II.

De voorloopers der Hervorming.

Hoe treurig het er in de Kerk ook uitzag, de Heer zorgde toch altijd,

dat er hier en daar nog menschen gevonden werden, die Hem in waarheid

dienden.

Zoo leefde er in het jaar 1160 te Lyon, een stad in Frankrijk, een rijk

koopman, Petrus Waldus genaamd. Terwijl deze man eens met zijn vrienden

aan een maaltijd zat, stierf plotseling een van de gasten. En dit maakte

op Waldus zulk een diepe indruk, dat het van dat oogenblik zijn ernstig

vragen werd: »Wat moet ik doen om zalig te worden?«

Gelukkig vond hij onder zijn boeken een Latijschen Bijbel, en met hulp

van eenige geleerden begon hij dien te lezen. In dien Bijbel vond Waldus

het antwoord op zijn vraag. Hij leerde er den Heere Jezus uit kennen als

zijn eenigen Verlosser en Zaligmaker. Zijn onrust verdween, en in plaats

daarvan kwam er vrede en groote blijdschap in zijn hart. »Ik wenschte

dat alle menschen zoo gelukkig werden als ik,« dacht hij, en hij sprak

er over, waar hij kon. Den Bijbel, die hem zijn geluk had aangebracht,

liet hij voor een groot deel in het Fransch vertalen en verscheidene

malen overschrijven, want de boekdrukkunst bestond toen nog niet. Dit

kostte hem wel een massa geld, maar Waldus was rijk; en nu hij een

hemelsche schat gevonden had, wilde hij zijn aarsche schatten gaarne

besteden om dien ook anderen te doen vinden.

Velen van zijn landgenooten luisterden naar hem. Ze werden volgelingen

van Waldus, en naar hem Waldenzen genoemd. Deze menschen wisten nu veel

meer van den Bijbel dan de priesters, en leidden zulk een vroom en

eenvoudig, matig en werkzaam leven, dat zelfs hun vijanden hen prijzen

moesten. Want vijanden kregen ze in overvloed. Omdat ze zich alleen aan

den Bijbel hielden en van geen paus, biecht, mis of vagevuur wilden

weten, werden ze dikwijls gruwelijk vervolgd. Maar ze bleven hun geloof

getrouw, zelfs onder de wreedste folteringen.

Waldus zag zich eindelijk genoodzaakt te vluchten. Hij ging naar

Bohemen. Zijn volgelingen zochten een schuilplaats tusschen de hooge

bergen, in de valleien van Piemont. Maar uitroeien konden hun haters

hen niet, want hun God waakte. En wáár die gevluchte Waldenzen kwamen,

strooiden ze, evenals de eerste Christenen, door hun woord en voorbeeld

goede zaadjes van geloof en waarheid, die nog eeuwen later heerlijke

vruchten zouden voortbrengen. De Waldenzen bestaan nòg.

Een ander man, die den Bijbel liefhad, was John Wicklef, professor aan

de hoogeschool van Oxford in Engeland. Deze geleerde, die voor zijn

landgenooten den Bijbel in het Engelsch vertaalde, vond ook noodig de

misbruiken in de Kerk te bestrijden. Vooral kwam hij op tegen het luie

leven van de bedelmonniken en de aanmatigingen van den paus.

Dat hij zich hierdoor den haat van de geestelijkheid op den hals

haalde, is te begrijpen. De paus deed hem in den ban. Maar de Heer

schonk hem machtige beschermers, zoodat hij nog voor velen ten zegen

kon zijn, totdat hij in 1384 in vrede in zijn eigen woning stierf.

Eerst dertig jaren na zijn dood konden zijn vijanden hun wraak aan hem

koelen door zijn werken en zijn opgegraven beenderen te verbranden.

Maar dit heeft hem weinig gedeerd.

De geschriften van Wicklef werden ook in andere landen gelezen. Zoo

ook in Bohemen, waar Johannes Hus hoogleeraar was aan de hoogeschool

te Praag. Deze geleerde en godvruchtige man was ook door Wicklefs

geschriften, en vooral door den Bijbel, tot inzicht gekomen van het

vele verkeerde in de Roomsche Kerkleer en schroomde niet, er openlijk

tegen te prediken, in het bijzonder tegen den aflaathandel. »Geen

aflaat maakt zalig,« leerde hij; »de mensch moet aflaten van de

zonde.«

Natuurlijk kreeg ook Hus daardoor veel vijanden. Hij werd naar

Constanz geroepen om zich te verantwoorden voor de Kerkvergadering,

waarvan in het vorig hoofdstuk is gesproken. Keizer Sigismund had hem

een vrijgeleide gegeven, dat is een schriftelijke belofte, dat hij

gedurende zijn heen- en terugreis voor zijn veiligheid zorgen zou.

