Sabberaar, koevoet.
Sabberen, inbreken.
Sabbervelletje, slabbetje, front.
Safiaantje, sigaar. Safiaantjes van de dold (van de 4).
Safianenkoker, sigarenkoker.
Salans, vuur; ook heet. Geef me een beetje salans. Wat is dat niese
salans.
Samenetje, cigaret.
Sammech, 60.
Sappelen, talmen.
Sapperen, werken. Daar moet een mensch hard voor sapperen.
Saribel, kerel.
Saroespeelster, heelster.
Saskenen, loopen.
Sassem, suiker.
Sassie, cigaret.
Sauzen, regenen.
Sawor, hals.
Schacheren, handelen.
Schaf je, zie Schof je.
Schafthuis, huis, waar de jongens eten en hun wasch laten doen.
Schaken, snappen, pakken, arresteeren. Heintje en Pastoortje (2
bekende Amsterdamsche rechercheurs) hebben weer een jongen geschaakt.
Scharre, slet.
Scheffen, zitten; ook gevangenzitten.
Daar scheft noppes. (Daar zit niets).
Een oude scheffer of schefter (iemand, die veel gevangen gezeten
heeft).
Scheg, neus. Ottenoj, wat een scheg. (Kijk! wat een neus).
Scheppen, bij het vechten de tegenpartij met den nek opvangen en over
't hoofd werpen.
Schermen, scherm met een loen jatje. (Houd je mal).
Scherp staan, besloten zijn tot het uiterste. Ik sta zoo scherp
mogelijk. (Ik ben tot alles in staat).
Schiebaart (sjiebaart), masker, mombakkes. Ook: geschonden gelaat.
Ik kan van avond niet tremmen (op de baan loopen) met zoo'n schiebaart
voor (met zoo'n stukgeslagen gezicht).
Schieten, zien, begrijpen.
Schim, gezicht, bewijs; ook wel naam. Er staat geen schim in het
oksenaartje. Ze hebben stellig zijn schim wel gezien. Een agere
schim. (Een andere, valsche, naam). Ik zal je veeberen (schrijven)
op een agere (andere) schim (onder een anderen naam). Maak de schim
asjewijne (verdonkeremaan de bewijzen).
Schimmen trekken, photographeeren.
Schimmetje, bagatel. Ik heb er maar een schimmetje voor gehad.
Schlemiel, lummel, ongeluksvogel.
Schoenen, hij heeft mij alles in de schoenen gegooid (alle schuld op
mij geworpen).
Schof je, zie er af, doe het niet. Soms ook: hou je stil, of verroer
je niet.
Schok, goedgeluk. Uitgaan op de schok (op avontuur). Op de schok
gaan (uit bedelen of op avontuur uitgaan). Op de schok tippelen. (Des
avonds op woningen loopen waarvan de bewoners uit zijn; of op kermissen
reizen om een slag te slaan).
Schokken, betalen; ook geven. Schok je een potje bier? Schok dien
vrijer een paar spieën. Wat schok je voor dat pijtje? Hij schokt geen
morig. (Hij is niet bang).
De bollebof uit het neuriespiese kreeg noppes van hem geschokt. (De
kastelein uit de kroeg kreeg geen cent van hem betaald).
Schol, 2 1/2 ct. stuk.
Schorem, arm; ook slecht en leugen. Je hebt schorem gehandeld. 't Is
allemaal schorem wat je daar vertelt.
Schorem en al, rommelzoo.
Schooren, goederen, in tegenstelling met geld. Daar is geen poen
(geld) te vinden, willen we 't schooren maar meenemen? Gejatte
schooren. (Gestolen goederen). Een kist (baal) schooren. Goeie
schooren. Op de schooren tippelen. (Uitgaan op diefstal van
onbeheerdstaande goederen).
Schoot of schotel, onderdeel van een slot. De deur zit op de
nachtschoot.
Schot, hij had het in 't schot (in de gaten).
Schrabber, cent. Piet wou er geen schrabber (geen cent) bijgeven.
Schrabbes (ook Schrappes), geld.
Schrapper, zie Schrabber.
Schragen, beenen. Kromme schragen. Zoodra er verschutting viel
(onraad kwam) heeft hij de schragen genomen.
Schrandere, verbastering van grandige. Deis je voor den schrandere
(politie).
Schranderig, schraal. Hij zit er schranderig bij.
Schranzen, smullen.
Schriebes, honger. Kijk dat stomme dier een schriebes hebben.
Schrooi (ook wel Schroei), trek, eetlust, honger. Ik heb niet veel
schrooi.
Schrooien, hard werken, ploeteren.
Schrijfspiese, kantoor.
Schubbetje, dubbeltje.
Schuifster, hysterische vrouw.
Schuiven, loopen. Laat die maar schuiven.
Schuiver. Een schuiver nemen (hard wegloopen).
Schunnerd, zwerver, schooier.
Schuurtje, 't hok, 't politiebureau, cel. De prinserij wou hem naar
't schuurtje brengen. Als hij mij niet had, zegt Bet, had hij al lang
in 't schuurtje gesteund.
Schijthuis, hoer.
Secreet, hoer.
Seeweren, stelen. (Zie Zeeferen).
Segem, schouder.
Seibel, bedrog, zwendel, slechte waar. Laat je geen seibel in je
jatten stoppen.
Seigel, verstand. Ik heb daar geen seigel van.
