Terug in het strijdperk.
Terwijl Luther rustig aan zijn gewichtig vertaalwerk bezig was, kwamen
hem berichten ter oore, die hem een langer verblijf op den Wartburg
onmogelijk maakten.
Hij had al eens, heel in 't geheim, een snoepreisje van enkele dagen
naar Wittenberg gemaakt, om met de vrienden te spreken over het
optreden van Dr. Carlstadt, een van de leeraren aan de Wittenberger
hoogeschool. Deze man was bijzonder heftig en voortvarend van aard.
Het hervormingswerk ging hem te langzaam naar den zin; daarom wilde
hij maar op eigen gelegenheid handelen en alles, wat hem in de Kerk
niet aanstond, met geweld afschaffen; wat een heele verwarring in
Wittenberg gegeven had.
Luther had alle hoop, dat het zijn vrienden gelukken zou de rust te
herstellen. Maar juist het tegendeel was waar. Er waren namelijk uit
Zwickau, onder aanvoering van zekeren Thomas Munzer, eenige dweepzieke
mannen naar Wittenberg gekomen, die zich van God gezonden profeten
noemden, maar door hun daden toonden, dat ze heelemaal niet handelden
naar den wil van God. Ook zij wilden, door het afschaffen van al de
bestaande gebruiken, een algeheele omwenteling in de Kerk teweeg
brengen. Carlstadt sloot zich bij hen aan en zocht ook de studenten op
zijn hand te krijgen. Hij ruide hen op om mee naar de kerken te gaan,
er de heiligenbeelden te verbrijzelen, de altaren te vernielen, de
priesters, die nog gewoon de mis lazen, weg te jagen, en al zulke
dolligheden meer.
Dit was heel anders dan Luther leerde. Die zeide: »Preekt de beelden
uit de harten van de menschen, dan zullen ze uit de kerken vanzelf wel
verdwijnen.«
Maar zoo dachten die onruststokers niet. Zelfs de hoogeschool wilden
ze weg hebben. Al die geleerdheid diende nergens toe, verkondigden ze.
De menschen moesten liever maar weer met hun handen gaan werken. Er
stond immers geschreven, dat ze in het zweet huns aanschijns hun brood
zouden eten. De meester van de jongensschool riep zoo maar uit het
raam den menschen toe, dat ze hun jongens voortaan maar thuis moesten
houden, want dat God hen wel leeren zou.
Een en ander dreigde noodlottig te worden voor het ware werk der
hervorming. De vijanden gaven van al die wanordelijkheden de schuld
aan Luther en begonnen weer moed te vatten, dat Rome het ten slotte
toch nog winnen zou. De vrienden stonden er machteloos tegenover.
Zelfs de Overheid zag geen kans aan de onrust een einde te maken. En
allen riepen om Luther. Luther moest terugkomen.
En Luther kwàm. Toen hij op zijn Wartburg er van hoorde, nam hij een
kort besluit. Hij moest en zou naar Wittenberg, het kostte wat het
wilde. Hij wist wel dat zijn leven er groot gevaar door liep, maar
waar het de zaak van Christus gold, achtte hij, evenals de apostel
Paulus, zijn leven niet te kostbaar. »Wij moeten den satan onder den
voet vertreden en tegen den engel der duisternis strijden,« zei hij.
De bezorgde keurvorst smeekte hem in een dringenden brief, nog te
blijven waar hij was. Maar ook dit kon hem niet van zijn plan
afbrengen. »Ik heb Uw Hoogheid al genoeg toegegeven door mij dit jaar
verwijderd te houden. Uw Hoogheid moet weten dat ik naar Wittenberg
kom onder een machtiger bescherming dan die van een keurvorst,«
schreef hij in zijn antwoord. En in vast vertrouwen op die hoogere
bescherming steeg »Jonker Georg« te paard, zeide zijn eenzame wouden
vaarwel, en verliet voorgoed het kasteel, dat hem tien maanden lang,
tegen wil en dank, had geherbergd. Dit was op 3 Maart 1522.
Zijn weg ging over Jena, waar hij 's avonds zijn intrek nam in »De
zwarte beer«. Terwijl hij daar aan de tafel was gezeten, de handen op
het gevest van zijn degen geleund en lezende in een Hebreeuwsch
Psalmboekje, dat vóór hem lag, kwamen er twee jongelui binnen,
studenten uit St. Gallen. Ze hielden zich bescheidenlijk op een
afstand. Maar de »ridder« groette hen vriendelijk en noodigde hen uit,
aan zijn tafel te komen zitten.
