De vorigen zonder Jo.
TRUUS (angstig). ’k Gloof dat se bàng is geworden...
MARIETJE. Wil ’k ’r gaan opzoeke?...
KNIERTJE. Nee kind – Buiten bedaart ze van zelf – overspannen – de twee
laatste dage – Gaat u nou wèg, juffrouw?...
CLÉMENTINE. ’t Is laat geworden Knier – en je nicht – je nicht was wel
’n beetje onhebbelijk – nee, ’k neem ’t niet kwalijk. Wie brengt me na
huis?
SAART. As ’r dan één opstapt, – stappe we allemaal op – met mekaar waai
je niet weg – Dag Knier.
MARIETJE (bedrukt). Dag tante Knier...
KNIERTJE. Nog is wel bedankt, juffrouw voor de soep en de eiere...
TRUUS. Kom je morrege-avond bij mijn ’n kommetje drinke – toe, zeg maar
ja –
KNIERTJE. Nou misschien. Dag juffrouw. Dag Marietje. Dag Saart. As je
Jo ziet, stuur d’r direk, wil je? (Zij ruimt de koppen weg. De wind
huilt woest-gierend om het huis. Angstig luistert zij bij het raam,
schuift haar stoel dicht bij den schouw, staart in ’t vuur, begint
lippen-prevelend een rozenkrans te draaien).