Sein, afgesproken teeken.
Seinen, informeeren. Hij durft niet te seinen en niet te dekken,
hij schokt morig. (Hij durft niet te informeeren of op den uitkijk
te staan, hij is bang).
Sereife, brand. Sereife maken (brand stichten). Ik zit in de
sereife. Waar is de sereife?
Seribel of Sereibel, ongeluk, misère. Door eigen stommigheid zouden
ze je in de seribel helpen.
Serrore, persoon, heer. Een olmse serrore (een oud heer).
Siene, agent van politie.
Sikker (sjikker), dronken, duizelig. De gokkers zijn knap sjikker. 's
Morgens als ik opsta ben ik eerst wat sikker.
Simpen, schreien.
Sirool, man, kerel. Een rare sirool. Een dronken sirool, die niet
weet of het ochtend of avond is.
Sjaak of Sjaakies, kalm. Houd je sjaakies (houd je kalm, doe of je
nergens van weet).
Sjaans, kansje (chance). Ik ging uit om een sjaans (avontuurtje)
bij een niese. Dat is een mooi sjaansje voor je.
Sjachelen, soort dobbelspel.
Sjad, sjad mie louw of sjakt me louw ('t kan mij niet schelen,
schad't mir lau).
Sjanken, trouwen.
Sjappie-hendele-mendele, Hutspot.
Sjaskelbajes, kroeg, herberg.
Sjaskelen, drinken.
Sjed, duivel, vijand, politie.
Sjeezen, hard loopen, wegvluchten.
Sjeg. Zie Scheg.
Sjeks, man.
Sjein, lekker, ook schoon. Sjein in de kloften (knap in de kleeren).
Sjerfen (sjerpen), helen, opkoopen.
Sjerfer, heler.
Sjiebaart, masker.
Sjief (Schiff), schip.
Sjien, politieagent.
Sjikse, een christenmeid. Een nobele sjikse.
Sjikker, dronken. (Zie Sikker).
Sjim, zie Schim, naam.
Sjoeche, begrip; ook verdenking, vermoeden.
Sjoechem, antwoord, bescheid. Ik kreeg geen sjoechem.
Sjoefe, eed. Loensche sjoefe (meineed).
Sjoege, gek.
Sjoele, kerk.
Sjoes (verkort voor Schuster), schoenmaker.
Sjofel, armzalig. Een slechte kerel. Sjofel werk (werk, waaraan weinig
te verdienen is).
Sjofelaar, armoedzaaier.
Sjoof, gulden (zie Soof); ook schaap.
Sjooges, erwten. Een H.L. sjooges.
Sjoome, vet.
Sjoucher, koopman.
Sjouter, politieagent.
Slaan, stelen. Geslagen schooren. (Gestolen goederen).
Slagen, winst, buit. Hij heeft mooie slagen gemaakt.
Slag slaan, gebruik maken van de gelegenheid om iets te doen,
b.v. stelen.
Slak, horloge (ook tik, tikkie en oksenaar).
Slamassel, ongeluk.
Slampamper, drinkebroer.
Slang, horlogeketting. Fokse slang (gouden ketting). Loensche slang
(namaak).
Slemassel, ongeluk.
Slemp, koffie.
Sleur, water en melk (in de gevangenis).
Sleur (slurf), nauwe gang.
Slobber, koffie. Een bak slobber. Den man komt een spatje toe,
de vrouw een bak slobber.
Ook: slons, slordige vrouw. Hoe jammer dat ie aan die slobber
verzeild is.
Sloeber, vuilpoes.
Sloeper, pantoffel.
Slof(je), halve stuiver. Ook: een krentenbroodje.
Sloom, langzaam.
Sloome, suffer. Een sloome Hannes.
Sloome duikelaar, iemand die door zijn luiheid ten onder gegaan
is. Iemand die geen lef heeft.
Sloopen, het lood wegstelen van leegstaande gebouwen.
Slooper, looddief.
Smakken, gooien. Smak hem munt. (Gooi hem tegen den grond).
Smeer, klap.
Smeerkanes, vuilik (eig. vuilkop). Zie kanes (hoofd).
Smeichler (Schmeichler), vleier, mooiprater.
Smeren, hard wegloopen. Smeer 'em met den looppas.
Smeris, politieagent. Op smeris staan. (Op uitkijk staan).
Smerrie of Smurrie, tabak.
Smerrietje, sigaar.
Smiesen, oogen. Dat loopt in de smiesen (in de gaten). Ik had hem in
de smiezen. Houd hem in de smiezen.
Smikkelen, smullen.
Smiksem, boter.
Smoesie, praatje.
Smoezen, praten. Ik moet er op kunnen vertrouwen, dat je met niemand
smoest. De dokters smoezen niet; die kan 't wat schelen of je in
Medemblik zit of in de bajes. Gedekt smoezen (zacht praten). Louw
smoezen (niets zeggen).
Smous, dief. Ook scheldnaam voor Jood.
Snaar, onwettige vrouw.
Snees, opkooper van gestolen goederen. De sneezen schuilen wel eens
met de politie onder één hoedje.
Sneezen, opkoopen, en ook stelen. In de Marnixbeis woont een okse
(een godinne) snees (vertrouwde opkooper).
Snoeien, rondgaan om te zien of er iets te stelen valt.
Snoet, lieverd, schat. Dag snoet.
Snol, lichtekooi, hoer.