Snurkers, zij die op een kansje tippelen.
Snij, zakdoek.
Soemkoef, politie.
Soentje, verraderlijke steek of por.
Soeteneur, bijspringer.
Sohof, goud.
Sokken, hard loopen. De sokken zetten. (Hard loopen).
Sokon, baard.
Solletje, hoed.
Soof, (zie sjoof). Ik heb je Zaterdag nog beis soof (2 gld.) geschokt.
Sooger, jongen uit een dievenhuis.
Sooges, heete (gekookte) boontjes.
Sossem, paard.
Sossem Prinserij, bereden politie.
Spaander, cent.
Spak, cent.
Span, uitkijk.
Spannen, kijken, zien. Span reis. Ik zal spannen of er onraad is. Span
immes (kijk goed). Span je het?
Spanling, oog.
Spankeren, hard wegloopen, vluchten. Hij spankert de deur uit.
Sparber, parapluie. (Zie Sperwer).
Spat, de spat zetten (aan de haal gaan).
Spatje, slokje. Me vader houdt veel van een spatje.
Specie, geld, maar ook drank. Gewonnen specie. Een flesch specie.
Speeldoos, brandkast.
Speentjes, knipjes, beursjes.
Spekkerd, spekslager.
Sperwer, parapluie. (Zie Sparber).
Spie, cent. Vijf spie. Geen spie breng je thuis. Pak op de spiezen.
Spienoze, roof, diefstal. Hij gaat uit op de spienoze. (Zie Pernooze).
Spiese, huis. Neuriespiese (drankwinkel). De donkere spiese ('t
cachot). Luimspiese (logement).
Spiesertje maken, uitgaan op een val.
Spinnekop, dasspeld.
Splint, geld.
Spoormeeluk, zijzakje van de jas, waarin het spoorkaartje gestoken
wordt.
Spoortiejijs, id., id.
Springen, losspringen, opengaan. Is het ezeltje gesprongen? (Is de
lade losgegaan?)
Spuit, geweer, ook wel parapluie.
Spulle, kleeren. (Zie Bulle).
Stand, hoop menschen bijeen, oploop. Een stand maken (een hoop
menschen om zich verzamelen, 't zij om een artikel te verkoopen,
of om zakkenrollers gelegenheid te verschaffen).
Standel, sleutel. Zie Tandel.
Standwerker, iemand die aangenomen is om een menigte bijeen te brengen.
Stapelaars, Zie Hoogstapelaar.
Steunen, zijn, vertoeven, zitten, blijven staan; ook logeeren. Daar
steunt een brandtiejijs (brandkast). Ik moet weten of er poen (geld)
steunt. Ik steun (logeer) op een luimspiese. Steunt de kien in 't
slot? (Zit de sleutel in 't slot?) Laat de deur open steunen.
Stiek, stand. Een van ons stiek (een van onzen stand, van ons soort
volk).
Stiekem, stilletjes, arglistig, in 't geheim. Een stiekemerd.
Stiekemerd, iemand die in 't geheim kwaad doet.
Stieken of stiekjen, geven, reiken. Als je ziet, dat je verschud
(gesnapt) wordt, dan stiek je 't zoo over aan een gabber
(kameraad). Stiek dien gooser nou z'n poen. Stiek me de kienen.
Zijn olmse (vader of moeder) stiekt hem nou en dan een paar knaken.
Stik, zie Stuk.
Stille, geheime politieagent.
Stille kit, zie Platte kit.
Stil maken, dooden.
Stinker, slechte bal, misstoot (op 't biljart). Zie Ui.
Stinkniese, vuile meid; hoer.
Stoot, ze hebben een mooien stoot gehad (een goeden slag
geslagen). 17000 gld. was mijn laatste stoot. Een mooi stootje zou
ik zeggen.
Streep, die trekt een streep. (Die bedriegt ons).
Streeptrekker, bedrieger.
Strontschragen, beenen.
Strootje, sigaar. Stiek me een strootje. (Geef me een sigaar).
Strop, tegenvaller, mislukking. Als je daar op loert, dan krijg je
een strop. Ik had een strop. ('t Pakte verkeerd uit).
Struinen, stroopen. Ga je mee op de struin?
Stuk (stik), boterham.
Stukken zakkie, broodzakje.
Stukkiesdraaien, spijbelen, platloopen, peuen.
Swel, fat, kwast. (Zie Zwel).
Swellen, verwaand worden. (Zie Zwellen).
Swiebel, ketting.
Swiepen, slingeren. Je haalt het poen er uit en swiept het pijtje in
de majem (te water).
Swiepert, iemand, die er zijn werk van maakt, menschen tegen den
grond te werpen, om ze te berooven.
Sijbebelajum, beste kamer, no. 100.