Op den Wartburg.
De aanhangers van Rome waren woedend over hun nederlaag en deden, met
den nuntius Aleander aan het hoofd, al het mogelijke om Luther
veroordeeld te krijgen. Ze gaven den keizer zelfs den raad, het
vrijgeleide in te trekken, zooals met Hus was geschied. Tegenover een
ketter behoefde men immers zijn woord niet te houden.
Maar tegen zùlk een schanddaad kwamen de Duitsche vorsten, zelfs de
zoo vijandige hertog George, met kracht in verzet. Ook Karel zelf liet
er zich gelukkig niet toe vinden, maar gaf, zegt men, dit schoone
antwoord: »Al was er ook in de gansche wereld geen trouw en
gerechtigheid meer, dan moeten zij toch bij een Duitsch keizer
gevonden worden. Ik wil niet blozen als Sigismund.«
Nog acht dagen bleef Luther te Worms. Hij werd niet meer voor den
Rijksdag ontboden, maar kreeg wel nog voortdurend tal van voorname
bezoekers, die hem tot herroepen zochten te bewegen en de grootste
gevaren voorspiegelden, zoo hij het niet deed. Maar het een werkte
even weinig uit als het ander. Eindelijk gebood de keizer hem te
vertrekken; want over een en twintig dagen zou het vrijgeleide
geëindigd zijn. Met het oog hierop liet zijn bezorgde keurvorst hem
weten, dat het voor zijn veiligheid noodig zou zijn, hem voorloopig
van zijn vrijheid te berooven, en hem ergens heen te brengen, waar hij
een tijdlang verborgen kon zijn. Maar waar, hoe en door wie moest nog
een geheim blijven.
Gehoorzaam aan 's keizers bevel nam Luther in den morgen van den
26sten April afscheid van zijn vrienden en verliet hij Worms, in
het heerlijk bewustzijn, te hebben gehandeld naar den wil van God.
Twintig edellieden te paard en een groote menigte volks deden hem
uitgeleide.
Ook nu ging het onder bescherming van 's keizers heraut. Maar reeds te
Friedberg zond Luther hem terug; op Hessisch grondgebied achtte hij
zich wel veilig. Hartelijk was het afscheid tusschen de twee mannen.
Caspar Sturm was in die enkele weken een warm vriend geworden van zijn
beschermeling èn van de Hervorming.
Evenals op de heenreis predikte Luther ook nu weer het Evangelie, wáár
hij maar gelegenheid vond. 't Was hem namens den keizer wel verboden;
maar daar stoorde hij zich niet aan. »Het Woord van God mag niet
gebonden worden,« zei hij.
Zoo kwam hij te Eisenach; en vandaar ging hij een bezoek brengen aan
het dichtbij gelegen dorpje Möhra, de geboorteplaats van zijn vader,
waar nog zijn grootmoeder en meer familie woonde. Ze behoorden er tot
de rijkste boeren uit den omtrek, de zoogenaamde »paardenboeren«,
omdat ze met paarden inplaats van met ossen ploegden. Er wonen daar
nog altijd veel families Luther in de omgeving.
Niemand blijder dan de oude grootmoeder, toen de wagen voor de
boerderij stilhield en ze haar Maarten eindelijk weer eens in de armen
mocht sluiten. En Luther was niet minder blij, dat hij hier nu eens
een heelen dag kon uitrusten bij die lieve, vreedzame menschen, in het
stille dorpje, na al de stormen, die over hem heen waren gegaan.
Natuurlijk liep heel Möhra te hoop vóór de boerderij. Ieder moest den
beroemden zoon van Hans Luther zien. En den volgenden dag moest hij
voor hen preeken. Het kerkje was daarvoor veel te klein, want van ver
uit den omtrek kwamen de hoorders. Maar onder het jonge groen van de
groote linde tegenover het huis was plaats genoeg. En daar klonk toen,
onder den blauwen Meihemel, uit Luthers mond, het liefelijk Evangelie
van een genadig God, die Zijn Zoon in de wereld had gezonden om de
zondaren zalig te maken.
