De Slotkerk te Wittenberg.
De treurige gevolgen van Tetzels schaamtelooze bedriegerij werden ook
door Luther ondervonden. Als de menschen bij hem kwamen biechten en
hij hun, alvorens de vrijspraak te geven, ernstig afvroeg, of het nu
ook hun oprecht voornemen was, de beleden zonden te laten en hun leven
te beteren, kreeg hij gewoonweg ten antwoord, dat dit niet noodig was,
want dat ze aflaatbrieven gekocht hadden bij Tetzel.
Dat was voor Luther te veel. Had hij tot hiertoe gezwegen uit eerbied
voor den paus en de kerkelijke instellingen, nu kòn hij het niet
langer. Reeds de eerste maal dat hij door zijn vriend Staupitz van den
schreeuwerigen aflaatkramer hoorde, had hij gezegd: »Zoo God het wil,
zal ik een gat in zijn trommel slaan.« En nu achtte hij het oogenblik
daartoe gekomen. Hij rekende het zijn heilige plicht, tegen zulke
goddeloosheden openlijk de stem te verheffen en het misleide volk
te waarschuwen; niet zoozeer nog tegen den aflaat zelf als tegen de
schandelijke wijze waarop daarin handel gedreven werd. Hij had er in
de kerk voor het volk al tegen gepreekt. Maar het had weinig gebaat;
Tetzel bleef ongehinderd zijn goddeloos bedrijf voortzetten. Nu zou
Luther zich tot de leeraars wenden.
[Illustratie: DE SLOTKERK TE WITTENBERG.]
't Was 31 October geworden, de dag vóór Allerheiligen, een gewichtige
feestdag, die overal in de kerken met veel plechtigheid werd gevierd;
vooral te Wittenberg, in de Slotkerk, die keurvorst Frederik er
gesticht had. Want in die kerk waren door den keurvorst een menigte
dingen bijeengebracht, zoogenaamde overblijfselen van heiligen,
waaraan groote waarde werd gehecht; b.v. stukjes hout, naar het heette
van het kruis des Heeren, beenderen en tanden van apostelen of andere
heiligen, lapjes van kleederen, die ze gedragen hadden, doosjes zand,
met bloed van martelaren gedrenkt, en zooal meer. Reliquieën heetten
die dingen; en op Allerheiligen werden ze in de Slotkerk vertoond.
Geen wonder dus dat op dien dag de goedgeloovigen bij massa's daarheen
togen; niet alleen om er al de heiligen aan te roepen, maar ook om die
reliquieën te zien en te vereeren; te meer wijl er met dit kerkbezoek
nog een bijzonderen aflaat te verdienen was.
't Was in den morgen van dien 31sten October, dat keurvorst Frederik,
op zijn kasteel te Schweinitz, aan zijn broeder, hertog Johann, een
droom zat te vertellen, dien hij dien nacht had gehad, en dien hij
nooit zou vergeten, zei hij, al leefde hij ook nog duizend jaren.
»Ik droomde,« zoo vertelde hij, »dat er een monnik bij mij kwam met
verzoek, iets op de deur van de Slotkerk te mogen schrijven. Ik gaf
mijn toestemming, en de monnik ging heen en begon te schrijven. Maar
hij dit deed in zulke groote letters, dat ik het hier vandaan lezen
kon, en met een pen zóó lang, dat het einde er van tot aan Rome
reikte, tegen de ooren van een rustig daar liggenden leeuw[1] stootte
en de kroon op het hoofd van den paus aan 't waggelen bracht. Al
de kardinalen en vorsten schoten toe om haar tegen te houden; gij
en ik hielpen mee. Onderwijl ging de leeuw, in zijn rust gestoord,
zoo geweldig aan het brullen, dat heel Rome en al de staten van het
heilige rijk toeliepen om te zien, wat er gebeurde. De paus verlangde,
dat men dien monnik het schrijven verbieden zou, en wendde zich in de
eerste plaats tot mij, omdat het in mijn land gebeurde. Toen liepen
gij en ik en al de rijksvorsten naar Rome, om die pen in stukken te
breken. Maar hoe meer moeite we deden, hoe sterker ze werd. Eindelijk
gaven we 't op. Ik liet toen aan den monnik vragen,--want ik was nu
eens in Rome en dan weer in Wittenberg--vanwaar hij die pen had en hoe
zij zoo sterk kwam. Toen antwoordde hij: Die pen is afkomstig van een
oude gans in Bohemen en al honderd jaar oud. Ik kreeg haar van een
vroegeren schoolmeester. En dat ze zoo sterk is, komt, omdat men haar
het merg niet ontnemen kan. Ik sta er zelf over verbaasd.--Toen de
monnik dit gezegd had, hoorde ik opeens een geducht leven. Uit die
groote pen waren een menigte kleine pennen gekomen.... Toen werd ik
wakker.«
Hertog Johann vond het een wonderlijken droom. »Hadden we nu maar een
Jozef of een Daniël hier,« zei hij.
