De Kerk. Hoe zij was en hoe zij werd.
Den 31sten October van dit jaar 1917 hoopt de Protestantsche
Christenheid feest te vieren.
Dat klinkt zoo op het eerste gehoor wel wat vreemd in dezen tijd, nu
het er overal in de wereld zoo ver van feestelijk uitziet.
Feestvieren? Hoe kan men er aan denken, bij zóóveel jammer en ellende,
zóóveel nooden en zorgen, door den rampzaligen oorlog, en dat nog wel
tusschen Christenvolken, over de wereld gebracht?
Zeker, wie zoo spreekt zou gelijk hebben, als het een feest betrof,
waarbij hoofdzakelijk gedacht werd aan pretmaken, met illuminatie en
vuurwerk, en allerlei volks- en kinderspelen. Maar het is een heel
ander feest, dat we vieren gaan. Meer zooals het oude volk van Israël
deed, waarvan we in onzen Bijbel lezen, wanneer het zich opmaakte om
te gedenken, wat groote en heerlijke dingen God onder hen had gedaan.
Dat waren dan _godsdienstige_ feesten, waaraan heel het volk deelnam.
Dan werd Gode eere toegebracht; dan werden er lofliederen gezongen,
dankzeggingen en gebeden opgezonden, en Gods daden bij het nageslacht
in herinnering gebracht.
En zóó wil de Protestantsche Christenheid dit jaar nu ook doen.
Ondanks al het ontzettende in het wereldgebeuren tòch feestelijk
herdenken, met dankbare harten, wat God vóór vierhonderd jaren tot
heil van Zijn Kerk gedaan heeft.
Want het is het _Vierde Eeuwfeest der Kerkhervorming_ dat we vieren
gaan!
Maar dan zal het toch goed zijn om vooraf iets van de Kerkhervorming
te weten. De meeste lezers zullen dit al wel. Maar ons geheugen weer
eens op te frisschen en er nog wat meer van te hooren, zal onze
feestviering zeker niet schaden. Want die Kerkhervorming is een werk
van God geweest, waardoor duizenden, ja millioenen gebracht zijn tot
het rechte kennen en dienen van den Heer, wat toch, voor ouderen en
jongeren, de eenige bron is van alle waar en eeuwig geluk.
In de volgende bladzijden ga ik daar nu wat van vertellen.
Er zijn in die vierhonderd jaren al heel wat boeken over geschreven;
zóóveel, dat je ze in geen jaren uitgelezen kreegt. Sommige zijn wel
vijf dikke deelen groot. Je begrijpt dus, dat _dit_ boekje maar een
heel, heel beknopt verhaal geeft van deze zoo hoogst merkwaardige
geschiedenis. Maar als je alles, wat er instaat, onthoudt, weet je er
toch al aardig wat van, en krijg je misschien wel lust om er later in
die grootere boeken meer van te lezen.
Wat beteekent eigenlijk _Kerkhervorming_?
Laat ons dit woord eens goed bekijken, maar dan van achteren af.
_Vormen_ of _vorming_ wil zeggen: aan iets een vorm, een gedaante
geven. _Ver_vormen zou dus beteekenen: iets een _anderen_ vorm geven,
dan het oorspronkelijk had. Zoo laten de menschen wel eens een hoed
vervormen. Vermaken noemen ze dat. En zoo'n vermaakte hoed ziet er dan
heel anders uit dan de onvermaakte.
Maar _her_vormen wil zeggen: iets, dat zijn oorspronkelijken vorm
verloren heeft, weer tot dien _vroegeren_ vorm _terug_brengen. Een
heel oud huis b.v., een paar eeuwen geleden gebouwd, kan in den loop
der tijden, door bijmetselen en zoo, een heel ander aanzien krijgen.
Niet zelden vinden menschen, die er verstand van hebben, dit dan erg
jammer en zeggen: Wat hebben ze dat mooie oude huis leelijk gemaakt.
We zullen afbreken wat er, volgens de bestaande teekeningen, niet
bijbehoort; den gevel weer opmetselen precies zooals die twee eeuwen
geleden er uitzag; er weer kleine ramen met heel kleine ruitjes
inzetten, enz. enz. Is het werk voltooid, dan heeft men zoo'n huis
_hervormd_, tot zijn oorspronkelijke gedaante teruggebracht. En wie
het zien zeggen: Dat huis heeft een heele _hervorming_ ondergaan.
