W.

Waffel, mond. Hou je waffel dicht.

Wagensmeer, boter. Geef me een broodje met wagensmeer.

Wandelstok, groot breekijzer. Is de wandelstok pekaan? (Heb je het

breekijzer bij je?)

Watjekow, klap.

Wees, ook Weets, stille agent. Jongens daar komt een wees aan.

Werkelooze, groote borrel voor 5 spie. Een heitje betalen voor maffen

is zonde; je hebt er 5 werkeloozen voor.

Werken met 2 vingers, zakkenrollen.

Wieberig, uit de voeten, weg. Tippel maar gauw wieberig. Maak je

wieberig. Breng mijn oksenaar maar wieberig. Maak het maar gauw

wieberig.

Wiedes, begrijpelijk. Dat was nogal wiedes (dat spreekt).

Wiepsjer, bedrieger; kaartspeler, die de kaarten zoo weet te schudden,

dat hij altijd een mooi spel heeft.

Winde, plaats waar iets te verdienen is.

Windfang of Windvank, overjas, demi, mantel.

Wip of wipper, raam. Blijf jij staan knijtsen, dan zal ik zien de

wip open te krijgen.

Wippen, bemachtigen. Hij wipte een vinkie.

Wissiewassie, kleinigheid.

Witje, dubbeltje.

Wolletje, deken.

Wolber of Wolver, goedkoop. Dat heb je wolver gekiend.

Woof, 6.

't Woud, ga je mee neuzen in 't Woud (in 't Vondelpark).

Wijzik, ziekte. Krijg alle judische wijzik (verwensching).

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 30 / 32 题