XII.

Voor den Rijksdag.

Den volgenden morgen kwam de rijksmaarschalk Luther aanzeggen, dat hij

's middags voor den Rijksdag verschijnen moest.

Met eerbied vernam Luther het keizerlijk bevel. Hij besefte ten volle

het gewicht van wat komen ging; en meer dan ooit gevoelde hij zijn

zwakheid. En dit gevoel maakte hem onrustig. 't Was hem, als had hij

opeens zijn vertrouwen op God verloren. Hij wierp zich op de knieën en

ging hulp en kracht zoeken in 't gebed.

»Almachtig God!« riep hij uit, »hoe verschrikkelijk is de wereld; en

wat heb ik weinig vertrouwen op U! Hoe zwak is het vleesch, en hoe

machtig is de satan!... O God! mijn God! help mij! Het is niet mijn

werk, maar het Uwe! _Gij_ moet het doen... Gij alleen... _Ik_ heb hier

niets te doen. _Ik_ heb niets te twisten met die groote heeren van de

wereld! Het is _Uw_ zaak... en zij is rechtvaardig!... Getrouwe God,

wees mijn hulp! Ik verlaat mij niet op eenig mensch... O Heere! hoort

Gij niet? Mijn God! zijt Gij dood?... Neen, Gij kunt niet sterven! Gij

verbergt U slechts. Gij hebt mij tot dit werk verkozen. Ik weet

het... O Heere! wees mij nabij om den wil van Uw lieven Zoon Jezus

Christus, die mijn hulp, mijn schild en mijn sterkte is!...«

Toen na een kort zwijgen: »O Heere, mijn God! waar zijt Gij?... Kom!

kom! ik ben bereid!... Ik ben bereid om mijn leven voor Uw waarheid te

laten. Ik zal niet van U scheiden; noch heden noch in alle eeuwigheid.

Al ware de wereld vol duivels, en al werd mijn lichaam gedood, ja, tot

asch verbrand--mijn ziel behoort U toe! Ja, Uw Woord verzekert het

mij, mijn ziel is Uwe! Zij zal eeuwig bij U blijven... Amen!... O God!

help mij!... Amen!«

Gesterkt stond Luther van zijn knieën op. Hij voelde, na dit

smeekgebed, zijn God weer dicht bij zich. En toen de rijksmaarschalk

weer verscheen, met den keizerlijken heraut, om hem naar het

bisschoppelijk paleis te leiden, waar de Rijksdag gehouden werd, was

er geen zweem van onrust meer in hem.

't Was nu met de volte nog erger dan den vorigen dag. Er was gewoon

geen doorkomen aan vanwege het gedrang. Zijn geleiders traden het huis

weer met hem binnen, gingen ongemerkt de achterdeur uit, en brachten

hem door tuinen en nauwe achterstraatjes verder. Toen de menschen dit

merkten, drongen ze de huizen binnen naar de ramen, die op de tuinen

uitzagen. Anderen klommen op de daken of namen de pannen er uit. Allen

moesten den veel besproken man zien, dien de een voor een heilige, de

ander voor een duivel in monnikskleeren hield.

Eindelijk was het niet verre paleis bereikt; maar aan binnenkomen was

geen denken. Of de heraut al riep: »Plaats! Plaats!« 't volk

gehoorzaamde eenvoudig niet. De hellebaardiers moesten er aan te pas

komen om met geweld een nauwen doortocht te banen en de menigte tegen

te houden, die mee naar binnen drong.

't Was daarbinnen trouwens al vol genoeg. Duizenden stonden er

opgepakt in de gangen en zijvertrekken. Een oude generaal, George von

Freundsberg, die ook daar stond, tikte Luther op den schouder en zei:

»Monnikje, monnikje! gij doet heden een marsch, zooals ik en menig

overste zelfs in den heetsten veldslag er geen gedaan hebben. Maar

hebt gij het rechte voor en zijt ge zeker van uw zaak, wees dan maar

getroost en ga in Gods naam voort. God zal u niet verlaten!«

Dit gemoedelijk woord deed Luther goed. 't Was hem een nieuwe

versterking. En toen de vleugeldeuren van de Gothische zaal

opengingen, trad hij eerbiedig maar onverschrokken binnen.

Nooit waren er op een Rijksdag zóóveel vorsten bijeen geweest, als

Luther hier vóór zich zag. Daar zat de jonge keizer Karel V op zijn

troon; naast hem zijn broeder Ferdinand; en verder een groot aantal

keurvorsten, hertogen, graven, bisschoppen, de gezanten van den paus,

drie koninklijke gezanten, en nog een menigte andere voorname heeren.

Ook de vreeselijke hertog van Alva was er bij. Een schitterend

gezelschap van meer dan tweehonderd personen. Op een tafel, midden in

de zaal, lagen Luthers boeken.

't Was voor den eenvoudigen monnik een overweldigende aanblik. Een

paar vorsten traden vriendelijk op hem toe, met een bemoedigend

Schriftwoord. De een zeide: »Vrees niet voor degenen, die het lichaam

dooden en daarna niet meer kunnen doen.« De ander: »Wanneer gij voor

stadhouders en koningen zult gesteld worden om Mijn naam, dan zal de

Geest uws Vaders in u spreken.« Zoo kwamen de eigen woorden van zijn

Meester hem versterken in deze gewichtige ure.

