Tetzel en zijn aflaten.
In 1512, kort na Paschen, keerde Luther te Wittenberg terug, en nog
datzelfde jaar werd hij er tot doctor in de godgeleerdheid bevorderd.
Bij deze gelegenheid legde hij, volgens zijn eigen woorden, den eed af
aan »zijn dierbare en heilige Schrift«, en beloofde hij, »haar getrouw
te verkondigen, zuiver te leeren, gedurende zijn gansche leven te
beoefenen en tegen alle valsche leeraars te verdedigen«.
En aan die belofte is Luther trouw gebleven, zijn leven lang. Hoe
beter hijzelf de waarheid leerde verstaan, hoe vuriger hij haar
predikte aan anderen; hoe meer hij zag wat al onwetendheid en
dwalingen er onder de menschen heerschten, hoe meer hij zijn best
deed, die te bestrijden.
Van goede werken als middel om de zaligheid te verdienen, wilde Luther
niets meer weten.
»Ik, doctor Martin Luther, onwaardig Evangeliedienaar van onzen Heere
Jezus Christus, belijd, dat het geloof alleen voor God rechtvaardigt
zonder de werken. Dit is het ware Evangelie, dat niemand voor onze
zonden gestorven is dan Jezus Christus, Gods Zoon. En indien Hij
alleen het is, die de zonden wegneemt, kunnen wij het niet doen met
onze werken. Maar de goede werken _volgen_ de verlossing, gelijk
de vruchten zich vertoonen aan den boom. De begeerte om zichzelf
rechtvaardig te maken is voor het hart een bron van angst en vrees.
Maar wie Christus als Verlosser aanneemt, heeft den vrede; en niet
alleen den vrede, maar ook de reinheid des harten. Alle heiligmaking
is een vrucht van het geloof; want het geloof is een goddelijk werk,
dat door den Heiligen Geest ons hart vernieuwt en nieuwe menschen van
ons maakt.--Dit is onze leer. Het is die, welke de Heilige Geest
leert. Wij bewaren haar in den naam van God. Amen!«
Zoo bracht Luther aan groote scharen van toehoorders de »Blijde
Boodschap«, zooals hij die zelf had leeren verstaan. En het klonk
alles zoo eenvoudig en waar wat hij zeide van het geloof in den Heere
Jezus, dat de menschen zich verwonderden, het vroeger zelf niet zoo te
hebben ingezien.
Vooral voor de hoogeschool was hij tot zegen. »Als Luther voor zijn
studenten de Schriften verklaarde,« zegt een van zijn vrienden, »was
het of er na een langen, donkeren nacht een nieuwe dageraad opging
over de leer.« En dat begrijpen we, als we Luther zelf hooren zeggen:
»In mijn hart heerscht alleen, en _moet_ ook alleen heerschen, het
geloof in mijn Heere Jezus Christus, die alleen het begin, het midden
en het einde is van al de gedachten, die nacht en dag mijn geest
vervullen.«
Dat Luther in zijn prediking anders leerde dan de Kerk, was hij zich
toen nog niet bewust, en als gehoorzame monnik was dit ook allerminst
zijn bedoeling. Tot er iets gebeurde, dat hem voorgoed met Kerk en
paus in botsing bracht.
Paus Julius II was begonnen in Rome een buitengewoon prachtige kerk te
bouwen, de St. Pieterskerk; en zijn opvolger, Leo X, wilde dit werk
voltooien. Maar dit kostte ontzaglijk veel geld en--de schatkist was
ledig.
Dit was trouwens niets nieuws. Paus Leo, vriendelijk en innemend,
maar zonder éénigen godsdienstzin, was een bijzonder pracht- en
kunstlievend man, en verspilde onnoemelijke schatten, niet alleen voor
zichzelf, maar ook voor zijn op vermaak en feesten beluste hovelingen.
Ook schonk hij veel weg aan familie en armen, die bij hem aanklopten,
want hij was erg goedgeefsch. Zoodoende had Rome altijd gebrek aan
geld, niettegenstaande het er uit alle landen binnenstroomde.
Ook nu zat de Heilige Vader danig in de war. Hij had, behalve voor
de St. Pieterskerk, ook een groote som noodig voor een aangekocht
handschrift van een van de oude Romeinsche geschiedschrijvers; en
om nu aan geld te komen, schreef hij, op raad van zijn neef, den
kardinaal Pucci, een aflaat uit, waarin algeheele vergeving van zonden
werd toegezegd aan een ieder, die door het koopen van zulk een aflaat
geld voor den kerkbouw aanbracht. Ook zou deze aflaat van kracht zijn
voor de dooden, zoodat hun zielen uit het vagevuur verlost zouden
worden, wanneer er voor hen zulk een brief gekocht en betaald werd.
Oorspronkelijk was zoo'n _aflaat_ of _vrijlating_ een kwijtschelding
van _straf_, door de _Kerk_ opgelegd, als boete voor een begane zonde.
Die kwijtschelding werd dan geschonken op het verrichten van een
zoogenaamd verdienstelijk werk, en kon ook verleend worden tegen
betaling van geld voor eenig kerkelijk doel. Maar het volk verstond er
doodgewoon onder, dat je voor geld _vergeving van zonden_ koopen kon,
als een broodje bij den bakker. En de verkoopers lieten dat maar zoo,
en gingen het ten slotte zelf prediken.
