VI.

Naar Rome.

't Was heelemaal niet naar Luthers zin dat hij geroepen was, de

wijsbegeerte te onderwijzen. Zijn hart ging naar de godgeleerdheid

uit; en hij studeerde wat hij kon, vooral Grieksch en Hebreeuwsch, om

zijn kennis uit de bron zelf, den Bijbel, te kunnen putten.

In Maart 1509 verkreeg hij zijn wensch. Toen werd hij candidaat in de

theologie; en van nu af mocht hij elken middag zijn studenten uit den

Bijbel onderwijzen. Dat waren heerlijke uren, zoowel voor hemzelf als

voor zijn leerlingen. Hij begon met de verklaring van de Psalmen en

daarna van den Brief aan de Romeinen. En terwijl hij zijn studenten

onderwees, werd hijzelf door Gods Geest onderwezen.

Van de akademie in zijn eenzame kloostercel teruggekeerd, zat hij

urenlang over den Romeinenbrief gebogen; en hoe dieper hij nadacht

over wat daar geschreven stond, hoe meer het licht van de waarheid

opging in zijn ziel. Vooral trof hem het woord: _De rechtvaardige zal

uit het geloof leven_. 't Was hem, als legde de Heer deze woorden

zelf in zijn hart. 't _Geloof_, dàt was wat rechtvaardig maakte en

naar den wil van God leerde leven. 't Was Luther, als kwam er met die

woorden nieuw leven in hem. Telkens hoorde hij ze weer, zelfs temidden

van zijn drukste bezigheden.

De lessen, die Luther gaf, geleken niets op wat tot dusver was

gehoord. 't Was maar geen _boeken_kennis, maar _Bijbel_kennis, die

hij meedeelde; en die kwam niet uit het hoofd, maar uit het hart;

dit voelden zijn leerlingen dadelijk. Wijd en zijd werd er over

gesproken en van overal kwamen er jonge, vreemde studenten naar de

Wittenbergsche hoogeschool. Zelfs professoren schaamden zich niet om

Luthers lessen te komen bijwonen. Eén van hen, een bijzonder knappe,

zei: »Deze monnik zal al de leeraren van den weg brengen. Hij zal een

nieuwe leer invoeren en heel de Kerk hervormen; want hij grondt zich

op het Woord van Christus; en er is niemand ter wereld die dat Woord

bestrijden of omverwerpen kan.«

Op een goeden dag kwam Luthers vriend Von Staupitz hem het voorstel

doen om in de Augustijnerkerk te preeken. Maar daar schrikte Luther

voor terug. Hij op den preekstoel? Hij vond zich veel te onwaardig en

te zwak voor zulk een zwaarwichtige taak. »Neen, neen!« weerde hij af.

»'t Is geen geringe zaak om in Gods plaats tot de menschen te

spreken.«

Von Staupitz wilde echter van geen tegenbedenkingen hooren. En toen

Luther zag dat zijn verontschuldigingen geen van alle hielpen, zuchtte

hij: »Ach, heer doctor, u maakt me dood! Ik houd het geen drie maanden

uit.«

»Dat maakt geen verschil,« was het antwoord. »Onze Heere God heeft

Boven ook geschikte menschen in Zijn dienst noodig.«

Toen was Luther uitgepraat. Hij nam de opdracht aan; en wat hem eerst

zoo had bezwaard werd hem al spoedig een bron van vreugde. Met vuur en

kracht predikte hij het Evangelie aan de gretig-luisterende menigte;

eerst in het kerkje van het klooster; en toen dat te klein werd, in

de veel grootere stadskerk, voor een nog talrijker gehoor. Zelfs de

keurvorst kwam eens naar Wittenberg om hem te hooren. En hoe meer hij

tot het volk sprak, hoe meer hijzelf de kracht van Gods Woord

ervaarde.

Toch was Luther nog altijd een trouw aanhanger van de Roomsche Kerk en

den paus. Hij was daarom niet weinig verblijd, toen hij in 1511 door

zijn vicaris-generaal naar Rome gezonden werd, met nog een priester

van zijn orde, om daar eenige kloosterzaken te bespreken.

Deze reis is zoowel voor hem als voor de Hervorming van groot nut

geweest. »Ik wilde voor geen honderdduizend gulden dat ik Rome

niet gezien had,« verklaarde hij later. Niet omdat hij er zooveel

liefelijks had aanschouwd, maar juist omdat de herinnering aan al de

teleurstellingen en ergernissen, op dien tocht ondervonden, hem later

deed inzien hoe verbasterd de Kerk was en hoe verderfelijk haar leer.

Met groote blijdschap en vol verwachting had Luther half October met

zijn kloosterbroeder de voetreis ondernomen. Nu zou hij eenigen tijd

in de dichte nabijheid zijn van den heiligen paus en van zooveel

andere vrome dienaren van de Kerk! Dáár zou hij de ware rust en

heiligheid vinden!

Maar ach, wat een ontnuchtering! »Hoe dichter bij Rome, hoe slechter

Christenen«, vertelde hij later. Groot was zijn verbazing en nog

grooter zijn verontwaardiging over de verregaande zedeloosheid, die

hij in Italië aantrof. Maar hij troostte zich met de gedachte, dat het

in Rome zelf toch wel heel anders en beter zou zijn.

Ook in de kloosters, waar hij onderweg zijn intrek nam, zag hij veel

onbehoorlijks. Zoo vertoefde hij eenige dagen in het rijke klooster

der Benedictijners, waar alles even weelderig en prachtig was

ingericht. Het maakte den nederigen broeder uit het arme klooster

te Wittenberg stom van verbazing. Als gast durfde hij echter geen

aanmerkingen te maken. Maar toen hij er ten overvloede op vastendag

de tafel beladen zag met een keur van vleeschgerechten, kòn hij niet

zwijgen.