»Ik heb al wel over een uitlegging gedacht, maar ik bewaar die voor
mij. Misschien zal de tijd nog eens leeren of ik goed gedacht heb,«
zei de keurvorst, weinig vermoedend dat de tijd reeds bezig was zulks
te doen.
Onderwijl de oude vorst op zijn kasteel over zijn droom bleef
voortpeinzen, zat Luther in zijn kloostercel te Wittenberg met een
stuk wit papier voor zich. Hij had het feest van Allerheiligen
afgewacht als de beste gelegenheid om velen tegelijk tegen de
leugenleer van »den grooten beurzendorscher«--zoo noemde hij
Tetzel--te waarschuwen. Daarom schreef hij, wat hij er tegen in te
brengen had, op dat papier, in vijf en negentig stellingen, die hij,
zeide de inleiding, bereid was aan de universiteit in het openbaar te
verdedigen. Met een hamer gewapend ging hij er mee naar de Slotkerk en
sloeg ze daar aan de hoofddeur aan, waar ze door iedereen gezien en
gelezen konden worden.
Daar stond onder meer voor aller oog:
»De aflaatkramers zijn bedriegers wanneer zij zeggen, dat de
pauselijke aflaat van alle straf bevrijden en den mensch behouden kan.
»Onder _volkomen vergeving van zonden,_ bedoelt de paus niet een
opheffing van _elke_ straf, maar slechts van die, welke hijzelf
opgelegd heeft.
»De kwijtschelding en vergiffenis van den paus moet niet veracht
worden, want zijn vergiffenis is een verklaring van de vergiffenis
Gods.
»Het is een dwaze prediking, te beweren, dat de ziel uit het vagevuur
opstijgt op hetzelfde oogenblik, dat het geld in de kist klinkt.
»Zij, die zich verbeelden van hun zaligheid verzekerd te zijn door
middel van aflaten, gaan naar den duivel, met hun onderwijzers.
»Ieder Christen, die oprecht berouw heeft over zijn zonden, ontvangt
volkomen vergeving van schuld, ook zonder aflaatbrieven.
»Men moet den Christenen leeren, dat hij, die den armen geeft en den
behoeftigen leent, beter doet dan hij, die een aflaat koopt.
»Men moet den Christenen leeren dat hij, die zijn naaste gebrek ziet
lijden en een aflaat koopt inplaats van hem te helpen, zich het
goddelijk ongenoegen op den hals haalt.
»De ware en kostelijke schat der Kerk, is het heilig Evangelie van
Gods heerlijkheid en genade.
»Te zeggen, dat een kruis met de pauselijke wapenen versierd, even
machtig is als het kruis van Christus, is godslastering.
»Men moet den Christenen leeren, dat, indien de paus het villen en
plunderen der aflaatpredikers kende, hij liever den Dom van St. Pieter
tot asch verbrand zou zien, dan opgebouwd van de huid, het vleesch en
de beenderen zijner schapen.«
Uit deze stellingen blijkt duidelijk, dat Luther toen nog grooten
eerbied had voor den paus en zich geroepen gevoelde het voor hem op
te nemen, in de vaste overtuiging, dat de Heilige Vader onkundig was
van wat door Tetzel in zijn naam gedaan werd.
