Verbruggen, verkoopen.
Verbuizen, verdrinken, opmaken. Die broger verbuist al z'n schrappes.
Verdienen, stelen.
Verdiend, gestolen.
Vergokken, het gelach betalen. Kaplaars had het gedaan en Stille Jan
moest het vergokken (er voor boeten).
Verkienen, ook wel verkiejenen, verkoopen. We gaan foks (goud) bij
den snees verkienen. De gejatte schoren verkienen.
Verkleffer, verklikker.
Verklefster, verklikster (politie-spion).
Verklikker, winkelbel, ook telephoon.
Verknoeien of verknoezen, verraden. Hij is verknoesd (hij is verraden).
Verknoeier, verrader, (ook verknoezer).
Verknoeierij, verraad.
Verknijzen, verraden, bespieden.
Verkrummelen, wegstoppen.
Verkrummelen (zich), zich wegmaken, uitknijpen, zich verstoppen.
Verlinken, verraden, bedotten.
Verlinker, verrader.
Verlunzen, ook verlenzen, bespieden, beloeren, beluisteren, maar ook
verstaan. Ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).
Vermamsen, verraden.
Vermoffelen, wegstoppen.
Vernollen, sluiten. De deur is vernold.
Vernold, gesloten. Hoe is ie vernold, met een Hollandsche of een
Engelsche kien? Is de kattebak vernold? Een vernolde val. (Een
gesloten deur).
Verpatsen, verkoopen.
Verpieren, kwijt raken, van de hand doen.
Ook verliezen: Hij had zijn fokse veemsteker verpierd.
Heb je je bruine joekel al verpierd?
Versche waar, zie Varsche waar.
Verschieren, verkoopen, verklikken en verdienen. Mesomme verschieren
(geld verdienen). Weet je het te verschieren?
Verschud of verschut, betrapt, gevat. Als ik nu weer verschud kom
(gearresteerd word) kan ik rekenen op kimmel jantjes (3 jaren). Maar
enfin, verschud-verschud (ik moet het er op wagen). De jongen was
verschud geworden wegens een oksenaartje.
Verschudden of verschutten, het bed voor iemand verschudden (hem de
zaak bederven).
Verschudding of verschutting, stoornis. Ik heb heel wat verschuddings
gehad. Ik stond te werken op het oksenaartje van een vrijer; ik had
de swiebel los en toen kreeg ik een kleine verschutting.
Verkwartsen, vervloeken.
Versliegeraar, verrader, politiespion.
Versmiegelen, verklagen. Die vrijer ging ons bij den rus versmiegelen.
Versneezen, verkoopen bij een opkooper.
Versnoeien, versnoepen.
Versta j'em, begrip. Daar krijg je geen versta j'em van.
Viege, niets. Hij krijgt een viege.
Vigileeren, zich heen en weer bewegen op de straat of staan in een
deur, door een publieke vrouw, om mannen te lokken.
Vin, barst. Een vin in een ruit zetten (een barst erin maken).
Vink(je), portemonnaie.
Vinkendresseur, zakkenroller.
Vinkenpeezer, id. Ik moet niets hebben van dat vinkenpeezen; zeg
me liever een godin spiese, waar poen steunt (een goedgelegen huis,
waar geld is).
Violen, begaan. Mijn niese dee ook wel is wat dat niet in den haak was,
maar ik liet ze maar stil violen.
De Vlakte, de straat; buiten. De jongens van de vlakte. Een jongen
of een niese van de vlakte.
Vlammen, hij vlamt op dat niese. (Hij hoopt dat meisje te bezitten).
Vlerk, arm. Een lamme vlerk. Linker- en rechter vlerk.
Vliegerik, vogel.
Voeren, lokken, meetroonen. Koo, de kippenboer wist dat joven ponempie
mee naar de val te voeren.
Een der kwartjesvinders voert den vrijer naar een neuriespiese waar
de anderen hem opwachten.
Voetenlicht, opening onder of bezijden een gordijn, waardoor men in
huis kan zien. Ik knijsde door het voetenlicht, een gooser werd zijn
platvink gelicht.
Vol, diefstal. Die vol kan ik van avond niet opknappen.
Vonk, licht, lamp, kaars. Kun je in die val (dat huis) met de vonk
werken? (is het vertrouwd er licht te ontsteken?) Er brandde nog
vonk. De vonk pleite maken.
Vonkert, kachel.
Vonkie, lucifer, vlammetje, zaklantaarntje. Geef reis een vonkie.
Voorwiel, gulden.
Vreempie, vreemdeling.
Vrouwedod, laffe vent.
Vrijer, man. Iemand die uitgekozen is om slachtoffer te worden van
kwartjesvinders. Ik heb dien vrijer aangeschoten (aangekwatst).
Vrijzetter, iemand een vrijzetter geven.
Vuile week, dat niese heb de vuile week (maandelijksche stonden).