R.

Rachmones, medelijden.

Rad, geldstuk. Rijksdaalder, Gulden, Mark, Franc.

Raggeling, mislukking, tegenvaller. Heb je nog wat loensche knaken

(valsche rijksd.) uitgegeven?--Ja, beis, maar ik heb ook verscheiden

raggelings gehad.

Ramen, oogen. Hij heeft het in de ramen (in de gaten, in de smiesen,

in de kijkert).

Rammen, vechten. Als jullie rammen willen, gaat dan op de vlakte (op

straat). De jongens gingen rammen met de geslagen treiters (brooden).

Ramsjen, opkoopen.

Randeevoe (Rendez-vous), op randeevoe gaan. (Met een niese in een

logement gaan slapen).

Rats, gestampt eten.

Rausj, hoofd.

Rausjen, stelen, rooven. Alles wil ook rausjen. (Ieder meent maar te

kunnen stelen).

Ree, flink, bij de hand. Een reeë vrouw.

Regen, (zie Gouden regen).

Reis, Mokum Reis. (Klein Mokum). (Rotterdam).

Reizen, loopen. Ze reizen op hem (ze loopen op hem) (ze zoeken hem).

Rekel, voet.

Remsch hebben, verbannen zijn.

Rewoochem, winst, overmaat.

Ribbemoos, mannetjesputter, sterke kerel.

Rikketikbons, Bank van Leening in Rotterdam.

Riks, Riksie, rijksdaalder.

Rollen, biljarten. Ik mag graag een potje rollen. Ook: stelen,

bemachtigen. Hij had een gondel (dameszak) gerold. (Zakkenroller).

Roode haan, de roode haan op een huis zetten (den brand erin steken).

Rooderug, rood ruggetje (bankbiljet van f1000).

Roodevlag, de vrouwelijke stonden (zie vuile week).

Rooieloop, kopergeld.

Roojemen, kijken. Die vrijer staat daar te roojemen, die wil weer 9

stuiver (getuigengeld) verdienen. Kun je niet beter roojemen? Roojeme,

(kijk) wat mijn kerel daar doet. Ik kan noppes roojemen. (Ik kan

niets zien).

Rookertje, sigaar.

Rosj, hoofd; ook haar. Wat heb die vent een rosj.

Rosjie, id. De niesetjes (dametjes) hadden allen een safiaantje

(sigaar) in der rosjie.

Rot, bankrot, ook dood. Als bij 't banken de bankhouder een 9 krijgt,

heeft ie de rot. De jongens onder mekaar zijn eerlijk als goud,

der mag geen spie aan mankeeren en is d'r eens een misslaander bij,

dan slaan ze 'm half rot als ie op de vlakte komt.

Rotten, stinken.

Rotteraar, verrader.

Ruiker, slechte stoot op 't biljart (zie ui en stinker).

Ruiter pié, Pieter Jacobstraat in Amsterdam.

Rukkerd, hij heeft in één rukkerd (aan een stuk) joet-beis (12)

jantjes (jaren) opgeknapt.

Rus (Smeris), politieagent, rechercheur.

Russies, id.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 23 / 32 题