Die aflaathandel was zeer winstgevend. Als de pausen dus geld noodig
hadden, schreven ze, onder een of ander voorwendsel, maar zoo'n aflaat
uit. En zoo deed Leo X nu ook.
De aartsbisschop van Mainz, Albrecht, mocht er op zijn verzoek in
Duitschland mee werken en daarvoor de winst met den paus deelen.
Want ook hij had geld noodig om de dertigduizend gulden van zijn
bisschopsmantel af te doen, waarvoor hij nog altijd bij Rome in het
krijt stond. De Dominicaners, die er ook wel wat aan verdienen wilden,
zouden zich met de uitvoering belasten, en zonden hun afgevaardigde,
Johann Tetzel, naar Mainz, om zijn diensten aan te bieden.
Deze niet ongeleerde monnik was een door en door slecht mensch.
Hij was al eens door keizer Maximiliaan veroordeeld om, in een
zak gebonden, in den Tiber geworpen te worden, en had het aan de
voorspraak van keurvorst Frederik te danken, dat hij nog leefde. Maar
hij was welbespraakt als de brutaalste kwakzalver, die ooit op een
markt had gestaan, en voor dit baantje als geknipt.
Deze man reisde met zijn aflaatkraam heel Duitschland door, in een
mooi gemakkelijk rijtuig gezeten, door drie ruiters en een groot
gevolg begeleid. Kwam hij bij een stad, dan liet hij de overheid
zeggen, dat de genade van God en van den Heiligen Vader voor de
poorten verschenen was. Aanstonds werden dan alle klokken geluid en
met veel eerbetoon haalde men den aflaatkramer in.
Zoo kwam hij in October 1517 ook te Jüterbog, een stad, vlak bij de
Saksische grens.--In Saksen zelf mocht hij van den keurvorst niet
komen.--Dadelijk kwam alles, wat loopen kon, er op de been. De Raad,
de geestelijkheid in plechtgewaad, de gilden met hun vaandels, de
onderwijzers en hun scholieren met brandende waskaarsen in de hand,
traden hem eerbiedig tegemoet en leidden hem in plechtigen optocht
naar de hoofdkerk.
De pauselijke aflaatbul werd op een fluweelen kussen, met goud
omboord, vooruitgedragen. Dan volgde Tetzel, met een groot, rood
houten kruis in de hand, dat, met de pauselijke wapenen omhangen, vóór
het altaar in de kerk werd geplaatst, waar van alle kanten, ook uit
het dichtbijgelegen Wittenberg, het volk toestroomde om hem te hooren.
Tetzel beklom den kansel. En wat hij daar dan met kracht en klem den
menschen stond wijs te maken, was in één woord allerverschrikkelijkst.
»De aflaten,« zoo begon hij met bulderende stem, »zijn het kostbaarste
en hoogste geschenk van God! Dit kruis«--hier wees hij op het
roode--»heeft evenveel kracht als het kruis van Christus zelf.« En
dan ging hij zijn hoorders de brieven aanprijzen, waarin hun de zonden
vergeven zouden worden, niet alleen die ze gedaan _hadden_, maar ook
die ze nog zouden _willen_ doen. Berouw deed er minder toe. Koopen en
betalen, dàt was de hoofdzaak. »Menschen, ge hebt zooveel doodzonden
gedaan, dat ze niet te tellen zijn, en voor elk daarvan zoudt ge zeven
jaar in het vagevuur moeten branden!« donderde het over de hoofden.
»Maar door zoo'n genadebrief wordt elke schuld uitgedelgd, al is die
ook nòg zoo groot. Koopt ook voor uw vader, of moeder of vrienden, die
in het vagevuur kermen! Hoort gij het niet? »Erbarm u!« roepen ze. »We
lijden vreeselijke pijn! Een kleine aalmoes zou ons verlossen!«--Helpt
hen dan! Op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt,
stijgt hun ziel ten hemel!« En zoo ging hij maar door, met nòg
gruwelijker leugens.
't Was wel dwaas van de menschen om al dien schandelijken onzin maar
voor goede munt aan te nemen. Maar ze hadden van kind af geleerd,
alles blindelings te gelooven wat van Rome kwam. En hoe meer leven en
vertoon daar bij was, hoe meer indruk het maakte. Daarbij viel zoo'n
leer bij velen wel in den smaak, omdat die een gemakkelijk middel aan
de hand deed om het geweten te sussen. Na het »Legt in, legt in, legt
in!« aan het einde van zoo'n toespraak uitgebruld, »alsof er een wilde
stier bulkte«, volgens Luther, régende het dan ook geldstukken in de
offerkist naast het kruis. De spotters hadden er al een rijmpje op:
»Zoodra het geld in 't kistje klinkt,
Het zieltje in den hemel springt.«
Want niet allen lieten zich die zotteklap op de mouw spelden. Wie
echter aanmerkingen durfden maken, werden door den redenaar zonder
complimenten »in den ban« verklaard.
De aflaatkramers werden zelf ook wel eens leuk beetgenomen of in hun
leugens gevangen. Maar de ernstige, verstandige lieden bedroefden
zich, dat het arme volk zoo het geld uit den zak geklopt en, erger
nog, op een dwaalweg gebracht werd. Doch er was niemand, die het
openlijk durfde uitspreken.
Tetzel deed intusschen goede zaken. In één stad kreeg hij in drie
weken niet minder dan twee millioen gulden bij elkaar. Wagens vol geld
gingen de Alpen over. »Allemaal zonden van de Duitschers,« spotten de
Italianen.