Luther als student.
Te Eisenach, zijn »lieve stad«, zooals hij haar is blijven noemen,
bleef Luther tot zijn achttiende jaar. Toen ging hij naar de
hoogeschool te Erfurt, destijds de beroemdste van heel Duitschland,
waar zijn vader, die intusschen in beteren doen was gekomen en hem
nu zelf onderhouden kon, hem verder wilde laten studeeren. Daar
maakte hij zulke snelle vorderingen, dat zijn leeraars zich er over
verbaasden. »Onze philosoof«, _wijsgeer_, noemden zijn medestudenten
hem. Hij was dan ook niet tevreden, zooals de meesten, met wat er in
de boeken stond maar werktuiglijk van buiten te leeren; hij wilde er
inkomen, de schrijvers begrijpen, zich hun wijsheid eigen maken. En
zoo bleef alles, wat hij las of hoorde, hem bij, alsof hij het zelf
gezien had.
Maar Maarten Luther had ook een groot verstand en een uitstekend
geheugen van den Heer gekregen. En daarbij gebruikte hij steeds het
beste middel om te slagen, het gebed. Elken dag begon hij met den Heer
om Zijn zegen te vragen over zijn werk, niet alleen met zijn mond,
maar ook met zijn hart. En zùlk bidden vindt altijd verhooring. »Goed
gebeden is meer dan half gestudeerd«, placht hij te zeggen. En hij kòn
het zeggen; want hij wist bij eigen ervaring dat het waar was. Na zijn
morgengebed ging hij naar de kerk. En dan aan den arbeid, zonder den
ganschen dag een oogenblik verloren te laten gaan.
't Was de wensch van Luthers vader, dat zijn zoon rechtsgeleerde zou
worden; en hijzelf wilde dit in 't eerst ook. Maar de Heer, die het
lot der menschen bestuurt, had anders besloten. Luther moest in Gods
hand het werktuig worden, om het groote werk der Kerkhervorming tot
stand te brengen. Maar daartoe moest hij eerst zelf hervormd worden.
Hoe dit geschiedde, zullen we verder hooren.
Bij die hoogeschool van Erfurt behoorde een bibliotheek of boekerij;
d.i. een vertrek, waarin zich een verzameling boeken bevindt. _Biblia_
is het Grieksche woord voor _boeken_.
Luther zat daar dikwijls te lezen. Hij vond het heerlijk, in al die
geleerde werken te snuffelen en met de verschillende schrijvers bekend
te worden. Maar eens vond hij tusschen die oude, bestoven boeken er
een, dat wel heel bijzonder zijn aandacht trok--een Latijnschen
Bijbel.
Luther had nog nooit een Bijbel gezien. Begeerig slaat hij hem open
en gaat er in bladeren, een en al verbazing er zooveel meer in te
vinden dan de Evangeliën en Brieven, waar in de kerk voor het volk uit
gelezen werd. Hij had altijd gedacht dat dit de hééle Bijbel was. Het
eerste, waar zijn aandacht zich bij bepaalt, is het gebed van Hanna,
de moeder van Samuel. O, wat vindt hij dat mooi! Wat boeit hem heel
die geschiedenis van Samuel en alles wat hij verder leest. Want hij
blijft maar doorlezen, bladzij na bladzij. 't Is alles nieuw voor hem.
O, wat is hij blij met zijn vondst! »Mocht God mij zùlk een Boek nog
eens in eigendom geven,« was zijn verzuchting onder het naar huis
gaan.
Elk oogenblik, dat hij van zijn studie kon uitsparen, ging Luther nu
naar de bibliotheek om nader met dat kostelijk Boek bekend te worden;
óvergelukkig, als iemand, die een verborgen schat heeft ontdekt. En
dat hàd hij ook. Want al had de jonge student nog geen flauw vermoeden
van de grootsche taak, waartoe God hem eenmaal roepen zou, en van den
ontzaglijken strijd, die hem daarbij wachtte, in dien Bijbel deed de
Heer hem hier, in die stille boekerij, het wapen vinden, waarmee hij
straks zou strijden èn overwinnen.
Kort daarop werd Luther ernstig ziek. Hij dacht niet anders dan te
zullen sterven; en deze gedachte joeg hem vrees aan; want hij had nog
geen vrede met God. Maar een oude priester, die hem op zijn kamer
bezocht, stelde hem gerust. »Houd maar moed, mijn jonge vriend!« zei
hij. »Ge zult aan deze ziekte niet sterven. Onze God zal van u nog een
man maken, die voor velen tot troost zal zijn.«
En die voorspelling is heerlijk vervuld. Maar vóór hij anderen bekend
kon maken met den eenigen troost in leven en sterven, moest hij dien
eerst zelf leeren kennen. En tot _die_ kennis was de vlijtige
student, bij al zijn geleerdheid, nog niet gekomen.
Op zijn een en twintigste jaar, in 1505, werd Luther met groote
plechtigheid tot doctor in de wijsbegeerte bevorderd. Dat werd een
groot feest. Een fakkeloptocht kwam hem hulde brengen. Heel de
hoogeschool verheugde zich in den roem van den jongen doctor; want
allen, professoren en studenten, hielden evenveel van hem.
