Baardaap, bijzonder leelijke vrouw of een knappert (revolver) die
niet schreeuwt (geen knal geeft).
Badderen, zwemmen.
Bajes, winkel, huis, gevangenis.
Bajeskar of bajeswagen, celwagen.
Bajesklant, iemand die veel in de gevangenissen terecht komt.
Bak, kop.
Een bak zog, Een bak slobber, Een bak zweet, Een bak leut, een kop koffie.
Bak, verzinsel. Een bak zetten (een verhaal opdisschen).
Balbes, huisbaas. (Bollebof).
Baldoveren, klikken, nakijken. Pas op dat je niet gebaldoverd
(nagekeken) wordt.
Baljisrool, (zie Basserool).
Bamser, (bamboesjeur). Een uitgaander; kroeglooper.
Bangmakertje, in zijn bangmakertje staan (ontkleed staan, als gereed
om te vechten).
Banjer, heer.
Banken, kaartspel (vingt et un).
Bankie, bank. Een bankie zetten (een spelletje banken).
Barrasch, schurft.
Bas, stuiver, 5 spie. Kimmel bas (3 stuiver). Joet bas (10
stuivers). Geef me een bas bier.
Basserool, Heer; chef. Deisje (stil!) voor den basserool. (Neem je
in acht voor dien meneer).
Bast, lijf. Hij had geen goed stuk kleeren aan zijn bast.
Batterik, schip, schuit, stoomboot. Ik heb hem met een batterik pleite
moeten maken (weg moeten helpen).
Bauernfänger, kwartjesvinder.
Bavianen, hard werken; in 't bijz. kolentremmen op een groote boot.
Bazaar, politiebureau.
Bedibberen, zeggen, praten, vertellen; ook: bedotten. Noppes bedibberen
(houd je mond).
Bedissen, verdienen, (stelen). Weet je wat te bedissen? Ja, ik weet
een mooie val (huis).
De Prinserij komt altijd, als er niets meer te bedissen (aan de
hand) is.
Bedist, verdiend (gestolen). Kan ik het helpen, dat er zoo weinig
bedist wordt?
Begieten, bevreesd. Je bent toch niet begieten, dat zaakje op te
knappen?
Hij durft niet te seinen (informeeren) niet te dekken en niet aan te
nemen (bij het zakkenrollen) ook, hij is veel te begieten voor de bajes
(gevangenis).
Beginnem, spotprijs. 't Is voor een beginnem te krijgen.
Begoulesj, veneriek.
Behaai, lawaai, drukte.
Behaaimaker, levenmaker.
Beheime, beest, dier, vee. Kijk wat slaat-ie dat arme beheime.
Behojje, vrouwel. schaamdeelen.
Behojjebikker, een kerel, die leeft (bikt) van het zedeloos bedrijf
van zijn vrouw of meid.
Ook een scheldnaam voor den houder van een café met dames. (Zie
Kutpooier).
Beis, straat, buurt, volksbuurt.
Foeliebeis
Kinkerbeis
Willemsbeis
Bloembeis
Monnikenbeis
Ridderbeis
Jonkerbeis
enz.
Beis, telwoord twee. Beis hondjes, (2 dubbeltjes). Beis meier (f200).
Beis, valsche omwegen. Maak geen beis met mij, leid me niet om
den tuin.
Beisko, jood, snees, of in 't algemeen iemand dien men in zijn zaak
betrekt. Deis je voor den beisko. (Neem je in acht voor den opkooper).
Beizen, oogen. Die vrijer knijst (kijkt) link (loos) uit zijn beizen.
Beizie, dubbeltje.
Beizige, met zijn beizige, met zijn tweeën.
Beizig dollet, (2 × 4 = 8).
Beizig kimmel, (2 × 3 = 6).
Bekaan of Pekaan, hier. Noppes bekaan. (Hier is niets; niets aanwezig).
Bekattering, uitbrander, berisping, bekeuring.
Beknijsd, bekend. Beknijsd bij de prinserij (bekend bij de politie).
Beknijzen, bekijken.
Bekwaam, al de bekwame jongens (ervaren dieven) wonen in de Nes.
Bel, groot glas.
Belabberd, beroerd, ellendig. 's Morgens sta je half belabberd op,
en knijst uit je doppen als een verzopen mauwerik (kat).
Belatafeld, belazerd, zot. Ben je belatafeld? ook belaaitafeld.
Bemore, bevreesd, (zie Morig).
Bengel, een tik met een bengel, (een horloge met ketting of signetten).
Benosselen, zie nosselen.
Bensen, drinken.
Beseibelen, bedriegen.
Besjoche, zie Mesjoche.
Besjoechem, loos, bij de hand. Die een beetje besjoechem is maakt
wel dat hij op tijd te bikken (eten) heeft.
Besjoechen, verliefd. Je ziet wel, hoe besjoechen zij op mij is.
Besjolemen, betalen. Besjoolmd, (betaald). Als je besjoolmt, dan kun
je slapen.
Besluit, vrouwel. schaamdeelen.
Betoeft, goed weg. Die is betoeft, hij heb een paar meier op ze
kippen. (Die is goed af, hij heeft een paar honderd gulden voor
zijn aandeel). Spottend wordt van iemand die getrouwd is gezegd:
Hij is betoeft.
