Ook: bankbillet. Een kassavie van kimmel meier (300 gld.)

Kast, bochel. Ook draaiorgel.

Katezel, (zie Kattebak).

Katoen, kalm. Hou je katoen. Dood katoen (volkomen kalm).

Katsen, kijken. Kats den grandige roojemen naar de seeferaars. (Zie

den agent eens kijken naar de dieven).

Katsen, (zie Kotsen en aankwatsen), praten. Een advocaat die goed

katsen kan.

Katser, veelprater.

Katsjef, slager, die onrein vleesch verkoopt.

Katsjemme, luimkeet, penne, slaapstee.

Kattebak, ook Katterik en Katezel, winkellade. Ik kan dien kattebak

niet nemen; er steunt (is) gajes (volk) in den winkel.

Katteborrel, glas melk.

Kattekop, scheepslantaarn, gewoonlijk van koper.

Kazer, vleesch. Bonzen met kazer (aardappels met vleesch).

Kedeevie, ook Kedeevid, klap, slag, stoot.

Jan gaf zijn niese een kedeevid in der lampies.

Kedin, zie Kadin. Veilig.

Keesie, pruim tabak.

Keet, herrie, drukte, janboel.

Bij Lammetje, daar is 't me een keet; hier zitten er kienen te vijlen;

daar studeert er een, hoe hij 't best een vin in een ruit kan zetten

(een barst in de ruit aanbrengen, om ze zonder geraas uit te kunnen

nemen).

Ook: menigte. Wat een keet gajes!

Keet, (kit), zaak, luimkeet (slaapstee).

Keggie, mik, broodje.

Keien, iemand op de keien laten staan (hem niet meenemen in de kroeg).

Ook: Iemand in de verlegenheid laten.

Keilen, gooien. Hij keilde hem over de straat.

Keiletje, slokje, borrel. Ik heb een keiletje of tien van den loensche

(schele) gehad.

Kennef of Kennep, kink, klap, stoot.

Kenijve, brood.

Kersepit, hoofd.

Kesef, zilver.

Ketippie, dubbeltje.

Kewijne, Kaas.

Kezavie, zie Kassavie.

Khein, loos, slim. Zie kim.

Khoug, kracht. Wat heb die vent een khoug in ze jatten.

Kiebes, hoofd.

Kiendop, klein persoontje.

Kien, hij drukt kien. (Hij zit vast, hij kan zich er niet meer

uitredden).

Kienen, ook wel Kiejenen, koopen. Ze zijn een jajempie wezen kienen

(een borreltje gaan koopen). Hij verklaarde dat ie dien dag van mij

een zwijntje (fiets) had gekiend.

Ook opensluiten. Hij kient de deur open.

Kienen, sleutels. Een mooi stel kienen (ook tandels).

------

FIGURE

Enkele soorten van kienen:

------

Kieren, ik had hem in de kieren (in de ramen, in de gaten).

Kim, (Khein), goed. Dat smaakt kim. Ook: loos.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 15 / 32 题