Naar Worms.
Duitschland had intusschen een nieuwen keizer gekregen. Eerst was de
kroon aangeboden aan keurvorst Frederik, Luthers vriend, die bekend
stond als een verstandig, vredelievend man, die zijn volk zeer
liefhad. Toen men eens, bij een opstand te Erfurt, bij hem
aangedrongen had, de stad met geweld van wapenen te onderwerpen, had
hij het geweigerd, »om bloed te sparen«.--»'t Zal geen vijf menschen
kosten,« had men hem gezegd. Maar de vorst had geantwoord: »Een ènkel
mensch zou te veel zijn.«--Ach, als keurvorst Frederik eens in onze
dagen geleefd had!
Al de vorsten hadden gaarne de keizerskroon op Frederiks hoofd gezien.
Maar de nederige man meende haar te moeten weigeren; en op zijn raad
werd de kleinzoon van Maximiliaan, de negentienjarige Karel, reeds
koning van Spanje en Heer der Nederlanden, tot keizer verkozen en in
1521 te Aken als Karel V gekroond.
Al spoedig werd er met den nieuwen keizer over Luther gesproken. De
pauselijke gezant Aleander drong bij hem aan, niet alleen om de
boeken van dien ketter te doen verbranden, maar ook hemzelf uit den
weg te ruimen.
Het eerste wilde de keizer wel; men was daar trouwens in zijn
erflanden al mee bezig; maar het laatste ging zoo gemakkelijk niet.
Luther was een onderdaan van keurvorst Frederik; en dezen wilde Karel
te vriend houden, omdat hij aan hem zijn kroon te danken had. Ook wist
hij, dat velen van de andere vorsten Luther genegen waren. Hij wilde
dus eerst weten, hoe dezen er over dachten en vooral, wat het gevoelen
van den keurvorst was.
In Januari 1521 zou er een Rijksdag geopend worden, d. i. een
Vergadering van alle vorsten en aanzienlijken des Rijks, om over
staatszaken te spreken. Thans zou het daarbij hoofdzakelijk gaan over
Luther en zijn leer. Deze Rijksdag, de eerste, waarop de jeugdige
Karel moest voorzitten, zou te Worms gehouden worden. De keizer wilde
Luther daar dan ook laten komen, om zich te verantwoorden.
Toen de keurvorst dit hoorde, werd hij ongerust. Hij vreesde, dat
Luther er niet levend vandaan zou komen. In een brief verzocht hij den
keizer om van dien eisch af te zien. En toen dit niet baatte, vroeg
hij een vrijgeleide voor zijn onderdaan; waarop de keizer zijn woord
gaf, dat Luther door hem beschermd zou worden.
Het vrijgeleide werd gegeven. Maar toch was de keurvorst nog niet
geheel gerust. Luthers vijanden waren het echter ook niet. Aleander
zag den doctor van Wittenberg liever niet voor den Rijksdag
verschijnen. In zijn hart vreesde hij dien stoutmoedigen man en de
kracht van zijn woord, waardoor hij er reeds zoovelen voor zijn leer
gewonnen had. Hij vond dus veiliger, dat de Rijksdag hem maar
onverhoord veroordeelde; te meer daar de paus hem toch al veroordeeld
had. Zóó ver had hij het bij den keizer reeds weten te brengen, dat
hij vergunning kreeg, vooraf Luthers geschriften te weerleggen. Hij
deed dit met groote welsprekendheid, en spande aan het einde al zijn
krachten in, om de vorsten tot een nieuwe veroordeeling te bewegen.
Maar de Koning der koningen waakte over Zijn dienstknecht, en
gebruikte ook hier een tegenstander als pleitbezorger voor Luther en
de goede zaak.
't Was hertog George van Saksen, een van Luthers grootste vijanden,
die tot aller verbazing plotseling in de Vergadering opstond en zeide,
dat de vorsten recht hadden, ook zelven de zaak te onderzoeken, al had
de paus reeds uitspraak gedaan; want dat er met medeweten van den paus
zeer veel verkeerde dingen in de Kerk geschiedden. Met bewijzen
staafde hij zijn bewering. Het was niet tegen te spreken. Velen van de
anderen vielen hem bij. En het einde was, dat er besloten werd, Luther
voor den Rijksdag te roepen.
Den 24sten Maart verscheen de keizerlijke heraut, Caspar Sturm met
de dagvaarding van Karel V te Wittenberg. Luthers vrienden zaten in
doodsangst over hem. Ze sméékten hem, niet naar Worms te gaan. Het
vrijgeleide van den keizer was zoo weinig te vertrouwen. Was niet
vóór honderd jaar een keizerlijk woord aan Hus gegeven, ook verbroken
geworden?
[Illustratie: PHILIPPUS MELANCHTHON.]
Maar er hielp niets aan. Wie er bevreesd was, Luther niet. »Christus
leeft,« zei hij; en dit was hem genoeg. Toch wist hij heel goed, dat
het zijn vijanden om niets anders dan zijn dood te doen was; »maar,«
schreef hij aan zijn vriend Spalatin, »met de hulp van Christus zal ik
het Woord op het slagveld niet verlaten.« En tot Melanchton, zijn
boezemvriend, die met alle geweld mee wilde, zei hij: »Gij moet hier
blijven. Kom ik niet terug en gelukt het mijn vijanden mij te dooden,
dan bezweer ik u, lieve broeder! dat gij niet ophoudt de waarheid
bekend te maken en bij haar te volharden. Werk meteen voor mij, als ik
het niet meer kan. Gij kunt het nog beter dan ik. Daarom is er ook aan
mij niet veel verloren, zoolang gij blijven moogt. Aan u heeft de Heer
een nog veel beter toegerusten strijder.«
Met zulk een moed in het hart en het oog op God aanvaardde Luther den
2den April de reis, onder de tranen en gebeden van heel Wittenberg.
