V.

Val, gelegenheid, huis, deur, ook wel bedekt bordeel of

rendez-vous. Leen me dat pompertje voor die val. Is dat jou

valletje? (woning). De val is nobel. (De gelegenheid is schoon. Er

is geen onraad). Heb je de tandel (sleutel) van de val bekaan (bij

je). Op de val steunen of drukken (op logement leven).

Varsche waar, afval van geslacht vee, pens, longen, enz. Luuk is in

de varsche-waar beweging; die jat niet meer.

Vatling, gereedschap.

Vau, 6.

Vazelen, valsch spelen. Pas op, Bok, dat je niet vazelt, want dan

knok ik je lampies dicht.--Je knokt niks. (Je zult het wel laten).

Veeberen, schrijven. Ik zal een kassavie aan mijn gabber

veeberen. Iemand veeberen op een agere (andere) schim (naam).

Veemen, vingers (zie Feemen).

Veemsteker, vingerring.

Veiling, in de veiling zetten. (In de maling nemen).

Vel, jas. Hou me vel even vast, we gaan looien (kloppen). Dat is een

joven (uitstekend) vel.

Velletje, jas. Uit vrees dat zijn velletje in brand zou raken, etc.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 28 / 32 题