P.

Paaltje, stuk roggebrood, (in de gevangenis). Krijg ik van avond

je paaltje.

Padjakker, deugniet, schelm.

Pafferik, vuurwapen, pistool, of revolver. De oude Peters draagt

altijd een groote pafferik bij zich.

Pageintjes, (zie Geintjes), aardigheden, grapjes. Hij had enkel wat

pageintjes in zijn brief geschreven.

Pakslinger, scheldnaam voor Jood.

Palmegoone, een koloniaal.

Palmer, soldaat. Daar tippelt een palmer.

Panas, chef, directeur, ook winkel of lombard. Breng het maar naar

de panas.

Paradegeld, geld van een ander, dat iemand bij zich draagt om mee

te pronken.

Parademaker, bluffer, die opschept met geld, dat niet van hem is.

Paradet, kletskop, zeer hoofd, schurftkop, (zie Parrig).

Parag, scheldnaam voor Jood.

Paraplu, koepelgevangenis. (Haarlem, Arnhem, Breda).

Parrig, hoofdzeer, (zie Paradet).

Passe-route, vagebond.

Patatters, aardappelen.

Paternosters, handboeien. (braceletten).

Patet, hoofd.

Patjakker, deugniet, fielt.

Patsjif, gezicht.

Pattisj, zwanger.

Peesvrijer, werkman.

Peezen, werken. Hij peest met de flik. (Hij werkt met de kaarten).

Peezen is goed voor de paarden. ('t Werken is voor de dommen). We

zullen morgenavond gaan peezen, misschien is de val dan nobel,

(de gelegenheid schoon).

Jan is een gooser, die nooit peest, hij steunt den heelen dag in

het neuriespiese.

Peget, 2.

Pei, 80.

Peiger, dood, aas, lijk, kapot, bedorven, rot .... van dieren. Peigere

visch.

Peiger maken, dood maken.

Peigeren (peieren), sterven, doodgaan.

Pekaan, (piekaan, bekaan), hier, aanwezig, voorhanden.

Pekaan nemen, (in beslag nemen). Noppes pekaan. (niets in den zak). Ze

nemen een dronken gooser pekaan, (inrekenen).

Penne, slaapstee. Platte pen. (Slaapstee onder den blooten hemel).

Penneboes, huisbaas, slaapsteehouder.

Pennen, vingers. Wijspen, Ringpen.

Pennetje, cigaret.

Penooze, neus.

Permonje, verlof. Als ie visschen wil moet ie altijd permonje vragen

aan ze temeie.

Pernooze, kostwinning, werk, jacht. Hij gaat op de pernooze. Kon ik met

de pernooze niets verdienen, dan bikte ik niet, (had ik niets te eten).

Zoo'n tippelaarster peest meteen op vinkies, dat hoort bij die

pernooze thuis.

Pernoozemannen, mannen van 't vak. Hij heeft onder de pernoozemannen

den naam van vinkendresseur, (zakkenroller).

Perriekie, vader.

Personsie, (presonsie, presumptie), verdenking.

Pesaules, aangebrand, veneriek.

Pestman, gierigaard.

Peut, slaag, klappen. Het doet me lol, dat de russen (rechercheurs)

zoo'n peut gehad hebben.

Philippie, muntbiljet of bankbiljet van 10 gld. (De philippus,

het geld).

Pichem, jood.

Pickpocket, zakkenroller.

Pié, buurt. Hoerenpié. Ruiterpié. (Pieter Jacobstraat te Amsterdam).

Piechern, suffer.

Piejijzers, heitjes piejijzers (kwartjesvinders).

Piekelman ook Piek, gulden. Ik heb een mooi vinkie (portemonnaie) in

dat spoormeelukje (zakje) gezien, met een piekelman er in. Ik ga er

op peezen (er moeite voor doen). Dat was de man 4 piek (vier gulden).

Piekeren, denken.

Piemelen, huilen.

Piender, loos, bij de hand. Hij was hem te piender af.

Piepen, slapen. Maar ook wegsluipen, vluchten, lichten, enz.

Hij schijnt hem gepiept te hebben. Ik piep hem, hoor! (Ik maak me uit

de voeten). Het is gepiept. (Het is gebeurd). Hij heeft een ezeltje

gepiept. (Hij heeft een lade gelicht).

Pieper, aardappel.

Pièr of piejèr, opkooper. (Pierre, naam van een snees in den Haag).

Pierder, speler, nachtbraker.

Pierement, harmonica.

Pieremezeur, cent.

Pieren, spelen, nachtbraken (pierewaaien).

Pieskapee, loopje, grapje. Maak geen pieskapee met mij. (Neem geen

loopje met me.)

Pieterman, gulden. Zeven pietermannen is toch niet te jouker (duur).

Pietsie (Bischen), weinig. De Motlap vond 6 heitjes wel een pietsie

min. (De mottige vond 6 kwartjes wel wat weinig).

