XVI.

Luther doet nog meer.

Na zijn terugkomst in Wittenberg verkeerde Luther voortdurend in

levensgevaar; want door dat keizerlijk edict van Worms mocht iedereen

hem vangen en dooden. Hij leefde trouwens dagelijks zelf in afwachting

van gevangenis en brandstapel. Maar zijn God waakte over hem en liet

zijn vijanden niet toe hem eenig kwaad te doen.

In 1525 stierf Luthers beschermheer, de oude, vrome keurvorst van

Saksen. Zijn trouwe kapelaan Spalatin en zijn dienaren stonden weenend

om zijn bed. Vriendelijk vroeg de goede vorst zijn »kindertjes«

vergeving, zoo hij mogelijk iemand van hen verdriet gedaan had. »Wij,

vorsten, kunnen het den menschen dikwijls lastig maken, en dat is niet

goed,« zei hij.--Even voor zijn dood liet hij het vóór vele jaren

geschreven testament verscheuren, waarin hij zijn ziel aan de »Moeder

Gods« aanbeval, en een ander schrijven, waarin hij beleed, vast te

gelooven, dat hij »alleen verlost was door het dierbaar bloed van zijn

lieven Heiland.«

Frederiks broeder Johann, bijgenaamd de Standvastige, volgde hem op.

Ook deze was een warm vriend, en daarbij een openlijk en heldhaftig

verdediger van de Hervorming. »Ik wil dat gij voortaan het zuivere

Woord van God, zonder eenig menschelijk bijvoegsel, prediken zult,«

was zijn bevel aan de geestelijken, toen hij het bewind aanvaardde.

Dus ook bij zijn nieuwen vorst vond Luther bescherming; en zoo kon hij

ongehinderd voortgaan, met Melanchton en anderen, Saksen te doorreizen

om er overal de kerken en kloosters te bezoeken. Dit was dringend

noodig; want er werden zulke erbarmelijke verkeerdheden aangetroffen

en de onkunde onder de geestelijken was zóó groot, dat Luther en

Melanchton zich er over bedroefden. Hoe konden toch de menschen in den

weg der zaligheid onderwezen worden, als hun onderwijzers zelf er zoo

onwetend in waren!

Om dien treurigen toestand verbeterd te krijgen, moesten natuurlijk

allerlei verkeerde instellingen zooveel mogelijk verdwijnen. In de

eerste plaats schafte Luther de mis af en de heiligendagen. Hij

verlangde, dat in alle samenkomsten Gods Woord zou gepredikt worden.

De ongeschikte geestelijken werden verwijderd en door bekwame, vrome

predikers vervangen. Zelf stelde hij een paar vragenboeken op tot

gebruik bij het godsdienstonderwijs, n.l. de _Groote_ en de _Kleine

Catechismus_. De _Groote_ was voor de leer_aars_ bestemd, de _Kleine_

voor de leer_lingen_. Vooral het laatste maakte grooten opgang. Weinig

boeken zijn zóó dikwijls en in zóóveel talen gedrukt. De catechisatiën

zijn ook een instelling van den hervormer.

Ook voor een Duitsch Gezangboek zorgde Luther, opdat de menschen zelf

ook mee zouden kunnen zingen in de kerk, inplaats van altijd maar stil

te moeten luisteren naar het Latijnsche koorgezang, waar ze toch niets

van verstonden. Hij had zelf de liederen gedicht en bij vele ook de

muziek gemaakt; en ze gingen er bij het volk zóó in, dat ze spoedig

allerwegen gezongen werden, en soms nog meer bijdroegen tot

verbreiding van het Evangelie dan de prediking.

Luther hield wonder véél van muziek en zang. »Naast de

godgeleerdheid,« zei hij, »geef ik aan de muziek de eerste plaats en

de hoogste eer, omdat ze haar oorsprong heeft in den Hemel, waar de

lieve Engelen zelf muzikanten zijn.«--»Een schoolmeester moet kunnen

zingen,« zei hij op een anderen keer, »anders is hij mij het aankijken

niet waard.« Eens, toen men eenige schoone stukken voor hem zong, riep

hij verrukt: »Indien onze Heere God reeds zulke bewonderenswaardige

gaven geschonken heeft op deze aarde, die toch niet is dan een donkere

hoek, wat zal het dan niet zijn in den Hemel, waar alles volmaakt is!«

Door Luther kreeg ook het volk smaak voor muziek. En de Bijbel gaf het

woorden in voor de liederen. Er kwamen dichters en componisten, van

wier werken ook wij nog genieten.

Ook zorgde Luther dat er goede scholen kwamen, waar ook Hebreeuwsch

en Grieksch geleerd werd, noodig voor een grondig onderzoek van den

Bijbel. Daartoe richtte hij een geschrift »Aan de Raadsheeren van alle

steden van Duitschland, dat zij Christelijke scholen moeten oprichten

en onderhouden.«

»Waarde Heeren,« zegt hij daarin onder meer, »men geeft jaarlijks

zooveel geld uit voor wegen, dijken en geweren; waarom zou men er niet

een weinig van besparen om aan de arme jeugd een paar schoolmeesters

te geven? Het wezenlijk welzijn van een stad bestaat niet in groote

schatten, sterke muren, schoone huizen, blinkende wapenen; maar in het

bezit van veel knappe, eerzame en beschaafde burgers. Houdt u dan met

de kinderen bezig.... Helpe toch, wie helpen kan.«

Had Luther den _oproep_ gedaan, het was Melanchton, »de leeraar van

geheel Duitschland,« die meer bepaald de _zorg_ voor de scholen op

zich nam; er boeken over en voor schreef, voor betere leesboeken

zorgde en zooal meer, en die daarom »de stichter van het nieuwe

schoolwezen« genoemd wordt.

Luther deed intusschen zijn best om bij de scholen boekerijen

aangelegd te krijgen van allerlei nuttige werken van schrijvers en

dichters uit alle tijden, den Bijbel natuurlijk in de eerste plaats;

om het volk, dat tot dusver maar dom was gehouden, tot meerdere

ontwikkeling te brengen en hun zin te wekken voor het goede en

schoone. »Want,« zei hij, »zulke schriften dienen om de werken en

wonderen Gods te doen kennen.«

Dit werk van Luther behoort almede tot de gewichtigste, die de

Hervorming voortgebracht heeft.

[Illustratie: LUTHER EN ZIJN VROUW.]

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 22 / 27 题