ACHTSTE TOONEEL.

Jo. Kniertje.

JO (plompt op een stoel bij ’t raam, speldt zenuwbevend haar doekje

los).

KNIERTJE. Da’s goed dat je na bed gaat – je ben heelemaal mis. Was dat

’n uitval! – En dat goeie kind dat door weer en wind eiere en soep komt

brenge.

JO (ruw). Jouw zoons zijn wel in weer en wind uit voor haar en d’r

vader...

KNIERTJE. En voor òns...

JO. En voor òns... (een stilte) De zee is zoo wild...

KNIERTJE. Ben je weze kijke?...

JO (angstig). Ik kon niet tegen de wind op – de halve wering is

weggeslage... de pier staat onder (een stilte. Kniertje bidt)... O! O!

’k Ben kapot van die smerige verhale!

KNIERTJE. Ik herken jou niet van avond – Ben je ooit zoo geweest toen

Geert bij de marine voer? Ga na je bed – en bid – bidde is de éénige

troost – ’n zeemansvrouw mot niet zwak weze – Over ’n paar maande

stormt ’t weer, tellekes weer – en d’r zijn meer visschers op zee dan

onze jonges (haar praten gaat in zacht prevelen over – de ouwe vingers

betasten den rozenkrans).

JO. Barend hebbe we haast weggejaagd – tot ’t laatst heb ’k ’m

gesard... (ziende dat Kniertje bidt, loopt zij handenwringend naar het

raam, trekt het gordijn aarzelend op, staart door het glas. Dan,

voorzichtig opent zij een der vensterdeuren. De wind buldert het

gordijn omhoog – de lamp danst – ploft uit. Snel trekt zij het raam

dicht.)

KNIERTJE (driftig van angst). Da’s toch gekkewerk! Blijf met je poote

van ’t raam!...

JO (kermend). O! O! O!...

KNIERTJE (hevig-beangst). Hou je bèk! Zoek dan de lucifers! Haast je

dan wat! – Naast ’t zeepbakkie! (een stilte) Heb-ie ze?... (Jo steekt

huilend-angstig de lamp aan) ’k Ben gewoon koud geworde (tot Jo, die

snikkend bij ’t vuur hurkt)... Wat zit je nou?...

JO (drensend). ’k Ben bang...

KNIERTJE (angstig). Mot je niet weze...

JO. As ’r iets gebeurt – dan – dan – ...

KNIERTJE. Wees nou verstandig en klee je uit...

JO. Nee, ’k blijf hier de heele nacht.

KNIERTJE. ’k Vraag je – hoe ’t dan mot – as jullie getrouwd – as je

zellef moeder...

JO (hartstochtelijk). Je weet niet wat je zegt – je weet niet wat je

zegt, tante Knier! – As Geert (stokt hijgend) – ’k Heb ’t je niet durve

zegge...

KNIERTJE. Is ’t tusschen jou en Geert... – (Jo snikt hevig) Da’s niet

mooi van je – niet mooi om geheime te hebbe – jouw jongen – jouw màn,

is mijn zoon. (een stilte – de wind giert) Kijk niet zoo in ’t vuur –

huil niemeer. ’k Zal geen harde woorde zegge – al was ’t verkeerd – van

jou en van hem. – Kom, ga over me zitte – dan zulle we samen (legt haar

gebedenboek op tafel).

JO (wanhopig). Ik wil niet bidde...

KNIERTJE. ... Niet bidde?

JO (gejaagd). As ’r iets gebeurt...

KNIERTJE (heftig) ... ’r Gebeurt niks!

JO (woest) ... As ’r iets – iets – iets – dan bid ’k nooit meer, nooit

meer – dan is ’r geen God en geen moeder Maria – dan bestaat ’r niks,

niks...

KNIERTJE (angstig). Praat zoo niet...

JO. Wat heb je an ’n kind zonder man...

KNIERTJE. Mag jij dat zegge?

JO (met het hoofd op de tafel bonzend). ...Die wind maakt me gek,

tante!...

KNIERTJE (slaat het gebedenboek open, tikt Jo op den arm. Jo kijkt

hartstochtelijk-snikkend op, ziet het gebedenboek, schudt heftig neen,

valt weer met het hoofd, jammerend, op tafel. Angstig klinkt Kniertje’s

bevende stem) O barmhartige God, ik hoop met een vast vertrouwen... (De

wind joelt met wilde zwiepingen om het huis.)

Op Hoop van Zegen: Spel van de Zee in 4 Bedrijven · 第 50 / 76 题