In het klooster.
Werkelijk dacht Luther hier, binnen de kloostermuren, vrede te zullen
vinden voor zijn onrustig hart. Met vreugde was hij er ontvangen. De
monniken waren niet weinig vereerd, dat zoo'n beroemde doctor in de
wijsbegeerte de hoogeschool verlaten had om in hun klooster te komen
wonen. Maar hij moest zich niet verbeelden, dat hij meer was dan zij.
Ze deden hem dit maar dadelijk gevoelen en legden hem het laagste werk
op.
Klok luiden, kerk vegen, de cellen van de andere monniken
schoonhouden, deuren openen en sluiten, hout en water aandragen, vuur
aanleggen en zooal meer, werden nu Luthers dagelijksche bezigheden.
En was hij hiermee klaar, dan was het: »Met den zak door de stad!« en
moest hij barrevoets, in een grove monnikspij, met een zak op den rug
huis aan huis gaan bedelen. Zijn woonvertrek was een kleine cel, die
hij alleen verliet om al die karweitjes te doen of in de kerk de mis
bij te wonen. Bij het gaan moest hij de oogen naar den grond houden
en de handen over elkaar geslagen in de mouwen. En verder moest hij
weinig spreken, veel in zijn gebedenboek lezen en dagelijks biechten.
Dat hem zoodoende niet veel tijd tot studeeren overbleef, is te
begrijpen. Maar dat was minder, zeiden de monniken. Niet met
studeeren, maar met bedelen werd het klooster gediend. Voor den jongen
man, wiens grootste genot was om over zijn boeken te zitten, was _dit_
wel het ergste. Maar met hart en ziel onderwierp hij zich aan alles,
wat men hem oplegde, meenende dat hij daardoor aan God behagen en
Zijn gunst verdienen zou. Gelukkig voor hem kwam er na eenigen tijd
verandering. De hoogeschool bemoeide zich er mee; en door deze
tusschenkomst werd hij door den prior van die vernederende diensten
ontslagen.
Tot zijn groote blijdschap vond Luther ook hier een Bijbel, aan een
ketting vastgemaakt, voor het stelen. Want zoo'n Bijbel was toen ter
tijd verbazend duur. Zoo dikwijls hij kon, ging hij er in lezen. Heele
stukken er van leerde hij uit het hoofd. Met de hulp van een der
kloosterbroeders, met wien hij bijzonder bevriend was, ging hij aan
't leeren van Hebreeuwsch en Grieksch, om den Bijbel ook in de
oorspronkelijke talen te kunnen lezen.
't Was een wonder zooals dat Boek hem aantrok. Eten, drinken, slaap,
vermoeienis, alles vergat hij er voor, tot zijn gebedenboek toe. Dit
laatste kwelde hem het meest. Eens durfde hij in zeven weken haast
niet te slapen, omdat hij zoo dikwijls verzuimd had in zijn getijboek
te lezen, en hij dit verzuim wilde inhalen. Lichaam en geest martelde
hij af om voor zijn zonden te boeten en toch maar heilig te leven.
Midden in den nacht stond hij op, om biddende, op zijne bloote knieën,
over den grond van zijn cel te kruipen. Hij nam een touw met knoopen
er in en geeselde zich daarmee, om het kwaad, zoo mogelijk, er uit te
sláán. Eten deed hij weinig en uiterst sober. Een stuk brood en een
haring was doorgaans zijn heele maal. »Als het nog langer geduurd had,
zou ik mij zeker doodgemarteld hebben,« heeft hij later zelf van dien
tijd gezegd.
Eens had hij zich in zijn cel opgesloten en dagen lang niemand bij
zich willen laten. Toen het àl te lang duurde en er op het herhaald
kloppen geen antwoord meer kwam, begon men zich toch ongerust te
maken. Ze braken zijn deur open, en zie--daar lag broeder Martinus op
den kouden vloer, bewusteloos. Langen tijd trachtte men tevergeefs hem
tot bewustzijn te brengen. Eerst op het gezang van eenige koorknapen,
die geroepen waren, sloeg hij de oogen op en kwam hij weer bij.
Of het den jongen Luther ook ernst was om tot eer van God te leven en
heilig te worden! Maar zijn pogingen baatten hem niet. Den zoo vurig
begeerden vrede voor zijn hart kon hij ook in het klooster niet
vinden. Hij bleef gevoelen dat hij een zondaar was, en dat hij wel
zijn kleed, maar niet zijn hart kon veranderen. Dat hart rein maken
kon hij met al zijn boetedoeningen en zoogenaamde goede werken niet.
»Hoe langer wij ons wasschen, hoe onreiner wij worden,« klaagde hij.
[Illustratie: LUTHERS KLOOSTERCEL IN ERFURT.]
