XIII.

Op den Wartburg.

De aanhangers van Rome waren woedend over hun nederlaag en deden, met

den nuntius Aleander aan het hoofd, al het mogelijke om Luther

veroordeeld te krijgen. Ze gaven den keizer zelfs den raad, het

vrijgeleide in te trekken, zooals met Hus was geschied. Tegenover een

ketter behoefde men immers zijn woord niet te houden.

Maar tegen zùlk een schanddaad kwamen de Duitsche vorsten, zelfs de

zoo vijandige hertog George, met kracht in verzet. Ook Karel zelf liet

er zich gelukkig niet toe vinden, maar gaf, zegt men, dit schoone

antwoord: »Al was er ook in de gansche wereld geen trouw en

gerechtigheid meer, dan moeten zij toch bij een Duitsch keizer

gevonden worden. Ik wil niet blozen als Sigismund.«

Nog acht dagen bleef Luther te Worms. Hij werd niet meer voor den

Rijksdag ontboden, maar kreeg wel nog voortdurend tal van voorname

bezoekers, die hem tot herroepen zochten te bewegen en de grootste

gevaren voorspiegelden, zoo hij het niet deed. Maar het een werkte

even weinig uit als het ander. Eindelijk gebood de keizer hem te

vertrekken; want over een en twintig dagen zou het vrijgeleide

geëindigd zijn. Met het oog hierop liet zijn bezorgde keurvorst hem

weten, dat het voor zijn veiligheid noodig zou zijn, hem voorloopig

van zijn vrijheid te berooven, en hem ergens heen te brengen, waar hij

een tijdlang verborgen kon zijn. Maar waar, hoe en door wie moest nog

een geheim blijven.

Gehoorzaam aan 's keizers bevel nam Luther in den morgen van den

26sten April afscheid van zijn vrienden en verliet hij Worms, in

het heerlijk bewustzijn, te hebben gehandeld naar den wil van God.

Twintig edellieden te paard en een groote menigte volks deden hem

uitgeleide.

Ook nu ging het onder bescherming van 's keizers heraut. Maar reeds te

Friedberg zond Luther hem terug; op Hessisch grondgebied achtte hij

zich wel veilig. Hartelijk was het afscheid tusschen de twee mannen.

Caspar Sturm was in die enkele weken een warm vriend geworden van zijn

beschermeling èn van de Hervorming.

Evenals op de heenreis predikte Luther ook nu weer het Evangelie, wáár

hij maar gelegenheid vond. 't Was hem namens den keizer wel verboden;

maar daar stoorde hij zich niet aan. »Het Woord van God mag niet

gebonden worden,« zei hij.

Zoo kwam hij te Eisenach; en vandaar ging hij een bezoek brengen aan

het dichtbij gelegen dorpje Möhra, de geboorteplaats van zijn vader,

waar nog zijn grootmoeder en meer familie woonde. Ze behoorden er tot

de rijkste boeren uit den omtrek, de zoogenaamde »paardenboeren«,

omdat ze met paarden inplaats van met ossen ploegden. Er wonen daar

nog altijd veel families Luther in de omgeving.

Niemand blijder dan de oude grootmoeder, toen de wagen voor de

boerderij stilhield en ze haar Maarten eindelijk weer eens in de armen

mocht sluiten. En Luther was niet minder blij, dat hij hier nu eens

een heelen dag kon uitrusten bij die lieve, vreedzame menschen, in het

stille dorpje, na al de stormen, die over hem heen waren gegaan.

Natuurlijk liep heel Möhra te hoop vóór de boerderij. Ieder moest den

beroemden zoon van Hans Luther zien. En den volgenden dag moest hij

voor hen preeken. Het kerkje was daarvoor veel te klein, want van ver

uit den omtrek kwamen de hoorders. Maar onder het jonge groen van de

groote linde tegenover het huis was plaats genoeg. En daar klonk toen,

onder den blauwen Meihemel, uit Luthers mond, het liefelijk Evangelie

van een genadig God, die Zijn Zoon in de wereld had gezonden om de

zondaren zalig te maken.

