Val, gelegenheid, huis, deur, ook wel bedekt bordeel of
rendez-vous. Leen me dat pompertje voor die val. Is dat jou
valletje? (woning). De val is nobel. (De gelegenheid is schoon. Er
is geen onraad). Heb je de tandel (sleutel) van de val bekaan (bij
je). Op de val steunen of drukken (op logement leven).
Varsche waar, afval van geslacht vee, pens, longen, enz. Luuk is in
de varsche-waar beweging; die jat niet meer.
Vatling, gereedschap.
Vau, 6.
Vazelen, valsch spelen. Pas op, Bok, dat je niet vazelt, want dan
knok ik je lampies dicht.--Je knokt niks. (Je zult het wel laten).
Veeberen, schrijven. Ik zal een kassavie aan mijn gabber
veeberen. Iemand veeberen op een agere (andere) schim (naam).
Veemen, vingers (zie Feemen).
Veemsteker, vingerring.
Veiling, in de veiling zetten. (In de maling nemen).
Vel, jas. Hou me vel even vast, we gaan looien (kloppen). Dat is een
joven (uitstekend) vel.
Velletje, jas. Uit vrees dat zijn velletje in brand zou raken, etc.