De jonge zanger.
Wanneer we een goede vierhonderd jaren vroeger geleefd en in
Maagdenburg, een stad in Saksen, gewoond hadden, zouden we daar
zeker ook wel eens geluisterd hebben naar het zingen van een troepje
schooljongens, voor de deuren der huizen. En dat hadden we gerust
mogen doen. Want al zongen die jongens op straat, zoo waren het toch
geen zoutelooze straatliedjes, waar ze de menschen op onthaalden, maar
godsdienstige liederen, die een ieder hooren mocht.
Waarvoor ze dat deden, dat zingen langs de huizen? Ach, niet voor hun
plezier. Ze gingen daar te Maagdenburg op een beroemde monnikenschool,
want ze wilden geleerden worden. Maar hun ouders waren te arm om
buitenshuis voor hun onderhoud te zorgen. Dus waren ze genoodzaakt dit
zelf te doen, zoo goed en kwaad als het ging. En daarvoor diende dat
zingen. De menschen wisten dat wel; en zoo kregen ze hier een stuk
brood of ander eten, daar wat geld, en soms kregen ze niets; want niet
alle menschen waren even vriendelijk en gul.
Onder die arme scholieren was er één, een jongen van veertien jaar,
die door zijn lieve, zuivere stem, en het gevoel waarmee hij zong,
bijzonder de aandacht trok. Hij heette Maarten Luther en was in den
laten avond van den 10den November 1483 te Eisleben geboren. 't Was
den avond vóór St. Maarten; daarom werd hij den volgenden dag bij zijn
doop naar dien heilige _Martinus_ genoemd. Zijn vader, Hans Luther,
een boerenzoon uit het dorp Möhra, was een arme mijnwerker, die met
zijn vrouw, Margaretha Lindemann, hard sloven moest om den kost te
verdienen voor hun zeven kinderen, vier jongens en drie meisjes,
waarvan Maarten de oudste was.
De ouders van Maarten waren goede, vrome menschen, die hun kinderen
hartelijk liefhadden. Toen hun eersteling pas geboren was, nam zijn
vader hem in de armen, knielde met hem neer en bad God, of dit kind
eens wezen mocht, wat zijn naam beduidde: _louter_ of _rein_. Ook
later baden de ouders vaak bij Maartens bedje, dat de Heer het hart
van hun kind mocht neigen tot de vrees van Zijn naam. En de Heer heeft
deze gebeden verhoord. Hij hééft dit kind gelouterd; zelfs bóven
bidden en denken.
Bij al hun liefde en goedheid waren vader en moeder Luther uiterst
streng. Maarten, denkelijk niet altijd even gedwee, kreeg dikwijls
harde straf. Als vader sloeg, was het raak. En zelfs door zijn moeder,
in wier open armen hij doorgaans een schuilplaats vond, werd hij eens
om een simpele hazelnoot tot bloedens toe geslagen. »Maar ze meenden
het toch hartelijk goed,« prees hij hen later, met innige vereering.
Tot overmaat van ramp kreeg hij op zijn eerste school te Mansfeld,
waar het gezin kort na zijn geboorte was gaan wonen, ook nog een
harden meester, die altijd een roede bij zich had. Eens, zoo vertelt
Luther zelf, kreeg hij daarmee op één morgen vijftien maal slaag.
Door deze hardvochtige opvoeding thuis en op school, werd de kleine
Maarten vreesachtig. En daar hij zich den hoogen God even gestreng
voorstelde als zijn ouders en zijn meester, had hij vooral een groote
vrees voor God. Hij kon bleek worden van schrik als hij den naam van
den Heere Jezus hoorde noemen; want dan dacht hij aan een afbeelding
op een altaarstuk in de kerk, waar de Heer er veeleer uitzag als een
streng rechter, dan als de zachtmoedige, barmhartige Zaligmaker. Veel
liever keek hij naar de zoetelijke beeltenis van Maria, die van boven
het altaar zoo genadig op hem neerzag; of van de vriendelijke St.
Anna, de beschermheilige van den bergbouw, van wier gunst, zoo dacht
men, het geluk van heel Mansfeld afhing, en die daarom door al zijn
bewoners vóór alle andere heiligen werd aangeroepen en vereerd.
In weerwil van zijne sombere omgeving, groeide Maarten op tot een
vroolijken, levenslustigen jongen met een schranderen bol. Op de
school te Mansfeld had hij lezen, schrijven en rekenen geleerd,
ook de Geloofsartikelen en de Tien Geboden, en zelfs al een beetje
Latijn. En toen hij veertien jaar was, bracht zijn vader hem naar
die Franciskanerschool te Maagdenburg. Want Hans Luther, zelf een
verstandig man, die om zijn rechtschapenheid en gezond oordeel tot
lid van den Raad gekozen was en bij voorkeur den omgang zocht van
ontwikkelde menschen, wilde van zijn zoon geen mijnwerker maken.
Maarten moest een geleerde worden.
