Tabee, gegroet. Tabee, broer. (Goedendag, vrind).
Tafeltimtim, tafelzilver.
Talhoutjes, breekijzers.
Tamp, brood. Is er nog tamp?
Tampil, slag.
Tapijtje, jas.
Tandels, sleutels. Ze schokten mekaar de tandels over.
Teefie, meid. Een mooi teefie.
Teller, bord.
Temeie, meid uit een verdachte omgeving. Hij heeft dat temeie beis
(2) hondjes (dubbeltjes) geschokt (gegeven). Zijn temeie had een paar
trederikken (pantoffels) voor dat poen (geld) gekocht.
Temeierlikker. Zie Minette.
Temeierspiese, bordeel.
Tennef, slechte koopwaar.
Tes, 9.
Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk. Ik had hem wel eens willen
zien rollen met z'n test tegen de daaien (keien).
Tiejijs, huis; ook brandkast, en verder elk ding waarvan de naam niet
dadelijk te binnen schiet (dinges).
Een zeere tiejijs (zieke geslachtsdeelen).
Voor de deur van z'n tiejijs zat de bollebof een praatje te houden.
Daar steunt geen tiejijs (brandkast). De tiejijs steunt dicht bij de
wipper (het raam).
Wat heb die gooser een haaie slang op zen tiejijs hangen (op zijn
vest in dit geval).
Tiejijspeezer, brandkastforceerder.
Tift, thee (drank).
Tik, horloge. Tik met bengel (horloge met ketting of wel met
signetten).
Tikken, op den kop tikken (bemachtigen).
Tikkertje, horloge.
Til, verzamelplaats van kwartjesvinders, dieven en dergelijken.
Timmer, slaag. Op de bazaar (politiebureau) kreeg hij timmer.
Ook: zaken. Heb je een goeie timmer gemaakt? (een goeden slag
geslagen?)
Timtim, zilver. Tafeltimtim (tafelzilver).
Ting, schel.
Tingeling, gewone winkelschel.
Tinnef, slechte kost.
Tip, man. Een sikkere tip, (een dronken man).
Tippel, uit de voeten.
Tippelaar, straatdief. Een tippelaar op klompen (iemand zonder lef).
Tippelen, loopen, op roof uitgaan; ook: op de baan loopen, gezegd
van meiden. Ik tippel op een zwijn. (Ik ben bezig om een fiets te
stelen). Op een ezel (winkellade of kantoorlessenaar) tippelen. Op
de schippers tippelen.
Tippelsjikse, rondzwervende vrouw.
Tjakmoos (Gakmoos), verbasterd van jatmoos (handgeld, eerste
ontvangst).
Tjoekel, hond. Zie Joekel.
Toeren, rondgaan, bijv. met den voddenzak.
Toet, mond. Kom er uit, dan kan je je toet onder de kraan houen;
water aan je nest brengen, dat doe ik vast niet.
Toetje, mond. Ik gaf haar een kedeevid voor haar toetje.
Tof, goed, degelijk; ook kalm en eerlijk. Het was een toffe gooser (een
flinke kerel), eigenlijk kachel zag je hem nooit. Hou je maar tof. Hij
speelt tof. Dat je een tof niese hebt wil ik graag gelooven. Tof poen
(goed geld). Toffe brogers (nette heeren). Een tof niese (een mooie
meid). Tof gajes (goed volk). Louw tof (niet goed). We hebben een
tof meelukje gehad.
Tofes, gevangenis.
Toges of Tokes, achterste, gat.
Toppie, pet, ook wel hoed. Als dat ezeltje springt, schaf ik mij
dadelijk een velletje en een toppie aan. Me olmse wierp ze toppie in
een hoek. Alle tippelaars dragen toppies van 2 pieken, mooie gassies
maar jouker.
Tor, vrouw van slechte zeden.
Trammelan, lawaai. Ik zal maar geen trammelan maken.
Tredekers of Trederikken, schoenen of pantoffels. Daar hangen een
paar trederiks of trederikken.
Trederiks-bajes, schoenwinkel.
Tredikers, schoenen.
Tredikerspiese, schoenenwinkel.
Treiter, een brood. Een krentetreiter (een krentebrood). Hij kreeg
3 maanden voor een treitertje.
Een bakker bekeuren of op zijn kop tikken voor een paar treiters.
Treiter-chocolade, water en melk dat in de gevangenis bij het brood
wordt gegeven (sleur).
Treitertippelaar, brooddief.
Treive, slecht, onrein.
Tremmen, op de baan loopen; de hoer spelen. Voor zoo'n kerel moet je
nog tremmen.
Treter, schoen of pantoffel.
Treters, schoenen.
Tring, bel, schel. De tring overgooien.
Tronie, gezicht. Zet een ander tronie.
Troost, koffie. Een kommetje troost.
Truk (truc), streek. Linke trukken (listige streken).
Trutten, twee drieën werpen bij 't dobbelen (zie Drutten).
Tuimel, tuimelraam boven een winkeldeur.
Ik ga de tuimel openmaken en haal de schoren (goederen) eruit. Je
klimt nooit een tuimel binnen of de tandel moet aan den binnenkant
op de val zitten.
Tuffel (of tiffel), kerk.
Turftrekker, zakkenroller.
Turksche tafelschel, hoer.