»De Kerk en de paus verbieden zulke dingen,« vermaande hij.

De monniken lachten wat om hun nauwgezetten gast; en toen ze zagen

dat het hem ernst was, werden ze kwaad en gingen ze aan het schelden.

Zoo'n lompe Duitscher! Wou die hun de les lezen? Zoo'n stillen

verklikker konden ze in hun klooster wel missen.

't Werd voor Luther raadzaam dat hij heenging. Zijn vertrek uit het

klooster geleek veel op een vlucht. Te Bologna werd hij ernstig ziek.

Sommigen zeggen door vergif, hem in het klooster toegediend; anderen

meenen dat de matige monnik, zoo gewend aan zijn soberen kost, er het

eten niet heeft kunnen verdragen.

Luther was heel treurig gestemd. Hij vreesde in den vreemde te zullen

sterven. Maar daar kwamen die woorden hem weer te binnen: _De

rechtvaardige zal uit het geloof leven_. En ze gaven hem weer troost,

moed en kracht. Hij herstelde en kon zijn reis voortzetten.

Einde November was het doel bereikt en zag Luther, van de hoogte

waarop hij stond, de heilige stad, met haar menigte torens en koepels,

aan zijn voeten liggen. Vol aandoening knielt hij neer en in

vervoering roept hij uit: »Wees gegroet, heilig Rome!«

Helaas, nieuwe teleurstelling! Inplaats van beter was het in Rome,

zoo mogelijk, nog erger. Pracht en praal was er genoeg; maar met den

godsdienst was het er allertreurigst gesteld. Priesters, bisschoppen

zelfs, hoorde hij spotten met het heiligste.

Eens hielp hij in een kerk de mis bedienen; maar terwijl hij nog aan

de eerste was, had de priester aan het altaar naast hem er al zeven

gelezen. »Vlug wat, vlug wat!« hoorde hij hem fluisterend roepen;

»maak dat Onze Lieve Vrouw haar Zoon terugkrijgt!«

En dat was nogal bij de mis, waarbij aan het volk werd geleerd, dat

de ouwel, die de priester in de hand hield, door het uitspreken van

eenige Latijnsche woorden, in het werkelijke lichaam van den Heere

Jezus veranderde. Luther geloofde vast dat het waar was; daarom was

hij er altijd zoo eerbiedig bij. Maar nu zag hij, dat de priesters in

Rome het niet geloofden, ja, er mee spotten.

Deze dingen, en nog veel meer goddeloosheden, die hij er hoorde en

zag, bedroefden hem diep. Maar toch bleef hij nog vasthouden aan de

leer der Kerk. Zoo wilde hij, als vroom pelgrim, Rome niet verlaten,

zonder op zijn bloote knieën de acht en twintig treden van de marmeren

Pilatustrap opgegaan te zijn. Dit was een van de heiligste werken, die

men doen kon, en aan het beklimmen van elke trede was een aflaat van

negen jaren verbonden. 't Was dezelfde trap, zoo luidde het verhaal,

die voor het rechthuis van Pilatus had gestaan en door de voeten van

den Heiland was betreden geworden. Door een wonder was die trap van

Jeruzalem naar Rome gekomen.

Ook deze dwaasheid geloofde Luther nog; en dus kroop hij al biddend de

treden op. Maar terwijl hij er mee bezig is, hoort hij opnieuw met

kracht die inwendige stem: _De rechtvaardige zal uit het gelóóf

leven_.

Verschrikt springt hij overeind. Als een _waarschuwing_ klinken thans

die woorden hem in de ooren. Hij ziet opeens, met schaamte en afschuw,

hoe bijgeloovig hij is; en dadelijk maakt hij rechtsomkeert en lóópt

naar beneden. Neen, geen eigen werk, maar alleen het geloof in Jezus

Christus, Gods Zoon, kan hem rechtvaardigen. Niet door boetedoeningen

of wat ook kan hij de vergeving van zijn zonden _verdienen_. Hij

_behoeft_ die ook niet te verdienen. Zijn _Verlosser_ heeft ze voor

hem verdiend. _Die_ heeft zijn schuld geboet, door Zijn lijden en

kruisdood. Als hij dàt waarlijk gelooft, schenkt God hem de vergeving

uit _genade_, om _niet_.

O, wat een heerlijk licht gaat er nú op in Luthers ziel! Wat wordt

het nú rustig daarbinnen! _De rechtvaardige zal uit het gelóóf leven._

Nu begrijpt hij pas goed de beteekenis van dit woord. Zelf vertelde

hij later daarvan: »Zoodra Gods Geest mij die woorden leerde verstaan,

gevoelde ik mij als een nieuw mensch herleven en trad ik door open

deuren het Paradijs van God binnen. Van toen af beschouwde ik ook den

dierbaren Bijbel met geheel nieuwe oogen. Het woord »Rechtvaardigheid

Gods«, waar ik vroeger bang voor was, werd mij nu tot troost, kreeg ik

nu lief. Waarlijk, dat woord was voor mij de rechte deur van het

Paradijs.«

Zoo vond Luther te Rome dan tòch, wat hij er was komen zoeken: rust

en vrede voor zijn hart. Niet, zooals hij eerst gehoopt had, door de

nabijheid van den paus; ook niet door de Pilatustrap; maar door die

woorden uit Paulus' brief, honderden jaren geleden door den apostel

geschreven juist aan de Christenen in datzelfde Rome.

Gezegende reis! 't Was de Heer zelf die hem er gebracht had. In Rome

was Luthers _hart_ hervormd. Nú kon hij, op Gods tijd, beginnen met de

hervorming van de _Kerk_.

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 9 / 27 题