L.

Labe, heele hoop; een boel. Daar zal wel een labe van in de flik

(krant) steunen.

Lak, ik heb er lak aan. Er is lak aan me te verdienen. (Ik laat me

niet beetnemen).

Laken, blauw laken, (lood).

Lakijfe, (lekijve), beminde, vrouw.

Lammet, 30.

Lammetje, 30 stuivers. Een lammetje, (een daalder). Veel schokt hij

er niet voor, maar toch altijd wel een lammetje. Die ander heit je

een lammetje gegeven; 't is mij een knaak waard.

Lamp, politie, onraad. Tegen de lamp loopen.

Lampies, oogen, smeerpitjes, waspitjes. Iemand blauwe lampies

slaan. Laat je lampies goed knijzen, (kijk goed uit je doppen).

Landing, ruzie. De gooser heb landing met ze niese gehad.

Last, hij heb de last, (zooveel hij dragen kan, knap dronken).

Lat, stok, sabel, kerfstok. Me olmse had daar aardig op de lat

gedronken, (op de pof), op crediet.

Laten zakken, in 't water gooien.

Latkip, agent van politie.

Laulem, ten minste.

Lausie, ei.

Laveloos, stomdronken. Dat kren is laveloos. (Die meid is stomdronken).

Laven, dronken maken.

Lawaje, begrafenis. Daar gaat een lawaje voorbij. Krijg een lawaje

in je huis! (verwensching).

Lawajen, begraven. Ik ben uit lawajen geweest.

Lazerus, stomdronken.

Och meneertje heb meêlij met mijn,

Ik zal nooit weer lazerus zijn.

Leb, lief. Saarleb, (Saralief).

Leepoogen, etterende oogen.

Lef, moed. Om te moorden, daar heb ik nooit lef voor gehad. Op groot

lef uitgaan (willen stelen tot elken prijs). Zuipen op lef (drinken

op avontuur). 't Was een heele lef voor me (een stout stuk). (Zie

Grootlef).

Lefjongen, een jongen met moed (durfal).

Legem, brood.

Lekijve, (zie Lakijfe).

Lel, borrel. Een haaie lel. (Een groote borrel).

Lenzelink, luisteren. Zie ook Lunzelink.

Lenzen, kijken. Lens goed uit je doppen.

Leuningbijter, leeglooper.

Leut, koffie.

Lichten, rollen. Ik knijsde dat de platvink werd gelicht. (Ik zag

dat de portefeuille werd gerold).

Lichterik, dag.

Lik, gevangenis. Een linke lik (een strenge gevangenis, waar 't niet

deugt). Een immese lik (een goede).

Likkar, celwagen.

Link, loos, slim, niet pluis, gevaarlijk, leelijk, niet te

vertrouwen. Steun niet meer op die val, het is er veel te link

geworden. (Ga niet meer in dat huis; 't is er veel te gevaarlijk

geworden). (Zie Verlinken). Link tegen link (list tegen list). Een

linke slag (een slinksche streek). Een linke broger. (Een leelijke

vent). Zakkenrollen is een link werk. Dat is een linke pernoose

(gevaarlijke taak). Het link (politie).

Link dajem, valsche eed.

Linken, bedriegen. Laat je niet linken. Op link nemen (er in laten

loopen). De rechters wouen hem op de link nemen.

Linken en Lenzen, kijken en loeren.

Linkgajes, niet te vertrouwen volk. Slecht volk. Politie.

Linkmiggel, grappenmaker, ook wel akelige vent of deugniet. Gevaarlijke

kerel, die de jongens aflegt.

Lippies, sleutels met smalle baarden.

Loebertangetje of Loevertangetje, Halve cent.

Loeder, dweil, slobber, meid van slecht allooi.

Loefie, halve cent. De kerel valt dood over een loefie, ofschoon hij

bulkt van geld.

Loegie, spel kaarten.