De stadsraad had hem daarvoor een rijtuig geschonken; een kleinen,
heel eenvoudigen wagen op lage wielen, zooals die toen in Saksen in
gebruik waren, met een linnen kap, die op en neer kon. De keizerlijke
heraut, bekleed met de teekenen van zijn waardigheid, reed te paard
vooruit, met zijn wapenknecht. Deze droeg het rijksschild met den
gekroonden adelaar. Professor Amsdorf, de rechtsgeleerde Schurf en een
jong Deensch student, die mee naar Worms zouden gaan, zaten bij hem
in den wagen. Een tweede wagen, met nog andere begeleiders, volgde.
Onderweg sloten nog meer vrienden zich bij hem aan, onder wie de
trouwe Justus Jonas.
In verscheidene plaatsen, die hij doortrok, predikte Luther. En hij
sprak dan niet over zichzelf, maar enkel over zijn Heer en Meester, en
het heil, dat door het geloof in Hem te vinden was. _Vrede zij
ulieden_ was te Erfurt zijn tekst in de kerk van het Augustijner
klooster; dezelfde, waar hij in vroeger jaren aan het klokketouw en
met den bezem had gestaan. Ook te Eisenach kwam hij, waar hij als
jongen met zingen zijn brood had gebedeld. En wáár hij kwam, liepen de
menschen uit om den onverschrokken man te zien, die het, heel alleen,
tegen het machtige Rome had durven opnemen.
Die reis naar Worms was voor Luther een zegetocht.
Op bevel van den keizer moest hij er binnen een en twintig dagen zijn;
maar het scheen wel of vriend en vijand samenspanden om te maken, dat
hij er niet of niet op tijd zou komen.
Telkens trachtten ze hem op te houden of ongerust te maken. »Ach,«
klaagden ze, »er zijn te Worms zooveel kardinalen en bisschoppen! Ze
zullen u verbranden, zooals ze Hus hebben gedaan.«
Maar het geloof gaf Luther kracht om al die verzoekingen te weerstaan.
»Al ware de gansche weg van Wittenberg naar Worms één vuur, welks
vlammen tot aan den hemel reikten,« sprak hij, »zoo zou ik in den naam
des Heeren er doorheen wandelen, voor hen verschijnen en den Heere
Jezus belijden.«--»Ik zal naar Worms gaan, al moest ik er ziek
heengebracht worden,« had hij al vroeger gezegd. »Als de keizer mij
roept, is er geen twijfel aan, dat ik van God word geroepen. Hij leeft
en heerscht nog, die de jongelingen in den gloeienden oven bewaard
heeft.«
Ook al om hem op te houden, wilde men hem naar een bevriend kasteel
rijden. De biechtvader van den keizer was daar; en met dezen zou hij
alles kunnen bespreken, zonder dat hij in Worms behoefde te komen,
zeide men hem. Maar Luther antwoordde: »Ik zal mijn reis voortzetten.
Als de biechtvader van den keizer mij wat te zeggen heeft, kan hij mij
in Worms vinden.«--En 't was maar heel gelukkig dat hij er geen gehoor
aan gaf. Want _dit_ bleek een strik, dien de vijanden hem spanden.
Nog dicht bij de stad kwam er een bode van zijn vriend Spalatin, met
dringend verzoek namens zijn meester om toch niet binnen Worms te
komen. Maar Luther zei: »Zeg aan uw heer, dat, al waren er zooveel
duivels in Worms als pannen op de daken, ik er toch heen zou gaan.«
En hij kwàm er, nog juist op tijd. Den 16den April, in den voormiddag
van den een en twintigsten dag, reed hij in zijn nederigen wagen de
stad binnen. Een honderdtal edellieden, die hem tegemoet waren gegaan,
volgden te paard, als een eerewacht.
't Was werkelijk ontroerend, den intocht te zien van dezen eenvoudigen
monnik in de rijksstad. Als hij de keizer zelf was geweest, kon hij er
niet met grooter belangstelling ontvangen zijn. 't Was er nog vòller
dan bij den intocht van den keizer. Overàl op zijn reis hadden de
menschen hun best gedaan den moedigen man te zien; maar hier in Worms
verdrong men elkander letterlijk. Straten en huizen waren vol
toeschouwers. Uit alle deur- en vensteropeningen staken de hoofden.
Wel een tweeduizend menschen pakten zich samen bij het huis, waar de
wagen stilhield en hij zijn intrek nemen zou.
Bij het afstappen liep er een priester op hem toe, die hem omhelsde en
tot driemaal toe zijn kleed aanraakte, »alsof het een reliquie van den
grootsten heilige was«, zooals Aleander grimmig naar Rome schreef.
Getroffen liet Luther zijn groote, klare oogen over de menigte gaan.
»God zal mij bijstaan,« hoorde men hem, als ter geruststelling, met
een blijmoedig gezicht zeggen. Toen ging hij naar binnen.
Na den maaltijd kreeg Luther druk bezoek, zoowel van vorsten, edelen
en geleerden als van gewone burgers. De jonge landgraaf Philips van
Hessen was ook gekomen om hem te zien. »Indien gij gelijk hebt, heer
doctor, dan helpe u God!« wenschte hij hem met een hartelijken
handdruk.
Ook vóór het huis bleef het vol nieuwsgierigen, tot laat in den avond.