Intusschen waren Luthers vijanden nog altijd bezig zijn ondergang te
bewerken. Door den keizer was een besluit geteekend en uitgevaardigd,
waarbij over den Wittenberger monnik, als den gevaarlijkste aller
ketters, de rijksban uitgesproken werd.
Luther was dus vogelvrij verklaard. Zoodra het vrijgeleide geëindigd
was, zou een ieder hem mogen vatten, en daarvoor, als voor een heilig
werk, nog beloond worden op den koop toe. En wie hem huisvesten,
verbergen, voeden of op welke wijze ook helpen of beschermen mocht,
met woord of daad, zou ook in den ban worden gedaan.
Zóó sprak Rome. Maar God waakte over Zijn dienstknecht en over het
werk, dat Hij Hem te doen had gegeven. En als God vóór ons is, wie zal
dàn tegen ons zijn?
Toen Luther gepreekt had, nam hij te vier uur afscheid van Möhra en
besteeg hij opnieuw zijn reiswagen met Amsdorf en zijn kloosterbroeder
Petzensteiner, die hem, volgens de regelen van de Orde, op zijn
geheele reis vergezellen moest.[1] De andere vrienden waren bij
Eisenach van hem afgegaan en naar Wittenberg teruggekeerd.
De weg leidde door het Thuringerwoud, en alles bleef rustig tot ze in
een hollen weg kwamen, dicht bij het kasteel Altenstein. Daar zien ze
zich plotseling overvallen door vijf vermomde, zwaar gewapende
ruiters, die uit de struiken te voorschijn springen en den wagen
omsingelen. Een van hen houdt den voerman een gespannen handboog vóór
en gebiedt hem op ruwen toon halt te houden. Een tweede vraagt met
gebiedende stem wie Luther is. Deze stelt gauw in 't Latijn zijn
vriend Amsdorf gerust, wien hij er al zooiets van gezegd had, en maakt
zich bekend; waarop hij bevel krijgt, óók onder bedreiging met een
handboog, zich gevangen te geven en uit te stijgen. Amsdorf,
begrijpend, doet of hij Luther te hulp wil komen en roept er schande
over, rustige reizigers zoo te behandelen. En de doodelijk verschrikte
kloosterbroeder, die het maar veiliger vindt om zich uit de voeten te
maken, springt uit den wagen en vlucht als een haas het bosch in. De
ruiters voeren intusschen hun gevangene weg. De voerman moet het
onmachtig aanzien hoe ze den doctor naast hun paarden laten meeloopen;
en als ze met hem uit het gezicht zijn, gaat hij ook maar verder met
zijn eenig overgebleven reiziger.
Als alles in rust is, houden de ruiters halt. Ze doen Luther zijn
monnikskleed uit, slaan hem een mantel om, zetten hem op een paard, en
dan gaat het in draf het bosch door, langs allerlei omwegen, om
mogelijke vervolgers op een dwaalspoor te brengen.
Luther, het paardrijden niet gewoon, is al spoedig doodmoe. Bij een
bron, nu nog de »Lutherbron« genaamd, laat men hem afstijgen om te
drinken, en onder de groote beuk,[2] die daar staat, wat uit te
rusten. En dan gaat het maar weer verder door het àl donkerder
wordende woud.
Omstreeks elf uur 's avonds gaat het voorzichtig berg-opwaarts, tot
eindelijk halt wordt gehouden voor de poort van een oud, door dichte
bosschen omringd kasteel--de Wartburg. De poort wordt geopend, de
ruiters gaan binnen. En terwijl de zware valdeuren zich achter hen
sluiten, stijgen ze af in den hof. Luther is in veiligheid.
Die ruiters waren de ridder van Altenstein, de slotvoogd van den
Wartburg en drie vertrouwde dienaren. De goede keurvorst had dit plan
uitgedacht om zijn beschermeling aan de macht van zijn vijanden te
onttrekken, die hem anders, zoo vreesde hij, zeker in handen krijgen
en vermoorden zouden.
