N.

Naai, bij de hand.

Nafke, meid. Ook: nefke. Als ik met hard werken wat verdiend had,

dacht ik: 't Is voor me nefke.

Nafkoone, id.

Najin, oog.

Nase, neus.

Nefke, meid.

Negenweker, iemand, die maar half voor zijn kost berekend is.

Nekijve, (zie Lakijfe).

Nemen, zich laten nemen, (beetnemen).

Nepschooren, (zie Mepschooren). Onbruikbare goederen.

Neuren, rondgaan om te zien of er iets te stelen is.

Neurie, drank, sterke drank.

Neuriespiese, herberg. Ook huis met kelnerinnen.

Neus, 2. Bij 't dobbelen, Aas-Neus (1-2).

Neuzen, kijken. Ga je mee neuzen in 't woud, ('t Vondelpark).

Neut, hoofd. Je wordt al aardig olmsch met je kale neut.

Neutje, slokje. Een neutje kraken (een borreltje drinken).

Niese, dame, meid. Dat niese van hem is ook naai (bij de hand).

Nifteren, dooden. Hij moet genifterd worden.

Nifterik, mes.

Nobel, geschikt, goed, vertrouwd, veilig. Jongens, de val is nobel

(de gelegenheid is schoon).

Een nobel spiese (een vertrouwde herberg).

Ook: gepakt. Hij is nobel.

Nobele, man, vrijer. Wat doet je nobele? Die luimt nog. Dat liet de

nobele (de man) zich geen tweemaal zeggen.

Noen, 50.

Nooien, uitnoodigen, uitdagen.

Noppes, neen, niets.

Noppes poen (geen geld).

Noppes pekaan (niets bij me, niets op zak, van mij is niets te halen,

niets voorhanden).

Er steunde noppes in de platvin (er zat niets in de portemonnaie).

Ik wou een sjaans, (chance, kans) bij haar hebben, maar noppes,

hoor je ('t gaf niets).

Noppes kotsen, niets zeggen.

Nor, 't hok, 't cachot op 't Politiebureau. In de nor.

Nosselen, stelen. Heeft Bet van avond nog wat benosseld?

Nosteren, vloeken, ook wel spreken.

Nosterik, boek.

Notting, niets. (Nothing at all).

Nijf, mes.

Nijs, moed, lust. Die heeft nijs om wat te bedissen (moed om te

stelen).

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 20 / 32 题