Kooterum, klein.
Kortjan, matrozenmes.
Kotel bajes, gevangenis.
Kotsen, braken, ook opbiechten. Je moet voor den goochemerd kotsen,
(voor den rechter van instructie moet je opbiechten). Zie Katsen.
Kopzorg, bekommering. Heb daar geen kopzorg over, (bemoei je daar
niet mee.)
Koud maken, vermoorden.
Kout, mes. (Zie Nijf, Galf, Nifterik).
Kousjer, zuiver. Dat zijn kousjere bullen.
Je zou bij je olmse (ouders) toch een veel kousjerer leven hebben
dan in zoo'n spiese.
Kraak, inbraak. Een krakie zetten (een inbraak doen).
Twee vrijers waren bezig met een kraak.
Kraanoogen, spelden. Leverworst met kraanoogen aan een joekel (hond)
geven om hem stil te maken (te dooden).
Krabbedaaier, vechtersbaas, ruziemaker.
Krabbelpoj, inkt.
Krabber, breekijzer.
Krakeling, ze verlunzen geen krakeling (ze verstaan geen woord).
Kraken, inbreken. Het nobele volk neemt den nacht voor den dag;
bij dag luimen ze, bij nacht kraken ze.
Kraker, inbreker. Hij stond bekend als een kraker.
Krakertje, borreltje.
Krankjorem, krankzinnig.
Krates, (kriek), gebochelde.
Krats, streep; streep door de rekening, teleurstelling; een niet in
de loterij.
Krauter, politieagent.
Kreeft, vleesch.
Kreischen, schreeuwen.
Kren, meid. Ze zit met kren (ze is zwanger).
Krententuin, Veenhuizen.
Kriek, gebochelde.
Krien, zilver.
Krot, verdacht huis.
Kruif, kwast, verwaande kerel, grootdoender.
Krummeldieven, minachtend voor pruldieven. Dat is een mooie stad om
te jatten voor de krummeldieven.
Kug, brood.
Kuierstokken, beenen. Neem je kuierstokken (pak je weg).
Kuil, kelder, ook: diepert. Bierkuil (bierkelder). We gaan naar de
kuil van Moeke.
Kuiten, neem de kuiten (maak beenen; zet het op een loopen).
Kutpooier, iemand, die leeft van zijn meid of vrouw. Zie:
Behojjebikker.
Kwak, winkelschel. De kwak doet ting-ting. Tik de kwak over (hou de
schel vast).
Kwakkie, kleine hoeveelheid. De snees (opkooper) zou de daaien
(diamanten) bij kwakkies laten verslijpen.
Kwant, flink. Dat vind ik kwant van hem.
Kwart meier, 1/4 van f100. Bankje van f25.
Kwats, uitroep. Kwats! die zit er weer in. (Wordt bedoeld: in de
gevangenis).
Kwiek, vlug.
Kwinten, zakkenrollen.
Kijletje, (zie Keiletje), slokje.
Kijf, zie Kaf.