Bij een bezoek van den vicaris-generaal, dat is de overste van de
Orde, doctor Johann Von Staupitz, had deze al aanstonds opgemerkt,
dat die nieuwe broeder Martinus geen _luie_ monnik was, en den prior
verzocht hem gelegenheid tot studeeren te geven, en hem met zachtheid
te behandelen.
De vriendelijke man gevoelde zich bijzonder aangetrokken tot dien
jongen monnik met zijn droefgeestig, vermagerd gelaat en ingevallen
oogen, en had al spoedig zijn vertrouwen weten te winnen; en deze op
zijn beurt vereerde den ouderen vriend, die hem zooveel belangstelling
toonde, als een vader, en legde geheel zijn hart voor hem bloot.
Veel spraken ze samen over wat hem bezwaarde. »Zie op de wonden van
den Heere Jezus, en op het bloed, dat Hij voor u gestort heeft,«
onderrichtte hem zijn vriend; »hierin zal Gods _genade_ zich aan
u vertonen. Vertrouw alleen op _Zijn_ gerechtigheid. Niet door het
lichaam te pijnigen kunt ge van de zonde verlost worden, maar door u
te werpen in de armen van den Verlosser. Heb Hem lief, die u eerst
heeft liefgehad.«
De gesprekken van dezen vromen, verstandigen man waren Luther tot
grooten zegen. Hij leerde gelooven dat God in Christus een liefhebbend
Vader is, en niet uit vrees voor straf, maar uit dankbare wederliefde
gediend en gehoorzaamd wil zijn. Ook kreeg hij den wijzen raad,
voortaan al zijn godgeleerdheid uit den Bijbel te putten. En
toen Von Staupitz Erfurt weer ging verlaten, zag Luther tot zijn
onuitsprekelijke blijdschap zijn hartewensch vervuld, en kreeg hij
van zijn vriend een Bijbel ten geschenke.
In het tweede jaar van zijn verblijf in het klooster werd Luther
ernstig ziek; en in het gezicht van den dood kwam al zijn onrust
en vrees over zijn zonden met kracht weer boven. »Mijn zonden, mijn
zonden, mijn zonden!« klaagde hij. Maar door de trouwe zorg des Heeren
kwam er een oude, vriendelijke monnik bij hem. Deze zette zich naast
den zieke neer, hoorde zijn klachten aan, en ging toen heel eenvoudig
aan het praten over het woord uit de Geloofsartikelen, dat hemzelf
eens vertroost had: _Ik geloof de vergeving der zonden_. »Maar,« zei
hij er bij, »het is niet genoeg te gelooven, dat de zonden aan David
en aan Petrus vergeven zijn. 't Is Gods bevel, dat wij gelooven
zullen, dat ze ook aan _ons_ zijn vergeven.«
Dit eenvoudig woord werd Luther tot troost. O, hoe heerlijk klonk dit
bevel hem in de ooren! Dagelijks bad hij den Heer hem te helpen om het
te gehoorzamen; en in zijn Bijbel zocht hij alles op, wat zijn geloof
in de vergeving zijner zonden versterken kon.
De rust, die zijn ziel daardoor kreeg, werkte ook genezend op zijn
lichaam. Hij herstelde nu spoedig, en kort daarop was het Kerstfeest.
Luther had nog nooit zoo blij Kerstfeest gevierd.
Den 2den Mei 1507 werd Luther tot priester gewijd. Zijn vader was
uitgenoodigd om de plechtigheid bij te wonen. Hij nam het aan, maar
niet met zijn zin. Aan het feestmaal verklaarde hij rondweg, dat hij
liever thuis was gebleven. Hij kon er nog maar geen vrede mee hebben,
dat zijn knappe Maarten, aan wiens studie hij zooveel opgeofferd had,
vergeten binnen de kloostermuren zat, inplaats van in de wereld te
schitteren met zijn kunde als rechtsgeleerde. Hij had hem in al dien
tijd nog niet gezien, maar boos was hij toch niet meer. Als bewijs
daarvan gaf hij hem twintig gulden ten geschenke. Moeder Margaretha
was zelfs overgelukkig een zoon te hebben, die priester was.
Na zijn priesterwijding bleef Luther niet lang meer in het Erfurter
klooster. Frederik de Wijze, de keurvorst van Saksen, had kort tevoren
te Wittenberg een hoogeschool opgericht, en op aanraden van Von
Staupitz werd pater Martinus door den vorst tot hoogleeraar aan deze
universiteit benoemd.
Zoo kwam dat Luther in 1508 Erfurt verliet en in het Augustijner
klooster te Wittenberg ging wonen; want hoewel hoogleeraar bleef hij
toch monnik.
Luther was toen vijf en twintig jaar.