Betoeg(d), gered, uit den brand, rijk. Een betoege goozer, (een
rijke kerel).
Betoft, onder dak. Als ik jou spiëen had, was ik wel half betoft
of heel.
Bevroren hond, gebochelde.
Bezaar, politiebureau.
Bezarretje, bekeuring. Ze hebben beide een bezarretje gekregen.
Bezokke of Besjoche, gek. (Zie Mesokke).
Bezoles, ziek, bedorven, kapot. (Zie Mezoles).
Bezolletje, koopje. Je hebt er een bezolletje aan.
Bezommen, geld. (Zie Mezommen).
Biet, suiker. Hij peest in de biet, (hij werkt in suiker).
Bivakken, in de open lucht slapen.
Bivakker, daklooze.
Bikken, eten, smullen. Hij bikt van zijn niese (meid).
Bikken-cement, warm eten; ook bikkesment.
Bikker, smulpaap.
Bikkesment, eten; warm eten. Zeg nou niet, dat jij alleen voor 't
bikkesment zorgt.
Bink, man.
Binnenkomen, in de gevangenis geraken.
Binnenmeeluk, binnenzak.
Binnen mikken, geborgen. Die zijn binnen mikken, (die hebben genoeg).
Blad, dak van een huis. Ze gaan met een nijf (mes) het blad op.
Blauw laken, lood.
Bobbert, lichaam, lijf. Op zijn bobbert krijgen (slaag).
Boddie, lijf.
Boender, smeerpoes, vuilik.
Bokkenvreter, veertig gulden.
Bokkepoot, marinier.
Boks, broek.
Boldoveren, zie Baldoveren.
Bollebof, de baas. De bollebof van de keet, (de chef van de zaak).
Commissaris van Politie; Directeur van een gevangenis; kostbaas;
kastelein.
De bollebof van de luimkeet, (de kastelein van de slaapstee).
Die bakker is een godinne bollebof, (een flinke kostbaas).
Bolleboffin, kasteleines.
Bommelen, dobbelen.
Bommelaar, dobbelaar.
Bonjer, gesnapt. Als ik weer bonjer kom (gesnapt word), is het
jou schuld.
Zij werden bonjer geslagen, (verraden aan de politie).
De snees (opkooper), wil ook niet graag bonjer worden.
Bonjer, ruzie, schuld. Je moet noodig nog bonjer tegen me maken. Ik
heb nooit bonjer met hem gehad. Hij gooide de bonjer op mijn. Hij
is bonjer. (Hij is gesnapt). Hij legde mij alle bonjer in de
schoenen. (Hij gaf mij overal de schuld van).
Bonk, leugen, verzinsel.
Bonsen of Bonzen, aardappelen.
Boosjer of Boosor, vleesch.
Boot afhouden, lijntrekken. De dokter zegt dat is maar boot afhouden
(voorgewend ziek zijn om vrij van werk te komen).
Borjen, (zie jenner). Een medespeler voor de leus, die tot het complot
der kwartjes-vinders behoort.
Boterpapiertje, huwelijksbewijs. Wij hebben geen boterpapiertje noodig.
Botten, eten. Botten en bensen (eten en drinken).
Bout, agent van politie, (koperen bout).
Hij is van koper, en niet van goud,
Daarom noemen ze'm, de koperen bout.
De bouten scharrelen hier erg in de beis, (straat of buurt).
Bouten, zich ontlasten, een groote boodschap verrichten.
Boutje, potje, sommetje. Ik waag dat boutje.
Boutkitje, privaat.
Bovenkruis, sleutel. (Zie kienen).
Bovenmeester, commissaris van Politie.
Braceletten, handboeien. (Paternosters).
Brand, hij heb de brand. (Hij is dronken).
Branderig, heet, belust. Hij staat branderig op mijn joekel (hij
heeft veel zin in mijn hond).
Brandspinozer, brandkast.
Branie, heer, praatsmaker.
Brankalie, kaalhoofd.
Brasem, kerel. Wat een olmse brasem is dat. (Wat een gekke kwast
is dat).
Brassen, verlangen, hunkeren.
Brasser, lokduif.
Breektiejijs, breekijzer.
Brem, chocolade.
Broeier, zwerver, daklooze.
Broekmeeluk, broekzak.
Broochem, voorwerp, goederen. Massel en broochem (goede zaken).
Broocher of Broger, man. Een sikkere broger (een dronken man).
Brommer, ketel. Een loensche brommer (een koperen ketel).
Bronzen, slapen.
Bruggetrekker, leeglooper.
Bruintje, bier.
Buiter, dronkaard.
Buizen, drinken, zuipen.
Bulboef, (zie Bollebof).
Bulle, kleeren. Mooie bullen, (zie Spulle).
Bult, bed. Bultzak, beddezak.
Bulten, bevallen. Dat niese moet bulten.
Bijbel, spel kaarten.
Bijl, balie. Ik moet voor de bijl (voor 't gerecht).
Bijt, teleurstelling. Hij ging uit jatten (stelen) maar liep een bijt
op. De grandige had een bijt. (De agent kwam bekaaid weg).
Bijter, nijptang.