Intusschen waren Luthers vijanden nog altijd bezig zijn ondergang te

bewerken. Door den keizer was een besluit geteekend en uitgevaardigd,

waarbij over den Wittenberger monnik, als den gevaarlijkste aller

ketters, de rijksban uitgesproken werd.

Luther was dus vogelvrij verklaard. Zoodra het vrijgeleide geëindigd

was, zou een ieder hem mogen vatten, en daarvoor, als voor een heilig

werk, nog beloond worden op den koop toe. En wie hem huisvesten,

verbergen, voeden of op welke wijze ook helpen of beschermen mocht,

met woord of daad, zou ook in den ban worden gedaan.

Zóó sprak Rome. Maar God waakte over Zijn dienstknecht en over het

werk, dat Hij Hem te doen had gegeven. En als God vóór ons is, wie zal

dàn tegen ons zijn?

Toen Luther gepreekt had, nam hij te vier uur afscheid van Möhra en

besteeg hij opnieuw zijn reiswagen met Amsdorf en zijn kloosterbroeder

Petzensteiner, die hem, volgens de regelen van de Orde, op zijn

geheele reis vergezellen moest.[1] De andere vrienden waren bij

Eisenach van hem afgegaan en naar Wittenberg teruggekeerd.

De weg leidde door het Thuringerwoud, en alles bleef rustig tot ze in

een hollen weg kwamen, dicht bij het kasteel Altenstein. Daar zien ze

zich plotseling overvallen door vijf vermomde, zwaar gewapende

ruiters, die uit de struiken te voorschijn springen en den wagen

omsingelen. Een van hen houdt den voerman een gespannen handboog vóór

en gebiedt hem op ruwen toon halt te houden. Een tweede vraagt met

gebiedende stem wie Luther is. Deze stelt gauw in 't Latijn zijn

vriend Amsdorf gerust, wien hij er al zooiets van gezegd had, en maakt

zich bekend; waarop hij bevel krijgt, óók onder bedreiging met een

handboog, zich gevangen te geven en uit te stijgen. Amsdorf,

begrijpend, doet of hij Luther te hulp wil komen en roept er schande

over, rustige reizigers zoo te behandelen. En de doodelijk verschrikte

kloosterbroeder, die het maar veiliger vindt om zich uit de voeten te

maken, springt uit den wagen en vlucht als een haas het bosch in. De

ruiters voeren intusschen hun gevangene weg. De voerman moet het

onmachtig aanzien hoe ze den doctor naast hun paarden laten meeloopen;

en als ze met hem uit het gezicht zijn, gaat hij ook maar verder met

zijn eenig overgebleven reiziger.

Als alles in rust is, houden de ruiters halt. Ze doen Luther zijn

monnikskleed uit, slaan hem een mantel om, zetten hem op een paard, en

dan gaat het in draf het bosch door, langs allerlei omwegen, om

mogelijke vervolgers op een dwaalspoor te brengen.

Luther, het paardrijden niet gewoon, is al spoedig doodmoe. Bij een

bron, nu nog de »Lutherbron« genaamd, laat men hem afstijgen om te

drinken, en onder de groote beuk,[2] die daar staat, wat uit te

rusten. En dan gaat het maar weer verder door het àl donkerder

wordende woud.

Omstreeks elf uur 's avonds gaat het voorzichtig berg-opwaarts, tot

eindelijk halt wordt gehouden voor de poort van een oud, door dichte

bosschen omringd kasteel--de Wartburg. De poort wordt geopend, de

ruiters gaan binnen. En terwijl de zware valdeuren zich achter hen

sluiten, stijgen ze af in den hof. Luther is in veiligheid.

Die ruiters waren de ridder van Altenstein, de slotvoogd van den

Wartburg en drie vertrouwde dienaren. De goede keurvorst had dit plan

uitgedacht om zijn beschermeling aan de macht van zijn vijanden te

onttrekken, die hem anders, zoo vreesde hij, zeker in handen krijgen

en vermoorden zouden.