De Zwitsers deden dit gaarne en waren al spoedig met den vreemden
ridder, die hun van allerlei vroeg, in druk gesprek. Ze vertelden dat
ze naar Wittenberg gingen, en die lange reis ondernomen hadden, enkel
met het doel om doctor Martin Luther te zien en te hooren. En toen
kwam de vraag: »Kunt u ons niet zeggen, Mijnheer, waar doctor Luther
thans is?«
»Ik weet zeker, dat doctor Luther thans niet in Wittenberg is. Maar
hij zal er wel gauw komen,« was het antwoord. »Philippus Melanchton is
daar. Ge moet u maar ijverig toeleggen op het Grieksch en Hebreeuwsch,
dan kunt ge de H. Schrift lezen.«
De studenten waren een en al verbazing. Een ridder, die zoo maar
gewoon het leeren van Grieksch en Hebreeuwsch aanprees, en zelf
Hebreeuwsch làs, zooals dat boekje uitwees; en die sprak over
Melanchton, Erasmus en andere geleerden, alsof hij ze allen kende!
't Leek wel of hijzelf een geleerde was. Wie kon dat zijn?
Nog een tijdlang hield de aardige vreemdeling hen gezellig aan den
praat. Onder den maaltijd wijdden ze meer aandacht aan zijn woorden
dan aan hun eten. En ten overvloede betaalde hij ook nog hun
vertering.
Bij het ter ruste gaan nam hij met een hartelijken handdruk afscheid
van hen, met verzoek: »Als ge te Wittenberg zijt, groet dan doctor
Hiëronymus Schurf van mij.«
»Zeer gaarne,« beloofden ze. »Maar van wien?«
»Zegt alleen maar: Die komen moet, laat u groeten. Dan weet hij het
wel.«
Een paar dagen later te Wittenberg gekomen, deden de Zwitsers wat hun
opgedragen was. Ze troffen bij Dr. Schurf een heel gezelschap van
professoren aan, en onder dezen den vriendelijken ridder uit »De
zwarte beer«.
Lachend kwam hij naar hen toe en groette hen als oude bekenden. Toen,
naar een der heeren wijzend, zeide hij: »Ziedaar Philippus Melanchton,
van wien ik u gesproken heb.«
De studenten mochten tot hun blijdschap het verdere van dien dag bij
het geleerde gezelschap doorbrengen. Nu _wisten_ ze waar doctor Martin
Luther was!
Den volgenden dag, een Zondag, stond Luther te Wittenberg weer op den
preekstoel, in een stampvolle kerk. »Luther is terug! Luther gaat weer
preeken!« Van mond tot mond was dit blijde nieuws door de stad gegaan.
En van alle kanten waren ze in den vroegen morgen toegestroomd, de
menschen, elkander verdringend om den held van Worms weer te zien.
Hij stond er als een vader, die een poos van zijn kinderen weg is
geweest en hun nu vertelt, wat hij in zijn afwezen van hen gehoord
heeft. Hij deed dit in eenvoudige woorden, vol kracht en tegelijk vol
zachtheid. Hij begon met een prijsje. »'t Is wel goed, verkeerde
dingen af te schaffen; maar,«--nu kwàm het--»waar was daarbij de orde
en de welvoegelijkheid? De mis, zegt gij, is een slecht ding. Ik zeg
het ook. Maar men moet er niemand met geweld van afscheuren. Aan God
moet men de zaak overgeven. Zijn Woord moet werken en niet wij. Ik wil
prediken, ik wil spreken, ik wil schrijven, maar ik wil niemand
dwingen, want het geloof is een vrijwillige daad. Had ik met geweld
te werk willen gaan, dan zou Duitschland mogelijk in een bloedbad zijn
gedompeld. Maar ik ben rustig gebleven en heb het Woord zelf de wereld
laten rondgaan. En dat Woord heeft het pausdom omgekeerd, zóó zelfs,
dat geen vorst of keizer het ooit zooveel kwaad had kunnen doen. _Ik_
heb niets gedaan; alleen het Woord heeft alles gedaan.«
Zoo predikte Luther, achtmaal in de acht dagen, tegen den beeldenstorm
en de dwepers. Zijn wapen, ook in dezen strijd, was de Bijbel. En hij
overwon. Hij noodzaakte de valsche profeten om Wittenberg te verlaten,
en Carlstadt, om niet meer zoo onbesuisd te werk te gaan. En zoo
gelukte het hem, onder Gods zegen, de gemoederen tot bedaren te
brengen en orde en rust in de stad te herstellen.
»O,« schreef doctor Schurf aan den keurvorst, »wat zijn we allen
verheugd over de terugkomst van doctor Martin! Zijn woorden brengen
ons, met Gods genadige hulp, dagelijks meer op den weg der waarheid
terug. 't Is zoo klaar als de dag, dat de Geest van God in hem is en
dat hij door Gods bijzonder bestuur te Wittenberg terug is gekomen.«
[Illustratie: DE BEELDENSTORM.]