Alleen Luther zelf was met zijn eigen niet tevreden. Ondanks al zijn
ijver en plichtsbetrachting begon hij meer en meer te gevoelen dat hij
een zondaar was. Hij wilde heilig zijn en hij kon niet, en leefde in
gedurige vrees, dat God hem daarvoor zou straffen. Want dat de heilige
God in Zijn Zoon een barmhartig Vader is, die uit genade, om niet, de
zonden vergeeft aan een ieder, die met oprecht berouw tot Hem komt,
wist Luther nog niet. Hij dacht dat hij zijn zaligheid verdienen
moest, en besloot alles te doen, wat hem daarin kon helpen. Vroeger
al was door het lezen van den Bijbel en de woorden van dien ouden
priester, toen hij zoo ziek was, de vraag bij hem opgekomen, of hij
niet beter zou doen, zijn loopbaan als rechtsgeleerde er aan te geven
en monnik te worden. Maar hij sprak er met niemand over, want hij wist
maar al te goed dat zijn vader niets ophad met monniken, die hij
gewoon dagdieven noemde, omdat de meesten zulk een lui leven leidden,
en dat hij dus nooit zijn toestemming zou geven.
En zoo bleef Luther voor de menschen de vroolijke, levenslustige
student, en liet hij niemand iets merken van de innerlijke onrust, die
hem kwelde. Tot er in den zomer van 1505 iets gebeurde, dat een heele
omkeering in zijn leven bracht.
Eerst het plotselinge sterven van een van zijn beste vrienden, (door
welke oorzaak is niet met zekerheid bekend).
Luther was daar diep door geschokt. Hij hield zooveel van zijn goeden
Alexius. En wat hij vooral zoo vreeselijk vond, was het plotselinge
van zijn dood. »O«, dacht hij, »als _ik_ nu eens zoo onverwacht
opgeroepen was om voor Gods Rechterstoel te verschijnen!« Zijn onrust
werd er nòg grooter door; en met een droevig en bezwaard hart ging hij
kort daarop naar Mansfeld om zijn ouders te bezoeken; want het was in
de vacantie.
Op zijn terugtocht, dicht bij Erfurt, werd hij door een hevig onweer
overvallen. Met groot geweld ratelde de donder boven zijn hoofd;
helle bliksemstralen, die zijn oogen verblindden, zetten hem in een
vuurgloed. 't Was Luther in die oogenblikken of de wereld zou vergaan.
Als de stem van een vertoornd God klonken hem die donderslagen in de
ooren. Eensklaps slaat er een bliksemstraal vlak vóór hem in den
grond. Een volgende kan hemzelf treffen en dooden! En dan komt het
oordeel! En dan?.... O, werd hij toch uit dit gevaar verlost! Dan
zou hij de wereld vaarwel zeggen en zijn verder leven geheel aan God
wijden. En in zijn doodsangst werpt hij zich op de knieën en schreeuwt
hij het uit: »Help me, lieve St. Anna! Ik zal monnik worden!«
Het onweer dreef langzaam over. Luther kwam behouden te Erfurt. Maar
wat er op den weg gebeurd was, vergat hij niet. Er was daar te Erfurt
een klooster, aan den heiligen Augustinus gewijd; en daar wilde hij
zijn verder leven gaan doorbrengen. Want al had hij later wel spijt
van zijn overhaaste gelofte, vooral wanneer hij aan zijn vader dacht,
verbreken wilde hij haar toch niet.
Hij hield zijn plan stil. Maar veertien dagen later verzocht hij zijn
vrienden voor 't laatst nog eens bij zich. Na een gezellig avondje,
waarbij hij nog eens voor hen had gespeeld en er door allen braaf
gezongen was, maakte hij hun zijn besluit bekend.
Ze stonden allen verbluft. Eerst hielden ze het voor een grap. Doch
toen ze zagen dat het ernst was, deden ze al het mogelijke om hem van
zijn voornemen af te brengen.
Maar Luther was niet te bepraten. Den volgenden morgen, 17 Augustus,
toen het nog donker was, verliet hij zijn kamer en ging hij naar het
klooster, heel alleen, met niets bij zich dan twee boeken, Virgilius
en Plautus, zijn lievelingsschrijvers; een Bijbel had hij nog niet.
Hij klopte aan de poort en verzocht den prior om toegelaten te worden,
wat deze natuurlijk gaarne toestond. Hij trad binnen; de zware deur
werd achter hem gesloten en--Maarten Luther werd Augustijner monnik.
Enkele vrienden waren dien morgen al vroeg naar zijn kamer gegaan,
in de hoop hem nog te kunnen overreden. Maar ze vonden er den vogel
gevlogen; en alles wat ze te weten kwamen was, dat doctor Martin dien
morgen vóór het aanbreken van den dag naar het Augustijner klooster
was gegaan.
De vrienden in allerijl er heen, om hem zoo mogelijk terug te halen.
Maar ze werden niet eens binnengelaten. Door een kiertje kregen ze te
hooren, dat de nieuwe broeder in geen maand iemand van de buitenwereld
mocht zien. Toen ze nog wat wilden vragen, ging de deur voor hun neus
dicht. Ze hoorden de zware grendels er vóór schuiven. En of ze er nog
een tijdlang met hun vuisten op bleven trommelen, alles bleef
daarbinnen stil als het graf.
Verslagen gingen ze heen, echt bedroefd dat die aardige, knappe
Martin, de glorie van de hoogeschool, zich in een klooster was gaan
begraven.
Maar nog veel bedroefder waren de ouders, bij het ontvangen van den
afscheidsbrief van hun zoon. Vooral de vader. De doodstijding van zijn
Maarten, zijn vreugd en zijn trots, had hem niet méér kunnen doen
ontstellen, niet dieper kunnen smarten dan dit bericht. Hij schreef
hem een boozen brief terug. Hans Luther wilde vooreerst niets meer van
zijn zoon weten.
Dat de Heer zelf hem in het klooster had gebracht, en dat hij juist
dáár zijn eerste vorming tot _hervormer_ moest ontvangen, wisten vader
Luther, en de vrienden, en de jonge monnik zelf nog niet.