Loeken, kijken. Loek reis even in dat spoormeelukje. Je komt voorbij,

maakt een veter van je schoen vast en loekt terwijl even naar 't

slot. 's Avonds ga je er een paar kienen opgooien, of het soms springt.

Loen, bedriegelijk, valsch. Schermen met een loen jatje, (zich mal

houden, zich krankzinnig aanstellen).

Loene, slecht, kwaad.

Loenen, valsch doen.

Loenenaar, valsche kerel, verraderlijke kameraad.

Loensch, scheel, schuin, onecht, valsch, ook wel koper. Ze kijken

zoo loensch. De loensche, (de schele). Een loensche oksenaar, (een

horloge van onecht goud). Loensche knaken, (valsche rijksdaalders). Een

loensche brommer, (een koperen ketel). Loensche glimmerikken (schele

oogen).

Loensch poen, valsch geld.

Loensche sjoefe, meineed.

Loensche cassavies, valsche bankbiljetten.

Loensche daai, valsche diamant.

Loentjes, leugens. Ik vertel je geen loentjes.

Loentjes draaien, moppen verkoopen.

Loep of Loepie, horloge. Hij heb een loep in de meeluk.

Loerie, chocolade. Hij heb loerie gegapt.

Lokvogel, de voerder bij de kwartjesvinders.

Lollepot, wellustige vrouw; vrouw die zich aan ontucht met vrouwen

overgeeft.

Lol-tiejijs, middel tot het opwekken van vrouwelijke wellust.

Lommerdbriefje, (doorgefourneerd), hoer.

Lommerdspiese, bank van leening.

Lood, geld. 't Schijnt dat jij je lood niet op kan.

Een plak lood op den kop hebben. (Dronken zijn).

Een dot lood, ook een poet lood. (Een hoop geld).

Loodpot, men kan wel zien, waar de loodpot zit.

Hier heb je de loodpot. (Hier is 't geld).

Looien, kloppen, vechten.

Loojig, zwaar. Dat blauw laken is loojig (dat lood is zwaar).

Lorum, zwendel.

Loste, alles kwijt. Zie Kabs. Ik ben glad loste, (zonder een cent).

Lousie, ei.

Louw, niets, weinig, neen. Raffie, ga je mee? Antw. Louw (neen). Sjak

me louw, 't kan me weinig schelen, (schadt mir lau). Voor louw (voor

niets, gratis).

Louwfikus, niets. Louwfikus te beknijzen. (Niets te zien).

Louwloene, slechte zaken, tegenspoed.

Louwpoekelen, niets zeggen, niets meedeelen.

Louwsmoezen, id. Ik moet kotsen, (opbiechten) voor den goochemerd,

(rechter-commissaris), maar ik smoes louw, (ik zeg niets).

Lovie, geld. Lovie in de meeluk. (Geld in den zak).

Luchtklapper, bovenhuis.

Luffie, (zie Loefie). Halve cent.

Luikes, stiekum, stilletjes, in 't geniep. 't Manvolk houdt zich in

zulke gevallen altijd luikes.

Luimen, slapen. Ze konden van nacht op de brits luimen.

Luimkeet (luimkit), slaapstee.

Luimspiese, slaapstee, logement.

Luisterlap, oor.

Lul, suffer, domme kerel. Een lul van een brooger.

Ook: dupe. Hij is de lul (hij betaalt het gelag of hij is gesnapt).

Lummelbout, mannelijkheid.

Lunzelink, kijk om je heen, laat je niet uithooren of beluisteren. (Zie

ook Lenzelink).

Lunzen, zie Lenzen.

Lurven, kleeren. Ik pakte hem bij zijn lurven.

Lussen, ik lus hem (ik wil met hem vechten, ik durf hem aan).

Lijk, versleten vrouw.

Lijnschieter, suffer.

Lijntrekken, rekken.

Lijpen, drinken.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 18 / 32 题