Maar de keizer hield geen woord. Te Constanz gekomen werd Hus, op

last van den paus, gevangen genomen en geboeid in een vunzigen,

donkeren kerker geworpen. Sigismund vond dit eerst wel niet goed, maar

liet het ten slotte toch toe. »Een ketter behoeft men geen woord te

houden,« paaiden hem de priesters.

Eerst acht maanden later werd Hus opnieuw voor de Vergadering gebracht

om te herroepen, wat hij geleerd had. Hij verzocht, zich te mogen

verantwoorden. »Daarna kunt gij met mij doen, wat ge wilt,« zei hij.

Maar het werd hem niet toegestaan. Toen zag Hus den keizer aan en

zeide: »Ik heb mij vrijwillig voor het verhoor gesteld, op het woord

en de trouw van den hier aanwezigen keizer.« Sigismund kleurde. Maar

hij zei niets.

Hus werd nu van zijn priesterlijke waardigheid ontzet en kreeg

een hooge papieren muts op, met gele vlammen en zwarte duivels

beschilderd, en het opschrift: »Aartsketter«. Zoo werd hij naar den

brandstapel geleid.

Hus Het geduldig met zich doen. »Mijn Heere Jezus heeft voor mij een

doornenkroon gedragen,« zei hij, »dus wil ik, arme zondaar, om

Zijnentwil deze lichtere wel dragen.«

Een oud boertje, dat gehoord had, dat er een ketter verbrand zou

worden, en een goed werk meende te doen door er aan mee te helpen,

kwam ook met een takkebos aanzeulen. Hus zag het en glimlachte: »O,

heilige eenvoudigheid!«--Te midden van de vlammen hoorde men hem

bidden: »Heere Christus, Gij Lam Gods, erbarm U mijner!«--Zijn

asch werd in den Rijn gestrooid, opdat er niets van den ketter zou

overblijven.

[Illustratie: DE VEROORDEELING VAN HUS OP HET CONCILIE VAN CONSTANZ.]

Naar het verhaal luidt moet Hus--_gans_ beteekent die naam--ook gezegd

hebben: »Een gans kunt ge braden, maar een zwaan zal opvliegen.« Met

die beeldspraak zou hij dan voorspeld hebben, dat de zaak, waarvoor

hij stierf, toch eens, door een sterkere dan hij, overwinnen zou. En

dat is gebeurd. In Luther is, honderd jaar later, de _zwaan_ gekomen.

Men zegt dat er daarom op de Luthersche kerken een zwaan als

windwijzer staat.

Ook in ons vaderland verwekte de Heer mannen, die de gebreken van de

Kerk in het licht stelden en bestreden, en zoo een hervorming hielpen

voorbereiden. Onder dezen waren Thomas à Kempis, Wessel Gansfort en

Desiderius Erasmus van Rotterdam.

En dan gebeurde er door de trouwe zorg des Heeren nòg iets, dat voor

het hervormingswerk onmisbaar was--het uitvinden van de boekdrukkunst

in 1423. Vóór dien tijd moest ieder boek telkens nageschreven worden,

wat ontzettend lang duurde. Dus waren de boeken vanzelf schaarsch, en

vreeselijk duur, zoodat maar weinigen ze konden bekomen. Maar door die

prachtige uitvinding konden er in korten tijd, en voor betrekkelijk

weinig geld, zooveel boeken gedrukt worden als men maar wilde. En zoo

konden ook later de schriften der hervormers, en vooral de Bijbel, al

aanstonds in een menigte exemplaren verspreid en allerwegen bekend

worden, en kregen de menschen lust om te leeren lezen.

Zoo bereidde de Heer in Zijn wijsheid alles voor, om op Zijn tijd het

heerlijke werk der Kerkhervorming tot stand te brengen. Door de schuld

van de menschen was alles in de Kerk zoo droevig donker geworden; door

de genade van God zou er nieuw licht uit de duisternis opgaan. Want de

belofte van den Heiland: _De poorten der hel zullen Mijn Gemeente niet

overweldigen_, blijft eeuwig van kracht.

'Een vaste burg is onze God' de kerkhervorming herdacht op haar vierde eeuwfeest, 1517—31 October—1917 · 第 5 / 27 题