De heer van Altenstein keerde nu weer naar zijn eigen kasteel terug,
terwijl de anderen, langs de steenen trap van een der slottorens,
Luther naar de kamer leidden, die voor hem zoo geriefelijk mogelijk in
gereedheid was gebracht. Daar lag ook al een riddergewaad voor hem
klaar, dat de slotvoogd hem in plaats van zijn monnikskleed maar
dadelijk hielp aandoen, en een degen, dien hij aan de zijde moest
gespen. Om zijn hals kreeg hij een gouden keten. Luther herkende
zichzelf haast niet meer. Om zich nog meer onkenbaar te maken moest
hij baard en hoofdhaar laten groeien, en zich »Jonker Georg« laten
noemen. Want ook de bedienden van het kasteel mochten niet anders
denken, dan dat hij de een of andere gevangen ridder was.
De tijding van Luthers ontvoering was door de vreeselijke berichten
van broeder Petzensteiner en den voerman weldra allerwegen bekend, en
de zonderlingste geruchten over zijn gewaanden dood deden daarbij de
ronde. De vijanden juichten, want ze dachten dat het nu gedaan was met
den ketter en zijn werk. Maar de vrienden treurden en jammerden over
hun groot verlies. »Luther dood?! Wie zal ons nu nog zuiver het
Evangelie verkondigen?«
Doch zoowel vrienden als vijanden kwamen al spoedig te weten, dat de
hervormer nog leefde, al wisten ze niet wáár. Want »Jonker Georg« kon
niet ledig zitten. Van zijn »Patmos«, zooals hij zijn schuilplaats
noemde, schreef hij geruststellende brieven aan zijn vrienden, die
Melanchton verrukt deden uitjubelen: »Onze dierbare vader leeft!« Ook
zond hij, van uit zijn eenzame torenkamer te midden van de donkere
wouden, allerlei geschriften de wereld in, die dan door de zorg van
zijn vrienden gedrukt werden. En zoo bemerkten de vijanden tot hun
grooten schrik, dat de man, dien ze zoozeer haatten èn vreesden, nog
alles behalve dood was.
Luther werd op den Wartburg uitstekend verzorgd en met onderscheiding
behandeld. Hij kreeg er twee edelknapen tot zijn dienst. 's Zondags,
en ook wel in de week, preekte hij voor den slotvoogd en andere
vertrouwden; en dagelijks maakte hij voor zijn gezondheid kleine
wandelingen in den omtrek van het slot; later waagde hij zich ook wel
verder. Hij was dan altijd in zijn ridderkleeding en in gezelschap van
een rijknecht, die hem les moest geven in het riddertje-spelen en in
het hanteeren van de wapenen. 't Was een norsch maar trouw man, dien
hij eens een hevigen schrik aanjoeg, door in een herberg, waar hij
wat wilde uitrusten, zijn degen, die hem verveelde, af te werpen, en
naar de boeken te grijpen, die hij daar zag staan. Dat waren nu
heelemaal geen riddermanieren, vond zijn onderwijzer.
Eens nam men hem mee op de jacht. Maar dit »bitter zoet vermaak«,
zooals hijzelf het noemde, wilde hem niet bekoren. Het maakte hem
bedroefd. Hij kon niet helpen in de jagers den paus te zien, en in de
honden, die het wild moesten opspeuren, de bisschoppen, die de arme
zielen der menschen in hun netten zochten te vangen. Temidden van zijn
overdenkingen komt er een jong haasje, verschrikt door het
hondengeblaf, op hem toegeloopen en dringt zich tegen zijn voeten aan.
Luther heeft medelijden met het diertje. Hij neemt het behoedzaam op
en draagt het in zijn arm mee. Maar de honden krijgen er de lucht van.
Ze bespringen het, trekken het uit zijn schuilplaats en bijten het
dood. De sterke man, die nog nooit is teruggeschrikt voor eigen
doodsgevaar, uit een kreet van smart. »O satan!« roept hij, »zoo doet
ook gij! Zoo tracht ook gij nog de zielen te verderven, die al van den
dood gered zijn! Maar de arm, die hen draagt, is sterker dan de
mijne.«
Dat Luther ook op den stillen Wartburg ijverig voortarbeidde aan zijn
hervormingswerk, al klaagde hijzelf dat hij weinig deed, blijkt wel
uit de menigte boeken en preeken, die hij er schreef, en voornamelijk
uit een werk van onschatbare waarde, dat hij daar begonnen is, n.l.
zijn Bijbelvertaling, een reuzenwerk in één woord.
