U.

Ui, een slecht gemaakte stoot op 't biljart (zie Stinker). In 't

algemeen een misslag.

Uitpeezen, uitvijlen. De kienen uitpeezen. Hollanders gaan

gemakkelijk. (Zie Kienen).

Uitvisschen, uithooren.

Universiteiten, gevangenissen.

Uppie, 1/2 cent. (Zie luffie en loefie).

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 27 / 32 题