Luther moest recht voor den keizer komen staan; en nu werden hem door

den kanselier twee vragen gesteld. Ten eerste, of hij erkende dat de

boeken, die daar lagen, door hem geschreven waren. Ten tweede, of hij

alles, wat daarin voor kettersch gehouden werd, wilde herroepen.

Vervolgens werden, op verlangen van Luthers raadsman Schurf, de titels

van de boeken voorgelezen en--Luther mocht antwoorden.

De eerste vraag beantwoordde hij bevestigend. Voor de tweede verzocht

hij eerbiedig tijd om zich te bedenken. Hij deed dit niet uit vrees,

zooals de vijanden zich al met blijdschap wijsmaakten, of omdat hij

het met zichzelf nog niet eens was, maar opdat niemand zou kunnen

denken dat hij lichtvaardig of met overijling gehandeld had.

Het verzoek werd hem toegestaan. Hij kreeg uitstel tot den volgenden

dag. En dezen tijd gebruikte Luther om te bidden, in den Bijbel te

lezen, zijn boeken nog eens door te zien en na te denken over wat hij

te zeggen had. »Maar met Gods hulp zal ik geen letterstreep

herroepen,« schreef hij aan een vriend. 't Was hem een heerlijke

gedachte, voor Keizer en Rijk van zijn Heer te mogen getuigen. Met de

hand op den Bijbel beloofde hij plechtig, het Evangelie getrouw te

zullen blijven, al moest hij het ook met zijn bloed bezegelen.

[Illustratie: LUTHER VOOR DEN RIJKSDAG TE WORMS.]

In die blijmoedige stemming verscheen Luther dien dag opnieuw voor de

Vergadering, zoo mogelijk onder nog grooter toeloop. De avond begon al

te vallen. In de zaal waren de lichten op. Vier uren lang sprak hij,

eerst in het Duitsch, en toen, ter wille van den keizer, die niet van

Duitsch hield, in het Latijn, over den inhoud van zijn boeken, en

verzocht aan het einde, hem uit den Bijbel te bewijzen dat hij

ongelijk had. In dit geval zou hij aanstonds zijn dwalingen herroepen

en met eigen hand zijn boeken in de vlammen werpen.

Maar inplaats van een weerlegging kwam er een vermaning van den

kanselier dat hij hier niet mocht redetwisten en eenvoudig te

antwoorden had of hij herroepen wilde, ja of neen.

»Welnu,« zei Luther, »dan zal ik een antwoord geven, dat niet bijten

of stooten zal. Ik kan mijn geloof niet onderwerpen aan het oordeel

van den paus en de Kerkvergaderingen, daar het zoo klaar is als de

dag, dat zij dikwijls gedwaald en zichzelve weersproken hebben. Word

ik niet door de H. Schrift van dwaling overtuigd, zoo kan en wil ik

niet herroepen; want het is niet raadzaam, iets tegen het geweten te

doen.--Hier sta ik! Ik kan niet anders! God helpe mij! Amen!«

Onbeschrijfelijk was de indruk van dit kloeke antwoord op de

aanwezigen. »De monnik spreekt stoutmoedig en vastberaden,« moest de

keizer bekennen, na van zijn eerste verbazing bekomen te zijn. De

goede keurvorst ging van dat oogenblik af nog meer voelen voor Luther

en de Hervorming. Hij was er trotsch op, van zùlk een man de

beschermer te zijn. »Hoe schoon heeft pater Martinus gesproken!« zei

hij later tot zijn hofprediker Spalatin.

Ook velen van de andere vorsten gaven hun goedkeuring te kennen over

Luthers woorden. Maar de vrienden van den paus stonden verlegen en

teleurgesteld. Ze gevoelden het maar al te goed, Rome had het verloren

tegen den monnik van Wittenberg.

Nogmaals werd Luther gevraagd of hij het geschrevene, althans

gedeeltelijk, herroepen wilde. Zoo niet, dan zou de keizer weten, wat

hij met zulk een hardnekkigen ketter te doen had.

Maar Luther liet zich door deze bedreiging niet afschrikken. »Ik heb

geen ander antwoord dan ik reeds gegeven heb,« zei hij bedaard.

't Was laat geworden. De keizer stond op en de vergadering ging

uiteen. Luther werd naar zijn verblijf teruggeleid door twee

keizerlijke officieren, weer omstuwd door vrienden en vijanden. »Ik

ben er door! Ik ben er door!« juichte hij bij het binnengaan met de

handen in de hoogte. Zijn trouwe Spalatin en andere vrienden bleven

bij hem. Aller hart was vol lof en dank aan God.

't Was een heerlijk getuigenis, dat Luther voor den Rijksdag had

afgelegd. De Heer had zijn vertrouwen niet beschaamd. Hij had hem

krachtig ter zijde gestaan en aan de wereld getoond, dat het Woord van

God triomfeert, ook over de machtigsten der aarde. Hij had Zijn

dienstknecht den moed gegeven, zijn heldhaftig _Neen_ te doen klinken

in de ooren van Keizer en Paus, en temidden van de leugen pal te staan

voor de waarheid. En al die grooten hadden het gehoord en gezien, hoe,

door de kracht der waarheid, die eenvoudige monnik met een gerust

geweten als een vrij man vóór hen stond.

Luthers manmoedige daad heeft het daar te Worms voor alle volgende

eeuwen bewezen, dat gewetensvrijheid een heilig recht is, dat geen

aardsche macht den mensch ontnemen kan of mag.

Wel mogen wij God danken voor wat Hij te Worms door Maarten Luther

gedaan heeft.

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 17 / 27 题