Kimmel jantjes (3 jaar).
Met ze kimmele (met z'n drieën).
Kimmel en dollet, 3 + 4 = 7.
Kimmelaar, 3 gulden.
Kimpet, in kimpet (in de kraam).
Kin, ja; ook wel stil.
Kinematograaf, sleutel (woordspeling met kien).
Kinf, luizen. Hij zit in de kinf.
Kink, klap, stoot.
Kip, agent van politie, ook hond.
Kippen, aandeel, portie. Heb jij er ook kippen aan?
Hij kreeg een roodruggetje op ze'n kippen.
Kippenhok, school.
Kit, (zie keet), luimkit (slaapstee), (zie platte kit).
Klabak, politieagent.
Klabbes, hoer.
Klanker, flesch. Een klanker neurie, (een flesch drank).
Klapper, kamer. Bovenklapper (bovenkamer). Luchtklapper (bovenhuis).
Klinkertje, glaasje.
Kleerenprik, kleermaker.
Kleezen, voeten. Hou je kleezen een beetje voor je, je schopt tegen
me broek op. Die heit me een paar kleezen! Denk om je kleezen.
Kleine knoop, gulden.
Klepelstok, een stok met een gleufje aan de voorzijde, gebruikt om
de kwak (winkelschel) over te tikken, (vast te houden).
Kletspatet, hoofdzeer.
Kleum, slaag. Je kunt nog kleum krijgen.
Kleur houden, blijven ontkennen.
Klimmerd, om daarbij te komen, moet ik een geduchte klimmerd maken.
Kloek legem, pond brood.
Kloek met kuikens, stel gewichten.
Kloft, kleeding. Je bent godin gekloft, (netjes gekleed).
Klofting, kleeren, ook wel beddegoed.
Klok, (voor uur). De drukste klok van den Jodenhoek is 11 uur. Onder
de klok tippelen. (Naar den dokter loopen op spreekuur; ziek zijn
van jongens of meiden die met den neus in den wind hebben geloopen).
Klok met kuikens, stel gewichten in blok.
Klokkie, horloge.
Klomp, groote neus.
Klopdaai, man met een zeer hoofd.
Kluif, een hartig stuk van den slager. Schertsend, voor een stuk
koek. Moeke, geef me een bak zweet, (kom koffie) met een kluif.
Kluisgaten, oogen.
Kluit, groote hoeveelheid. Een kluit geld.
Klijf, zilver. (Zie Timtim).
Klijfsch, zilveren. Klijfsche speentjes (zilveren knipjes; beursjes).
Knaak, rijksdaalder. Loensche knaken (valsche rijksd.). Je krijgt bij
den snees nog beis knaken voor dat pijtje (jas). Die ander heeft je
een lammetje gegeven; het is mij een knaak waard.
Knageling, rat.
Knaker, portemonnaie.
Knappert, pistool. Knappers (pistolen).
Knar, hoofd. Hij heeft een harde knar. Ik kreeg onverwachts een mep
tegen me knar.
Knees en Kneesde, kende; van knijzen (kennen). Zij kneesde mijn niese.
Kneibel, sterke, pootige kerel.
Knikker op het dak, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knikkers, biljartballen.
Knippen, aanhouden.
Knobbel- of knopsmeris, Brigadier van politie in Amsterdam.
Knoften, (zie Kloften).
Knok, slag (ook slaag). Dat is er een, die je knok kan geven. Zij
was bang, dat zij knok kreeg van mijn niese.
Knokken, vechten, slaan, stukslaan.
Ook: wisselen.
Hij had dat poen (geld) nog niet geknokt.
Knoloog, schele.
Knolsmeris, bereden politieagent. Knopknolsmeris (bereden brigadier
in Amsterdam).
Knoopje, dubbeltje.
Knul, vent. Die knul, die de knaken (rijksd.) maakt, was bijna
geschaakt (gesnapt).
Knurf, klap. Hij kreeg een knurf in zijn tronie.
Knijzen ook Knijtsen, kijken. Zij knijsden hem goed in de lampies.
Knijs even uit, of er wat op de vlakte is.
Stijf staan knijtsen.
Al de buren stonden voor het raam te knijzen.
Ook kennen. Ik knijsde hem noppes. (Ik kende hem niet.) Een broocher,
dien ik niet knijs.
Koef noen, twee Hebreeuwsche letters, K en N, gebruikt voor: kost
niets.
Koetsef, diamant, (roosje).
Koetsef blinker, briljant.
Koeskoepee, bed, slaapplaats.
Koffer, bed. Ik ga naar den koffer. Hij gaat met zen mokkel in
de koffer.
Kokkerd, een groote. Een groote neus, bijv.
Konkel, koffieketel.
Kontslinger, achterjaszak.
Kool, bedrog, (seibel). Iemand een kool stoven.
Kooler, spoortrein. Pleite gaan met de kooler is altijd gevaarlijk;
zoodra de zaak ontdekt is, gaat het naar alle kanten rikketikketik
en je bent zoo gesjankt. (Met den trein er van doorgaan is altijd
gevaarlijk, zoodra de zaak ontdekt is, wordt naar alle kanten
getelegrapheerd en je wordt direct aangehouden).
Koone, aangezicht.
Kolf, mes, (zie galf).
Koperen bout, agent van politie in uniform.
Koppie, dubbeltje.
Kopstoot, een stoot met het hoofd, van onderen tegen iemands kin,
waarbij het woord hengs! wordt gesproken. De gestootene valt in den
regel duizelig achterover en wordt beroofd.
Korpus delik (Corpus delicti), bewijsstuk. Ze heb het korpus delik
(ze is zwanger).
Kooter, kind. De kooters zijn naar school.