Macher, koopman, boerenbedrieger, kwakzalver.
Maf, slaap.
Maffen, slapen.
Maffie, kwartje.
Maholle, bedorven, kapot.
Majem, water. Ik gooi hem in de majem. Geef me een glas majem. Tof
majem (goed water); link majem (slecht water). Ga dit majem maar niet
buizen (drinken) het is link.
Majemen, regenen. Het majemt dat het giet. Het blijft maar doormajemen.
Makke, makke met een kanker, (35 cent).
Makkes, slaag, klap, last, onheil. Hij gaf haar een linke makkes in der
koone. (Hij gaf haar een klap die raak was in haar aangezicht.) Daar
zit makkes voor 'm an. (Daar krijgt hij last mee). Er zijn lieden
die niet houden van makkes en peigere (bedorven) visch.
Maling, iemand in de maling nemen. (Iemand er tusschen nemen of voor
den gek houden). Ik had uit de maling kunnen zijn. (Ik had voor altijd
binnen kunnen zijn). Ik heb er maling aan.
Malogemen, werken.
Malogemer of Maloochum, werkplaats. Foksmalogemer
(goudsmidswerkplaats). De grandige knijst naar het gajes van de
maloochum. (De agent kijkt naar het volk van de werkplaats).
Maloochum, (Melogo), werk.
Mangen, vragen.
Mannetjesputter, sterke kerel.
Mansjen, (mansj maken) aanprijzen; recommandeeren.
Mareedsemen, stelen.
Mareedsemer, dief.
Marwiegen, stelen.
Marwieger, dief.
Masker, pand, (voor de bank van leening).
Massel, winst, geluk, voorspoed. Aan gestolen goed is geen
massel. (Gedijt niet).
Masselen, goede zaken. Masselen broocher, (geluk man!) Hij is in zijn
massel. (Hij heeft geluk). Il a de la veine.
Massematten, handel, negotie, zaken, ook wel gestolen buit.
Matograaf, sleutel. (Zie Kinematograaf en Motograaf).
Matschudding, herrie, ruzie.
Matses, Paaschbrooden.
Mattenklopper, tien gulden. (Gouden tientje).
Mauwerik, kat.
Meegig, lui, suf. (ook: meelig).
Meeleg, zout.
Meeluk, (Meelik), zak. Poen in de meeluk. (Geld op zak). Een meeluk
schoren (goederen). Een meeluk koffie, etc.
Meelukpeezer, zakkenroller.
Meie(r), 100. Een goede meier. (Een goede f100). 1/2 meier. (50). 1/4
meier. (25).
Meier, man. Houd den meier in de gaten.
Meikever, zwerver, schooier. (Ook Merwiecher).
Meilig, Koning.
Meiligin, Koningin.
Meimus, dood. Hij gaat meimus. Ik zal je meimus slaan.
Meine-Deine, Duitsch hasardspel met kaarten.
Meis, lijk.
Mekajem, groote hoeveelheid, een hoop, een klap.
Ook gebruikt voor veel slaag. Hij geeft 't dier mekajem, als 't
niet loopt.
Daar lag een mekajem oksenaars achter die ruit. Jongens met een mekajem
poen in de meeluk. Ga weg of ik geef je een mekajem. Wat een mekajem
gajes op de vlakte. Het wemelt van russen. Als ik alles bij mekaar had,
wat ik van me leven geslagen (bemachtigd) heb, dan had ik mekajem.
Mekattering, ook bekattering, beschuldiging. Ook ruzie: Ze hadden
een mekattering met een kar met blauw laken.
Melane, lading. Ze kregen de melane (ze werden dronken).
Melogo of Melogem, werk. Zie Maloochum.
Melojen, wenken.
Mem, 40.
Meneertje, de Commissaris van Politie.
Menobbel, monster, bijzonder leelijk schepsel.
Mep, klap, stoot.
Meppen, beetnemen, stelen. Ik laat me niet meppen. Wat praat je
van meppen? Ik zal de spieën hebben, die jij van een ander gemept
hebt. Katten meppen. Kattenmepper.
Mepschooren, onbruikbare goederen. (Zie Nepschooren).
Merode, neerlaag, armoede. Hij is nou in de merode (aan lager wal).