Zooals we weten, is het Oude Testament in de Hebreeuwsche, het Nieuwe
in de Grieksche taal geschreven. Nu was er wel een oude Latijnsche
overzetting, de Vulgata genaamd, maar die was heel gebrekkig, heel
duur, en voor het volk, dat geen Latijn kende, onbruikbaar; en de
bestaande Duitsche vertalingen daarvan waren dikwijls nog
onbegrijpelijker.
Daarom was het voor heel de wereld een groote zegen, dat de Heer aan
Luther de gedachte in het hart gaf: »Dit éénige Boek moet in alle
talen, in alle landen, onder alle oogen, in alle ooren en in alle
handen en harten zijn,« en hem deed besluiten, zelf de hand daartoe
aan het werk te slaan, door het in de taal van zijn volk over te
zetten. Zijn eenzaam verblijf op den Wartburg schonk hem daarvoor een
kostelijke gelegenheid.
Niet uit het Latijn, maar uit de oorspronkelijke talen bracht Luther
den Bijbel over. Een geheel _nieuwe_ vertaling gaf hij dus, en dat in
mooi, vloeiend Duitsch, geheel verschillend van de nog ruwe,
ongevormde taal en stijl van die dagen. Met het gebruik van zijn
Bijbel gingen de menschen zich toen ook die verfijnde taal eigen
maken. Zoo werd de hervormer ook voor de _taal_ van zijn volk een
Luther--_louteraar_.
[Illustratie: DE KAMER VAN LUTHER OP DEN WARTBURG.]
Hij begon met het Nieuwe Testament. Een gemakkelijke taak was dit
zéker niet. Dagen, ja weken zat hij dikwijls te peinzen over de juiste
beteekenis van één woord of één zin. Had hij die, dan moesten in het
Duitsch de juiste woorden er voor gevonden worden. Ontzaglijk veel
moeite kostte hem dit werk. Maar het was hem tegelijk een groote
vreugde. Hij ondervond duidelijk dat de Heer ook hierin mèt hem was,
en het hem wèl deed gelukken. Zelf zegt hij er van: »Men ziet er uit,
dat de Heilige Geest er bijzonder behagen in heeft gehad, met ons,
Duitschers, in onze moedertaal te spreken.«
Ook schonk de Heer hem een trouwe hulp in Melanchton, die bijzonder
knap was in het Grieksch. Deze met Justus Jonas, Bugenhagen en anderen
hielpen hem, na zijn terugkomst in Wittenberg, het werk voltooien, dat
hij op den Wartburg begonnen was.
* * * * *
Nog altijd staat het daar, op zijn dichtbegroeide, 462 M. hooge rots,
het eeuwenoude, wereldberoemde slot, het schoonste onder Thuringens
burchten. Wie een reis door Thuringen maakt, keert niet huiswaarts
zonder het te hebben gezien, niet alleen van buiten, maar ook van
binnen. En van al het bezienswaardige, dat den bezoeker daar dan wordt
getoond, blijft wel het merkwaardigste de eenvoudige torenkamer, die
»Jonker Georg« tien maanden lang tot verblijf gediend heeft. Daar ziet
hij dan allereerst de eikenhouten tafel, waaraan hij den Bijbel te
vertalen zat; zijn stoel, zijn ledikant en de kolossale groen-steenen
kachel. Ook is daar nog een eigenhandig geschreven brief van den
grooten man, en een kist met de eerste uitgaven van den vertaalden
Bijbel.
Zoo staat daar de eerbiedwaardige Wartburg, als een gedenkteeken van
Gods trouw, die aan de Kerk een Luther gaf om het licht van Zijn
Woord, eeuwen lang door onwetendheid en bijgeloof onder een korenmaat
verborgen, weer op den kandelaar te plaatsen en met vernieuwden glans
te doen schijnen.