De heer van Altenstein keerde nu weer naar zijn eigen kasteel terug,

terwijl de anderen, langs de steenen trap van een der slottorens,

Luther naar de kamer leidden, die voor hem zoo geriefelijk mogelijk in

gereedheid was gebracht. Daar lag ook al een riddergewaad voor hem

klaar, dat de slotvoogd hem in plaats van zijn monnikskleed maar

dadelijk hielp aandoen, en een degen, dien hij aan de zijde moest

gespen. Om zijn hals kreeg hij een gouden keten. Luther herkende

zichzelf haast niet meer. Om zich nog meer onkenbaar te maken moest

hij baard en hoofdhaar laten groeien, en zich »Jonker Georg« laten

noemen. Want ook de bedienden van het kasteel mochten niet anders

denken, dan dat hij de een of andere gevangen ridder was.

De tijding van Luthers ontvoering was door de vreeselijke berichten

van broeder Petzensteiner en den voerman weldra allerwegen bekend, en

de zonderlingste geruchten over zijn gewaanden dood deden daarbij de

ronde. De vijanden juichten, want ze dachten dat het nu gedaan was met

den ketter en zijn werk. Maar de vrienden treurden en jammerden over

hun groot verlies. »Luther dood?! Wie zal ons nu nog zuiver het

Evangelie verkondigen?«

Doch zoowel vrienden als vijanden kwamen al spoedig te weten, dat de

hervormer nog leefde, al wisten ze niet wáár. Want »Jonker Georg« kon

niet ledig zitten. Van zijn »Patmos«, zooals hij zijn schuilplaats

noemde, schreef hij geruststellende brieven aan zijn vrienden, die

Melanchton verrukt deden uitjubelen: »Onze dierbare vader leeft!« Ook

zond hij, van uit zijn eenzame torenkamer te midden van de donkere

wouden, allerlei geschriften de wereld in, die dan door de zorg van

zijn vrienden gedrukt werden. En zoo bemerkten de vijanden tot hun

grooten schrik, dat de man, dien ze zoozeer haatten èn vreesden, nog

alles behalve dood was.

Luther werd op den Wartburg uitstekend verzorgd en met onderscheiding

behandeld. Hij kreeg er twee edelknapen tot zijn dienst. 's Zondags,

en ook wel in de week, preekte hij voor den slotvoogd en andere

vertrouwden; en dagelijks maakte hij voor zijn gezondheid kleine

wandelingen in den omtrek van het slot; later waagde hij zich ook wel

verder. Hij was dan altijd in zijn ridderkleeding en in gezelschap van

een rijknecht, die hem les moest geven in het riddertje-spelen en in

het hanteeren van de wapenen. 't Was een norsch maar trouw man, dien

hij eens een hevigen schrik aanjoeg, door in een herberg, waar hij

wat wilde uitrusten, zijn degen, die hem verveelde, af te werpen, en

naar de boeken te grijpen, die hij daar zag staan. Dat waren nu

heelemaal geen riddermanieren, vond zijn onderwijzer.

Eens nam men hem mee op de jacht. Maar dit »bitter zoet vermaak«,

zooals hijzelf het noemde, wilde hem niet bekoren. Het maakte hem

bedroefd. Hij kon niet helpen in de jagers den paus te zien, en in de

honden, die het wild moesten opspeuren, de bisschoppen, die de arme

zielen der menschen in hun netten zochten te vangen. Temidden van zijn

overdenkingen komt er een jong haasje, verschrikt door het

hondengeblaf, op hem toegeloopen en dringt zich tegen zijn voeten aan.

Luther heeft medelijden met het diertje. Hij neemt het behoedzaam op

en draagt het in zijn arm mee. Maar de honden krijgen er de lucht van.

Ze bespringen het, trekken het uit zijn schuilplaats en bijten het

dood. De sterke man, die nog nooit is teruggeschrikt voor eigen

doodsgevaar, uit een kreet van smart. »O satan!« roept hij, »zoo doet

ook gij! Zoo tracht ook gij nog de zielen te verderven, die al van den

dood gered zijn! Maar de arm, die hen draagt, is sterker dan de

mijne.«

Dat Luther ook op den stillen Wartburg ijverig voortarbeidde aan zijn

hervormingswerk, al klaagde hijzelf dat hij weinig deed, blijkt wel

uit de menigte boeken en preeken, die hij er schreef, en voornamelijk

uit een werk van onschatbare waarde, dat hij daar begonnen is, n.l.

zijn Bijbelvertaling, een reuzenwerk in één woord.