Zooals zich denken laat, wekten zijn stellingen groot opzien. Hij had
ze in 't Latijn geschreven, maar ze werden onmiddellijk in 't Duitsch
vertaald en in nog geen veertien dagen door geheel Duitschland
verspreid. Niemand kwam om ze te weerleggen. Maar de duizenden, die ze
op Allerheiligen gelezen hadden, deden niets dan er over spreken; in
huis, op de reis, op de markt, in de herberg, wáár men elkander maar
zag. Inplaats van aflaten namen de bedevaartgangers ze mee naar hun
woonplaats. Iedereen was er vol van en wilde ze lezen en laten lezen.
Ze werden afgeschreven, in andere talen overgebracht en bij duizenden
gedrukt en verkocht. Naar paleizen, studeervertrekken, kloostercellen,
en zelfs naar het Vaticaan vonden ze hun weg. Binnen vier weken wist
rijk en arm, geleerd en ongeleerd, in heel Europa en nog verder, er
over mee te spreken. »'t Was of de Engelen uitgezonden waren om ze
wijd en zijd over de aarde te verkondigen,« zei een tijdgenoot van
Luther.--Zou keurvorst Frederik, bij het vernemen er van, niet aan
zijn droom hebben gedacht?
De Dominicaners, met Tetzel aan het hoofd, waren woedend, dat die
vermetele Augustijner hen in hun bedrijf was komen storen, en maakten
hem uit voor den grootste aller ketters, die niet anders dan den
brandstapel verdiende.
Ter weerlegging van zijn stellingen liet Tetzel door een van zijn
handlangers een aantal stellingen vóór den aflaat vervaardigen. Eén
daarvan luidde, dat al wie zegt, dat de ziel _niet_ uit het vagevuur
vliegt, als het geld op den bodem van de geldkist klinkt, in dwaling
verkeert. Te Frankfort aan de Oder, waar hij met zijn aflaatkraam
heengetrokken was,--'t begon hem zoo dicht bij Wittenberg te benauwd
te worden,--liet hij op een openbare wandelplaats een preekstoel en
een houtmijt oprichten. Op dien preekstoel ging hij, omhangen met de
teekenen van zijn waardigheid als inquisiteur, tegen Luther staan
razen; en toen dit afgeloopen was, verbrandde hij op de houtmijt
Luthers stellingen. Maar de Wittenbergsche studenten, gloeiend van
verontwaardiging over den smaad, hun zoo geliefden en vereerden
meester aangedaan, wisten een aantal exemplaren van Tetzels stellingen
in handen te krijgen, en stookten daarvan op hun beurt een
vreugdevuurtje.
Zooals dat gewoonlijk gaat, koos de één vóór, de ander tegen Luther
partij. Velen gingen de oogen open voor het verkeerde van den
aflaathandel en verheugden zich, dat er eindelijk iemand gekomen was,
die den moed had er tegen te getuigen. Anderen werden er door
verbitterd. Zelfs onder Luthers vrienden waren er, die het afkeurden,
uit vrees voor de gevolgen.
Maar Luther zei: »Indien de zaak niet in den naam van God gedaan is,
zal ze vallen. Indien wèl, laat ze voortgang hebben.«
En ze hàd voortgang, en heeft het nòg. De Heer zelf zorgde er voor,
want het was _Zijn_ werk.
't Is nu juist vierhonderd jaren geleden, dat Maarten Luther zijn
stellingen aansloeg aan Wittenbergs Slotkerk. En onder Gods bestuur is
_dit_ de beslissende stoot geweest tot het groot en gezegend werk der
Kerkhervorming. 't Begin, voor zoover men in deze van een begin
spreken kan. Daarom wordt 31 October _Hervormingsdag_ genoemd en
jaarlijks in de Protestantsche kerken met dankbaarheid herdacht.
Thans, nu we 1917 schrijven en dus het Vierde Eeuwfeest der Hervorming
vieren, heeft die dag voor ons natuurlijk nog een bijzondere
beteekenis.