelfs leerjongens, durven met onze
priesters over het geloof en het Evangelie te redetwisten. En daar ze
alles alleen uit de Schrift bewezen willen hebben, zooals die Luther
hun dat geleerd heeft, doen ze onze geleerdste mannen met beschaamde
kaken staan.«
Hetzelfde dachten al de tegenstanders, met groote vrees en ergernis.
Ze blaakten van woede over dit nieuwe werk van Luther; want in dien
volksbijbel zag Rome zijn meest geduchten vijand. Hertog George van
Saksen verbood in zijn land het lezen en verkoopen er van en gaf
bevel, dat elk exemplaar bij de Overheid gebracht moest worden. In
andere Roomschgezinde staten werd hetzelfde geboden. Hier en daar
werden er al brandstapels van gemaakt. Maar het hielp niet. »Zelfs na
mijn verbod zijn er in mijn staten al duizenden exemplaren verkocht en
gelezen,« moest hertog George getuigen. Het Woord kòn niet gebonden
worden. Als God werkt, wie zal het dan keeren?
En zooals het in Duitschland ging, ging het ook in de andere landen
van Europa. In àl meer talen werd het Boek der boeken overgezet en
verspreid. In de Nederlanden, in Zweden, Spanje, Italië, enz. En waar
de Bijbel kwam, kwam de Hervorming; niet alleen in de Kerk, maar ook
in de huizen en harten van de menschen. Het overbrengen van den Bijbel
in de volkstaal is wel het gewichtigste werk van Luther voor de
Hervorming geweest, en tot een onberekenbaren zegen geworden voor heel
de wereld.
Evenals in den tijd van de eerste Christenen werd ook nu met den dag
het aantal grooter van hen, die in den Heere Jezus geloofden als hun
eenigen Zaligmaker; en die nieuwe belijders hielpen dan in hun
omgeving weer mee de »nieuwe leer« of beter gezegd de »oude leer«, de
leer der apostelen, verbreiden. _Evangelischen_ werden ze genoemd,
omdat ze zich altijd op het Evangelie beriepen; en dien naam droegen
ze 't liefst.
Dit waren in de eerste plaats priesters èn monniken. Want ook in
de kloostercellen was het licht van het Evangelie doorgedrongen, en
de meeste monniken waren overtuigd geworden, dat het kloosterleven
in strijd was met Gods wil en het Christelijk leven. Dikwijls waren
het de priors zelf, die hun monniken het voorbeeld gaven, de
kloostergelofte te breken; en zoo liepen de meeste kloosters leeg;
want nieuwe broeders mochten niet meer aangenomen worden. Alleen die
er waren en blijven wilden, mochten dit doen; maar de verstandigsten
en beschaafdsten onder de monniken ontdeden zich van pij en kap en
gingen een nuttiger leven leiden. Zooals b.v. die Franciskaner, die
met zijn bedelbus in de hand in een smederij om een aalmoes kwam.
»Waarom werk je niet liever voor je brood?« vroeg de smid, den
stevigen monnik eens flink in de oogen ziende.
»Je hebt gelijk,« zei de monnik. En zijn kleed met de lange mouwen
afwerpend, vatte hij een hamer in zijn sterke vuist, en liet dien met
kracht op het aambeeld neerkomen.
Zoo'n knecht kon de smid juist gebruiken. En de onnutte bedelaar was
een eerlijk handwerksman geworden. Zijn bus en monnikskap werden naar
het klooster teruggebracht.
Anderen gingen het Evangelie verkondigen. En wie daarvoor te dom
waren, maar zich toch ook nuttig wilden maken voor de goede zaak,
na een leven van luiheid, gingen boeken over de Hervorming venten.
Heele landstreken liepen ze af; tot in de kleinste dorpen en hutjes
brachten ze de geschriften van Luther en zijn vrienden. Want dezen
gingen maar voort met schrijven, en de persen--gelukkig dat de
boekdrukkunst een eeuw vroeger uitgevonden was--de persen drukten
maar. Terwijl er in 1513 en 1517 slechts vijf en dertig en zeven en
dertig boeken uitgegeven waren, nam hun aantal al dadelijk na Luthers
stellingen verbazend toe. In 1518, dus één jaar later, verschenen
er reeds een en zeventig; en in 1523 niet minder dan vierhonderd
acht en negentig,--waarvan honderd drie en tachtig door Luther
geschreven--tegenover twintig in datzelfde jaar van Roomschen kant.
En overal werden die geschriften met gretigheid gelezen. Dit gebeurde
meestal 's avonds, na gedaan dagwerk, bij den haard, dikwijls bij den
schoolmeester. Was men soms in twijfel over het gelezene, dan werd de
Bijbel geraadpleegd. En daaruit zag men dan, dat die boeken de
waarheid zeiden, en dat men zelf altijd verkeerd onderwezen was. En
wie tot hiertoe nog geweifeld had tusschen Rome en de Hervorming, liet
de oude leer varen en schaarde zich van heeler hart aan de zijde van
de nieuwe.
't Gaf niets of de keizer en de vorsten al strenge edicten tegen de
boeken der hervormers uitvaardigden. Als er door de Inquisitie
huiszoeking gedaan zou worden, stopten de kooplieden, in 't geheim
onderricht, ze zorgvuldig weg. En daar een mensen gewoonlijk 't meest
verlangt naar wat hij niet hebben mag, werden die veroordeelde boeken
daarna nòg gretiger gekocht en gelezen.
Maar niet enkel op de boeken, ook op de verspreiders en de lezers er
van had Rome het gemunt, inzonderheid op de predikers. Soms moesten ze
om de vervolging hun woonplaats verlaten. Kwamen ze dan ergens, waar
men nog weinig van de Hervorming wist, dan spraken ze in de woning,
die hen herbergde, over het Evangelie; lazen er den bijeengeroepen
buren en bekenden iets uit voor; preekten in de kerk, als het hun
vergund werd; en als ze de kerk niet hebben mochten, op een andere
plaats. Alle plaatsen werden nu kerken. Een markt, een kerkhof, een
heuvel, een weiland dicht bij de stad--overal kon men de blijde
boodschap hooren van Gods vergevende zondaarsliefde voor allen, die
met oprecht berouw hun heil in Christus zochten. De menschen behoefden
nú niet met hun geld in de hand te staan om van hun zonden verlost te
worden. »We hebben het om niet ontvangen we geven het om niet,« was de
leus van de predikers. En zoo bracht dan de vervolging aan de zaak der
Hervorming juist vóór- inplaats van nadeel toe.
En zoo ging het weer niet alleen in Duitschland, maar ook in
Frankrijk, Engeland, ja overal waar de Bijbel onder het volk kwam.