Merriekie, moeder.
Merwiechers, meikevers, landloopers, dieven.
Mesokke, Mesjoche, Mesjoege, Mezokke, gek, suf. Zie Besjoche,
(gek). Schele Mie heeft zich ook mesokke gehouden.
Mezoles, ook Bezoles, bedorven, kapot, ook ziek. Vleesch, dat ruikt;
boter, die sterk is; een ei, dat niet versch is; heet mezoles. Kijk
eens wat een knap mokkel daar voor de glonissen scheft, maar neem
je in acht voor dat niese. Ze is mezoles, dat kan je aan der patsjif
wel zien.
Mezoomen (Mesomme), geld.
Middendek, sleutel. (Zie Kienen).
Miegen, wateren.
Mieg-tiejijs, pisbak, urinoir.
Mieniker, vuilik. (Bij verkorting Mien). Een kerel, die gnieperige
streken uithaalt.
Mietje, iemand, die een hekel heeft aan de vrouwen. In den regel
't zelfde als hintemer, flikker.
Miesgasser, zie Misgasser.
Miezig, schuldig. Ik heb me nooit aan een portemonnaie miezig gemaakt.
Miggelen, lachen. Hij miggelde link en ze schokten hem een jantje. (Hij
lachte verdacht en ze gaven hem een jaar).
Miggelaar, uitkijker; iemand die op uitkijk staat.
Mik, buik, maag. Hij heeft zijn mik weer vol. Sla dit treitertje
(broodje) maar vlug in je mik.
Mikwe, bad. Den avond voor den trouwdag moet het Joodsche meisje een
mikwe nemen.
Mimmele, moeder.
Minette, poesje, jonge dame, snolletje. Iemand die het minetten
uitvoert.
Minetten, streelen, kittelen, likken van de geslachtsdeelen.
Miskaf, Miskuiken, Misgasser, Miesgasser, vuilik, akelige vent,
sodomieter.
Misslaan, te kort doen, geld achterhouden en dus niet eerlijk deelen.
Hij heeft me een meie misgeslagen, (f100 te weinig van den buit
gegeven).
We waren allen godinne jongens, misslaan hebben we mekaar nooit gedaan.
Misslaander, iemand, die 't gestolene niet eerlijk deelt.
Moeke (Moeke Kommers), kelder Nieuwe Markt 19, Amsterdam.
Mok, beker. Een mokkie bruin (een kop koffie).
Mokkel of Mokkeltje, meid, geliefde.
Mokum, stad. Groot Mokum, (Amsterdam). Er zijn hier in Mokum geen
goede tiejijzen meer, (geen welvoorziene brandkasten). Klein Mokum,
(Rotterdam). Mokum Mollof, Mokum Alf (Amsterdam). Mokum Reis,
(Rotterdam). Mokum Beisz (Berlijn).
Mokumer, Amsterdammer.
Molleke, (zie Mokkel).
Molm, geld. Ik weet dat er molm steunt, (dat er geld zit). Een kattebak
met molm (een winkellade met geld).
Mollof, Mokum mollof, (Groot Mokum), Amsterdam.
Monnie, geld.
Moord, de moord steken. (Om 't leven komen). Steek de moord, (krijg
een ongeluk).
Moos, geld.
Mootvlek, hij peest met de mootvlek, (met 9 dobbelsteenen).
Moppentrommel, effectentrommel, geldkist.
Morf letten, goed opletten op 't geen iemand zegt.
Morig, vrees. Hij schokt geen morig, (hij is niet bang). Ben je
morig? Hij schokt morig. (Hij is bang). Je zult zien dat hij morig
schokt. (Je zult zien dat hij wegloopt). Hij peest morig. (Hij werkt
niet vastberaden).
Mot, twist.
Motlap, mottige.
Motograaf, (zie Matograaf). Sleutel. Heb je de matograaf pekaan. (Heb
je den sleutel bij je?)
Muim, slaag.
Muimen, slaan.
Munt, smak hem munt, (werp hem tegen den grond).
Muntmeter, brandkast.
Muziekdoos, brandkast.
Mijlie, mond. Hoor eens, wat een mijlie, (wat een groote mond).
Mijmus, dood.