Oj, wel, wat moet je?
Okketaaien, iemand te weinig geld terug geven, door kelners, en
bij ontdekking het teruggehoudene op den grond laten vallen, alsof
't bij vergis ergens was blijven hangen.
Oks, degelijk, goed.
Zoo gaat ie oks. Dat smaakt oks. Een okse oksenaar (een goed horloge).
Oksenaar(tje), horloge. Een foks (een gouden). Een halffoks (een
zilveren). Een loensch (een nikkelen of koperen).
Olf, 1.
Olms, oud, ook gek of kindsch. Een olmse serrore (man). Een olmse niese
(een oude vrouw). Een stuk van een olms hemd. Een paar olmse lappen
dienden voor kousen. Wat doet ie weer olms. Laat dien gooser toch,
hij is olms.
Olmse, ouders. Ben je weer bij je olmse thuis?
Ook enkelvoudigvoor: Vader of Moeder. Ik ga naar mijn olmse. Mijn
olmse schokt (geeft) mij nog wel eens wat; hij heeft nog al wat
molm. Een die zich olms houdt heet een simulant.
Olmspiese, oudemannenhuis. (Ook Gekkenhuis).
Oltrip, cigaret. (Old rip, een cigaretten merk).
Omslaan, bekennen.
Omslag, omtrekkende beweging. Een omslag maken (door een of andere
slinksche manoeuvre iets bewerken).
Onderkruiper, klein mannetje.
Onderkruis, sleutel, zie Kienen.
Onderzeil, iemand onder zeil brengen. (Iemand in slaap maken).
Ongodin, onoprecht, niet waar.
Oome Jan, de Bank van Leening.
Oosser, neen, neen! Een krachtig van de hand wijzen.
Opjacht, kostwinning.
Opgaan, gestraft worden. Zou hij opgaan? Toch is die gooser niet
opgegaan voor dat zwijn (fiets). Wie dekt, gaat net zoo goed op als
de dader die verschut wordt.
Opknappen, 2 jantjes opknappen (2 jaar in de gevangenis zitten).
Opladen, voeren, bewegen. Hij laadt den sooger op. (Hij bewerkt den
man om b.v. aan 't kaartspel deel te nemen).
Oppikken, opvangen. Een vreempie oppikken.
Orel, Christen. Zie Gnorel.
Ottenoj, (zie Attenoj). Heer in den hemel!
Ousten, praten. Oust zachter. (Praat niet zoo luid).
Overbruggen, overbrengen, verklikken. Dit werd alles door dien punt
(bochel) overgebrugd.
Oxenaar, horloge, (zie Oksenaar).