Zooals we weten, is het Oude Testament in de Hebreeuwsche, het Nieuwe

in de Grieksche taal geschreven. Nu was er wel een oude Latijnsche

overzetting, de Vulgata genaamd, maar die was heel gebrekkig, heel

duur, en voor het volk, dat geen Latijn kende, onbruikbaar; en de

bestaande Duitsche vertalingen daarvan waren dikwijls nog

onbegrijpelijker.

Daarom was het voor heel de wereld een groote zegen, dat de Heer aan

Luther de gedachte in het hart gaf: »Dit éénige Boek moet in alle

talen, in alle landen, onder alle oogen, in alle ooren en in alle

handen en harten zijn,« en hem deed besluiten, zelf de hand daartoe

aan het werk te slaan, door het in de taal van zijn volk over te

zetten. Zijn eenzaam verblijf op den Wartburg schonk hem daarvoor een

kostelijke gelegenheid.

Niet uit het Latijn, maar uit de oorspronkelijke talen bracht Luther

den Bijbel over. Een geheel _nieuwe_ vertaling gaf hij dus, en dat in

mooi, vloeiend Duitsch, geheel verschillend van de nog ruwe,

ongevormde taal en stijl van die dagen. Met het gebruik van zijn

Bijbel gingen de menschen zich toen ook die verfijnde taal eigen

maken. Zoo werd de hervormer ook voor de _taal_ van zijn volk een

Luther--_louteraar_.

[Illustratie: DE KAMER VAN LUTHER OP DEN WARTBURG.]

Hij begon met het Nieuwe Testament. Een gemakkelijke taak was dit

zéker niet. Dagen, ja weken zat hij dikwijls te peinzen over de juiste

beteekenis van één woord of één zin. Had hij die, dan moesten in het

Duitsch de juiste woorden er voor gevonden worden. Ontzaglijk veel

moeite kostte hem dit werk. Maar het was hem tegelijk een groote

vreugde. Hij ondervond duidelijk dat de Heer ook hierin mèt hem was,

en het hem wèl deed gelukken. Zelf zegt hij er van: »Men ziet er uit,

dat de Heilige Geest er bijzonder behagen in heeft gehad, met ons,

Duitschers, in onze moedertaal te spreken.«

Ook schonk de Heer hem een trouwe hulp in Melanchton, die bijzonder

knap was in het Grieksch. Deze met Justus Jonas, Bugenhagen en anderen

hielpen hem, na zijn terugkomst in Wittenberg, het werk voltooien, dat

hij op den Wartburg begonnen was.

* * * * *

Nog altijd staat het daar, op zijn dichtbegroeide, 462 M. hooge rots,

het eeuwenoude, wereldberoemde slot, het schoonste onder Thuringens

burchten. Wie een reis door Thuringen maakt, keert niet huiswaarts

zonder het te hebben gezien, niet alleen van buiten, maar ook van

binnen. En van al het bezienswaardige, dat den bezoeker daar dan wordt

getoond, blijft wel het merkwaardigste de eenvoudige torenkamer, die

»Jonker Georg« tien maanden lang tot verblijf gediend heeft. Daar ziet

hij dan allereerst de eikenhouten tafel, waaraan hij den Bijbel te

vertalen zat; zijn stoel, zijn ledikant en de kolossale groen-steenen

kachel. Ook is daar nog een eigenhandig geschreven brief van den

grooten man, en een kist met de eerste uitgaven van den vertaalden

Bijbel.

Zoo staat daar de eerbiedwaardige Wartburg, als een gedenkteeken van

Gods trouw, die aan de Kerk een Luther gaf om het licht van Zijn

Woord, eeuwen lang door onwetendheid en bijgeloof onder een korenmaat

verborgen, weer op den kandelaar te plaatsen en met vernieuwden glans

te doen schijnen.

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 18 / 27 题