Luther doet nog meer.
Na zijn terugkomst in Wittenberg verkeerde Luther voortdurend in
levensgevaar; want door dat keizerlijk edict van Worms mocht iedereen
hem vangen en dooden. Hij leefde trouwens dagelijks zelf in afwachting
van gevangenis en brandstapel. Maar zijn God waakte over hem en liet
zijn vijanden niet toe hem eenig kwaad te doen.
In 1525 stierf Luthers beschermheer, de oude, vrome keurvorst van
Saksen. Zijn trouwe kapelaan Spalatin en zijn dienaren stonden weenend
om zijn bed. Vriendelijk vroeg de goede vorst zijn »kindertjes«
vergeving, zoo hij mogelijk iemand van hen verdriet gedaan had. »Wij,
vorsten, kunnen het den menschen dikwijls lastig maken, en dat is niet
goed,« zei hij.--Even voor zijn dood liet hij het vóór vele jaren
geschreven testament verscheuren, waarin hij zijn ziel aan de »Moeder
Gods« aanbeval, en een ander schrijven, waarin hij beleed, vast te
gelooven, dat hij »alleen verlost was door het dierbaar bloed van zijn
lieven Heiland.«
Frederiks broeder Johann, bijgenaamd de Standvastige, volgde hem op.
Ook deze was een warm vriend, en daarbij een openlijk en heldhaftig
verdediger van de Hervorming. »Ik wil dat gij voortaan het zuivere
Woord van God, zonder eenig menschelijk bijvoegsel, prediken zult,«
was zijn bevel aan de geestelijken, toen hij het bewind aanvaardde.
Dus ook bij zijn nieuwen vorst vond Luther bescherming; en zoo kon hij
ongehinderd voortgaan, met Melanchton en anderen, Saksen te doorreizen
om er overal de kerken en kloosters te bezoeken. Dit was dringend
noodig; want er werden zulke erbarmelijke verkeerdheden aangetroffen
en de onkunde onder de geestelijken was zóó groot, dat Luther en
Melanchton zich er over bedroefden. Hoe konden toch de menschen in den
weg der zaligheid onderwezen worden, als hun onderwijzers zelf er zoo
onwetend in waren!
Om dien treurigen toestand verbeterd te krijgen, moesten natuurlijk
allerlei verkeerde instellingen zooveel mogelijk verdwijnen. In de
eerste plaats schafte Luther de mis af en de heiligendagen. Hij
verlangde, dat in alle samenkomsten Gods Woord zou gepredikt worden.
De ongeschikte geestelijken werden verwijderd en door bekwame, vrome
predikers vervangen. Zelf stelde hij een paar vragenboeken op tot
gebruik bij het godsdienstonderwijs, n.l. de _Groote_ en de _Kleine
Catechismus_. De _Groote_ was voor de leer_aars_ bestemd, de _Kleine_
voor de leer_lingen_. Vooral het laatste maakte grooten opgang. Weinig
boeken zijn zóó dikwijls en in zóóveel talen gedrukt. De catechisatiën
zijn ook een instelling van den hervormer.
Ook voor een Duitsch Gezangboek zorgde Luther, opdat de menschen zelf
ook mee zouden kunnen zingen in de kerk, inplaats van altijd maar stil
te moeten luisteren naar het Latijnsche koorgezang, waar ze toch niets
van verstonden. Hij had zelf de liederen gedicht en bij vele ook de
muziek gemaakt; en ze gingen er bij het volk zóó in, dat ze spoedig
allerwegen gezongen werden, en soms nog meer bijdroegen tot
verbreiding van het Evangelie dan de prediking.
Luther hield wonder véél van muziek en zang. »Naast de
godgeleerdheid,« zei hij, »geef ik aan de muziek de eerste plaats en
de hoogste eer, omdat ze haar oorsprong heeft in den Hemel, waar de
lieve Engelen zelf muzikanten zijn.«--»Een schoolmeester moet kunnen
zingen,« zei hij op een anderen keer, »anders is hij mij het aankijken
niet waard.« Eens, toen men eenige schoone stukken voor hem zong, riep
hij verrukt: »Indien onze Heere God reeds zulke bewonderenswaardige
gaven geschonken heeft op deze aarde, die toch niet is dan een donkere
hoek, wat zal het dan niet zijn in den Hemel, waar alles volmaakt is!«
Door Luther kreeg ook het volk smaak voor muziek. En de Bijbel gaf het
woorden in voor de liederen. Er kwamen dichters en componisten, van
wier werken ook wij nog genieten.
Ook zorgde Luther dat er goede scholen kwamen, waar ook Hebreeuwsch
en Grieksch geleerd werd, noodig voor een grondig onderzoek van den
Bijbel. Daartoe richtte hij een geschrift »Aan de Raadsheeren van alle
steden van Duitschland, dat zij Christelijke scholen moeten oprichten
en onderhouden.«
»Waarde Heeren,« zegt hij daarin onder meer, »men geeft jaarlijks
zooveel geld uit voor wegen, dijken en geweren; waarom zou men er niet
een weinig van besparen om aan de arme jeugd een paar schoolmeesters
te geven? Het wezenlijk welzijn van een stad bestaat niet in groote
schatten, sterke muren, schoone huizen, blinkende wapenen; maar in het
bezit van veel knappe, eerzame en beschaafde burgers. Houdt u dan met
de kinderen bezig.... Helpe toch, wie helpen kan.«
Had Luther den _oproep_ gedaan, het was Melanchton, »de leeraar van
geheel Duitschland,« die meer bepaald de _zorg_ voor de scholen op
zich nam; er boeken over en voor schreef, voor betere leesboeken
zorgde en zooal meer, en die daarom »de stichter van het nieuwe
schoolwezen« genoemd wordt.
Luther deed intusschen zijn best om bij de scholen boekerijen
aangelegd te krijgen van allerlei nuttige werken van schrijvers en
dichters uit alle tijden, den Bijbel natuurlijk in de eerste plaats;
om het volk, dat tot dusver maar dom was gehouden, tot meerdere
ontwikkeling te brengen en hun zin te wekken voor het goede en
schoone. »Want,« zei hij, »zulke schriften dienen om de werken en
wonderen Gods te doen kennen.«
Dit werk van Luther behoort almede tot de gewichtigste, die de
Hervorming voortgebracht heeft.
[Illustratie: LUTHER EN ZIJN VROUW.]