Maar als je daaruit nu zou afleiden dat _Kerk_hervorming beteekent:
aan leelijkgemaakte kerken hun oorspronkelijke gedaante hergeven,
dan hadt je 't toch glad mis. Want als we zoo gewoon spreken van
kerk, ja, dan bedoelen we wel meestal het gebouw, waarin we onze
godsdienstoefeningen houden; zoo zeggen we: Ik ben Zondag in de
kerk geweest. Maar het woord kerk wordt ook nog in een anderen zin
gebruikt; en dan schrijven we 't met een hoofdletter--_Kerk_.
Wat er dàn onder verstaan wordt, wil ik ook even duidelijk maken.
In den Bijbel (Hand. 2) lezen we, hoe de Heere Jezus, na Zijn
Hemelvaart, op het Pinksterfeest den Heiligen Geest uitstortte over
Zijn saamvergaderde apostelen; hoe zij toen aanstonds begonnen, de
groote werken Gods te verkondigen, en hoe er op dien dag, op Petrus'
eerste prediking, omtrent drieduizend van die zijn woord gehoord
hadden in den Heer geloofden en dit openlijk beleden door zich te
laten doopen. Dagelijks voegden zich meerdere geloovigen bij hen. En
deze belijders van den Christus, later Christenen genaamd, vormden te
zamen de Gemeente of _Kerk_.
Zoo werd op dien Pinksterdag door den Heer zelf de Kerk _gevormd_ of
gesticht. En, lezen we Hand. 2, de Heer deed dagelijks tot de Gemeente
of de Kerk, die zalig werden. De Kerk breidde zich dagelijks uit.
O, hoe heerlijk en schoon vertoonde zich _toen_ die jeugdige Kerk van
Christus! Hoe kon het ook anders, wijl het immers Zijn eigen werk was?
Allen, die tot haar behoorden, hadden den Heer zoo hartelijk lief.
't Was hun grootste lust, het werk van hun verheerlijkten Meester op
aarde voort te zetten, Hem te dienen, van Hem te getuigen en velen tot
Hem te brengen, en in alles te leven naar het voorbeeld, dat Hijzelf
hun gegeven had.
Dus hadden ze ook elkànder lief. Ze hadden alles voor elkander over.
Ze waren één hart en één ziel, zegt de Bijbel van hen. »Ziet hoe lief
ze elkander hebben!« moesten zelfs hun vijanden getuigen. Zoo dienden
ze te zamen den Heer en elkander in eenvoud en nederigheid. Ze zochten
geen eigen eer en voordeel, maar de eer van hun Koning. En in tijden
van vervolging, die niet lang uitbleven, verheugden zij zich, dat ze
waardig geacht werden, voor den naam des Heeren smaadheid te lijden,
en gingen ze blijmoedig--zelfs den marteldood tegen.
Zóó was de Kerk, die de Heer zich gevormd had. Maar ach, de menschen
zijn dat schoone werk al spoedig leelijk gaan maken en hebben het ten
slotte geheel bedorven.
Zoolang de Christenen door de wereld veracht en verdrukt werden,
bleven ze dicht bij den Heer en zochten ze hun heil bij Hèm. Maar toen
het Christendom in aanzien kwam, en vooral nadat de Romeinsche keizer
Constantijn de Groote zelf Christen geworden was en de hoogste ambten
in den Staat bij voorkeur aan Christenen gaf, begon het verkeerd te
gaan. Nu er eer te behalen viel met Christen te zijn, lieten groote
scharen zich doopen, niet uit liefde tot den Heer en oprechte begeerte
om Zijn volgelingen te worden, maar om in de voorrechten te kunnen
deelen, die het Christen-zijn nu medebracht. Om _aardsche_ goederen
dus. En waar het om het _aardsche_ gaat, wordt het _hemelsche_
vergeten. Dit heeft men, helaas, in de Kerk des Heeren maar al te
duidelijk gezien. Velen prijkten nu met den beerlijken _naam_ van
Christen, zonder in waarheid een Christen, d.i. een volgeling van den
Heere Christus, te _zijn_.
Zoo verbasterde de Kerk, al klom haar ledental in den loop der eeuwen
tot millioenen belijders. Zoo kwamen hoogmoed en heerschzucht binnen
en gingen eenvoud en liefde heen. Zoo verleerde men het dienen en
wilde men liever heerschen.