En Maarten wilde dat graag. Hij hield dol van leeren. Ook te
Maagdenburg deed hij zijn best. Maar een prettig leven had hij er
niet. Ook al harde meesters. En daarbij moest hij er, evenals zijn
arme makkers, in zijn vrije uren met zingen zijn kostje verdienen, en
dat ging dikwijls heel moeilijk.
Eens, op Kerstmis, liepen ze met elkaar de omliggende dorpen af en
zongen ze er huis aan huis hun Kerstliederen, vierstemmig. Zoo deden
ze ook voor een afgelegen boerenwoning aan het einde van een dorp.
»Hei, jongens! Waar zijn jullie!« klonk opeens een zware, norsche
stem. 't Was de boer, die hun wat te eten kwam brengen. Maar de
zangers waren er zoo door verschrikt, dat ze om 't hardst op den loop
gingen en eerst na lang roepen van den boer terug durfden komen. »We
hadden heelemaal geen reden om bang te zijn,« zei Luther, die het
later zelf verteld heeft. »Maar zoo zat, door de harde behandeling
van onze meesters, de vrees er bij ons in.«
Een jaar later, 1498, zonden zijn ouders hem naar Eisenach, waar
familie van zijn moeder woonde, en hij het dus allicht beter zou
hebben. Maar in die verwachtingen werden ze teleurgesteld. De familie
liet zich, om welke reden dan ook, weinig aan den knaap gelegen
liggen; en dus schoot hem niets anders over dan maar weer te gaan
zingen.
[Illustratie: MAARTEN LUTHER EN ZIJN MAKKERS ZINGEND AAN DE HUIZEN.]
Nu, zingen deed de jonge Luther graag. Maar op zoo'n manier was het,
zelfs voor een vroolijken jongen, toch eerder verdrietig dan
aangenaam. Hij werd er wel eens moedeloos onder, vooral wanneer hij,
inplaats van brood, harde woorden kreeg. »Ik zal het studeeren maar
moeten opgeven en mijnwerker worden, net als mijn vader,« dacht hij
dan, met oogen vol tranen.
Maar wat hem een oorzaak van droefheid scheen, werd door Gods genadige
leiding juist het middel tot zijn geluk.
Terwijl hij weer eens in zoo'n neerslachtige bui voor een deftige
woning stond, nadat hij al aan drie huizen was afgewezen, ging de deur
open en trad er een vriendelijke dame naar buiten. Het gevoelvolle
zingen van dien knaap had haar al dikwijls bekoord, ook in de kerk,
waar hij in het koor zong. 't Had haar ook al meer dan eens getroffen,
hoe innig eerbiedig en aandachtig hij daar altijd meebad; zoo heel
anders dan de meeste jongens van zijn leeftijd. En nu, bij het zien
van zijn treurig gezicht, had ze medelijden met hem. Inplaats van hem
zoo maar aan de deur iets te geven, nam ze den wel wat verlegen zanger
mee naar binnen, liet hem eens lekker eten, deed nog wat in zijn zak
en gaf hem verlof terug te komen zoo dikwijls hij wilde. Zij zou wel
zorgen, dat hij geen honger meer leed, beloofde ze.
Deze lieve dame was Ursula Cotta, de vrouw van Conrad Cotta, een van
de voornaamste burgers van de stad. Ze sprak over haar beschermeling
met haar man, die zelf ook schik in den aardigen jongen had. En het
einde was, dat Maarten Luther eenige dagen later als kind bij de
familie Cotta in huis kwam.
Nu behoefde hij niet langer voor zijn boterham te zingen. Maar daarom
liet hij het zingen niet! Hij leefde heelemaal op in die gezellige,
zonnige omgeving. Vroolijker dan ooit klonk er zijn lied. Mevrouw
Cotta, zelf ook een liefhebster van muziek, liet hem luit- en
fluitspelen leeren. En het was haar werkelijk een genot, ja haar
grootste belooning, als hij voor haar speelde en zong, wat hij o zoo
gaarne deed, als een klein bewijs van zijn groote dankbaarheid.
Onder die zooveel gunstiger omstandigheden ging het studeeren
vanzelf ook beter. In alle opzichten hadden mijnheer en mevrouw Cotta
voldoening van hun mooie daad. Hun pleegkind was vol ijver, maakte
prachtige vorderingen en betoonde zich zeer dankbaar jegens zijn
weldoeners, die hij dan ook nooit vergeten heeft. Later, toen hij
professor te Wittenberg was, heeft hij op zijn beurt hun zoon in zijn
woning opgenomen, toen deze te Wittenberg kwam studeeren. En het was
hem een groote vreugde, aan den zoon eenigszins te kunnen vergelden,
wat hij van de ouders genoten had.
Deze gelukkige lotsverandering legde in Luthers jonge ziel de eerste
kiempjes van dat vertrouwen op God, dat hem heel zijn verder leven zoo
krachtig is bijgebleven en zelfs door de zwaarste stormen niet aan het
wankelen kon worden gebracht.