Pikke, de duivel.

Pikken, nemen. Een oksenaartje pikken.

Pikker, matroos.

Pil, iemand de pil ingeven. (Iemand beduiden wat hij doen of zeggen

moet. Suggereeren).

Pin, ketel. Een koperen pin.

Pinkeling, pink.

Pinter, slim. (Zie piender).

Piot, soldaat.

Pit, moed. Hij heeft nog al pit.

Plak, halve stuiver.

Planten, verstoppen.

Plat, stil. We moeten die getuige zien plat te maken. Ik moet haar

met zoete woordjes plat maken (sussen) om haar mee te krijgen. Zich

plat maken (buiten slapen).

Plattekit (stille kit), winkel waar men gestolen goederen koopt.

Platvink, portemonnaie. Een platvink met knaken (rijksd.). Hij zei,

dat er noppes in de platvink steunde.

Platvink, zakportefeuille, tasch.

Pleite (ook pleiter), weg. Pleite gaan (wegloopen, weg gaan,

zich bergen). Ga maar pleite, het is een beetje link (onveilig); ze

knijzen op je. Is de smeris pleite? Hij is pleite gekommen (weggekomen,

ontkomen). Ik tippel gauw pleite. (Ik loop gauw weg). Ze hadden juist

nog tijd om pleite te tippelen.

Pleite scheften, wegloopen.

Pleite maken, wegwerpen.

Daar kwam een rus (smeris) aan, zoo hard hij kon, en wij pleite. De

vonk pleite maken. (Het licht uitdoen).

Plentie, genoeg.

Ploeg, vereeniging. De gouden ploeg (van jongens in Haarlem).

Ploeteren, werken.

Pluk, werk. Zie dat je pluk krijgt.

Poedel, agent van politie.

Poeierpen, cigaret.

Poekelaar, prater, iemand die niet kan zwijgen, babbelaar.

Poekelen, praten. Louw poekelen (niets vertellen).

Je poekelt over dingen, waar je geen verstand van hebt.

Ze begrepen eerst niet, wat ik poekelde.

Poen, geld. Poen in de meeluk.

Daar steunt een dot poen.

Hoe kom jij aan poen, dat je met de melane (dronken) thuis komt?

Poen (een), een opschepper, een gemeene vent.

Poenbroekie, broek, zooals de jongens op de Zeedijk dragen, nauw over

de knieën en wijd op de hiepen (schoenen).

Poengassie, pet.

Poeplappie, zakje met geld. Hij heeft een aardig poeplappie.

Poerem, drukte.

Poet, een poet lood (een hoop geld).

Poets, politiebeambte.

Poj, water.

Politoeren, blanketten, sminken.

Pompertje, valsche sleutel. Leen mij dat pompertje voor die val

(huis). Een pomper met 5, 6 of 7 tandjes.

Ponem, gezicht. Dat niese heeft een joven (knap) ponem, een leelijk

ponem.

Pooien, eten. Moeke, schok wat te pooien. Ik moet maar zorgen, dat

er wat te pooien is, jij brengt geen spie thuis. Zij kon zelf wel

haar pooien verdienen.

Pooier, dikvreter. Kerel die met een meid leeft, die voor hem den

kost verdient. Als ik zoo'n pooier moest hebben, liet ik hem gauw

den moord steken (om hals komen).

Pooier, staalboor.

Poozer (posser), duit. Ik had geen posser in de meeluk. Daar is geen

posser te verschieren (verdienen).

Poozetjat, platzak.

Pop (Poppie of Poppetje), gulden.

Poppekast, bedstede.

Pores, koe, stuk rundvee (Beheime).

Poser, vleesch.

Posjer, (zie Poozer), cent, duit.

Posser, (zie Poozer), duit.

Posterik, deur.

Pot, smeltkroes.

Poteten, belooning. De versliegeraar kreeg f25 voor een poteten.

Pots, snor, knevel. Een zware pots.

Potsvrijer, iemand, die met kwartjesvinders uitgaat, om uit te kijken.

Prames, deel, aandeel, portie.

Prent, beeld, mooie vent (spottend).

Preuvelen, praten.

Preuvelement, praatje. Ik maakte mijn preuvelement bij haar en kreeg

ze mee naar een dansspiese.

Priem, dolkmes.

Priemerik, zwerver, landlooper, ook wel dominee of geestelijke.

Prikken, met een mes steken.

Prins, politieagent.

Prinsemarij, Prinserij, de politie.

Jongens, deize, daar is prinsemarij op de vlakte. (Stil, jongens,

daar is politie in de buurt).

Pruif, lading, last. Hij heb de pruif. (Hij is dronken).

Puinsteker, vingerring. (Zie Veemsteker).

Punt, bochel.

Pij, jas, demi-saison, ook wel mond. Halt de pij. (Houd den mond).

Pijger, (zie Peiger), dood.

Pijtje, jas. (Zie Velletje).

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 22 / 32 题