Ook uitwendig was er een groot verschil tusschen den godsdienst van de
eerste Christenen en dien van latere tijden. Vroeger vergaderde men in
eenvoudige bedehuizen, 't waren ook wel eens holen en spelonken; later
verrezen er prachtige kerken. Vroeger waren het eenvoudige mannen, die
het opzicht over de Gemeente hadden, later was het een rijk-uitgedoste
priesterschaar, met, evenals in het _heidensche_ Rome, een
opperpriester aan 't hoofd. Deze kreeg den naam van Paus, d.i. Vader,
en beweerde de opvolger van den apostel Petrus en de plaatsbekleeder
van den Heer zelf te zijn, en daarom de macht te hebben de zonden te
vergeven. Hij gaf daar genadebrieven voor uit, _aflaten_, die men
verdienen kon met het doen van een of ander goed werk, of koopen voor
geld. Zelfs de dooden, die, zoo was de Kerk gaan leeren, in het
vagevuur, een vreeselijke louteringsplaats, voor hun zonden moesten
boeten, kon hij er mee verlossen. De pausen hadden hun zetel te Rome.
Ze matigden zich een onbeperkt gezag aan en eischten absolute
gehoorzaamheid. Velen van die Kerkvorsten leidden een zeer wereldsch
leven.
Evenals in de heidensche tempels gingen ook de Christenen beelden
oprichten in hun kerken; geen beelden van afgoden, maar van menschen,
die geleefd hadden en heiligen genoemd werden. Onder _heiligen_
rekende men diegenen, die in hun leven zóóveel goeds hadden gedaan,
dat ze er den Hemel mee verdiend hadden, die echter, zooals we uit den
Bijbel weten, door niemand te verdienen _is_. Maar de Kerk was dat
toen gaan leeren. Ze leerde zelfs dat sommigen van die heiligen
eigenlijk meer goede werken gedaan hadden dan noodig was. Dat
overtollige goed werd dan door de Kerk bijeenvergaard en kon door den
paus worden uitgedeeld aan menschen, die goede werken tekort kwamen.
Dat stond in zoo'n aflaat, dien men koopen kon voor veel of weinig
geld, al naar de grootte van de zonde, die men kwijtgescholden wilde
hebben. Ook ging men die gestorven heiligen zelve vereeren en
aanroepen om bescherming en voorbidding bij God. Vooral Maria werd
hoogelijk vereerd en groote macht haar toegekend; de Heilige Moeder
Gods, de Koningin des Hemels, en nog meer zulke namen gaf men haar.
Ook den offerdienst hadden de Christenen van het Heidendom
overgenomen; daarvoor diende de mis. En nog veel, veel meer van die
schandelijke misbruiken en goddeloosheden waren in den loop der tijden
de Kerk binnengedrongen.
Wat de Heere Jezus en na Hem de apostelen geleerd hadden, werd geheel
vergeten. Het Woord van God was aan de meeste Christenen onbekend. De
priesters, die het volk moesten leeren, wisten er zelf zoo goed als
niets van. En als de menschen 's Zondags in de kerk zaten, werden ze
niet zooals wij uit den Bijbel onderwezen, maar kregen ze allerlei
fabelen te hooren en legenden van zoogenaamde heiligen.
Die schromelijke onwetendheid was oorzaak, dat het onkruid àl
dieper wortel schoot en het verval àl grooter werd. Zóó groot, dat
de Kerk zelf de noodzakelijkheid begon te gevoelen van een algeheele
hervorming in hoofd en leden. In 1414 werd er dan ook een Algemeene
Kerkvergadering belegd--het Concilie van Constanz--van bijna
elfduizend kerkelijke en wereldlijke grooten, den paus en den keizer
incluis. Daar zou men de zaak met elkander bespreken. Maar omdat men
het Woord van God niet tot uitgangspunt nam en het dus op geen goeden
grondslag rustte, liep heel het Concilie op niets uit, ofschoon het
vier jaren duurde. Het verbranden van twee brave mannen, Johannes Hus
en Hiëronymus van Praag, die zelven ook hervorming predikten, was
zoowat alles, wat er uitgericht werd.
Met het Concilie van Bazel, dat twaalf jaar duurde, ging het niet veel
beter. Alles toonde duidelijk dat het kwaad door geen pausen en
keizers meer te keeren was.
Zóó jammerlijk was door den mensch het werk van den Heer des Hemels
bedorven! Zóó was de Kerk misvormd, die Gods eigen Zoon zich voor den
prijs van Zijn bloed had gesticht! Onkenbaar was ze geworden.
Zou ze nog ooit haar vroegere gedaante terug krijgen?