Aangebrand, veneriek.
Aanklennen of aankleinen, lijmen, lokken, meetroonen.
Aankwatsen, aanspreken. Een niese (meid) of een sirool (man)
aankwatsen.
Aanschieten, aanvallen. Hij heeft dien vrijer (kerel) aangeschoten.
Aanslaan, aanspreken. Een poging in 't werk stellen. Ik zal dat heertje
reis aanslaan. Sla dien broger (man) aan, misschien heeft hij poen
(geld). Jongens, er moet aangeslagen worden, daar loopt mooi gajes
(menschen daar wat van te halen is).
Aas-Neus, één, twee, (bij 't kaarten en dobbelen).
Aberdoedas of Appeldoedas, zie Haberdoedas.
Achelen, bikken, eten.
Achtermeeluk, zakje, achter op den pantalon.
Achterwiel, rijksdaalder. Er is me een achterwiel voor dien joekel
(hond) geboden.
Adje, agent van politie.
Afdokken, betalen, afstaan.
Afgelajen, af, afgetobd. Me niese is afgelajen. (Mijn meid kan
niet meer).
Afgelooid, van alles beroofd.
Afgrissen, afrukken.
Afleggen, beloeren, ongemerkt nagaan, verkennen. De russen
(rechercheurs) hebben hem afgelegen (beloerd). Dat spiese (huis) moet
eerst afgelegen worden. Een smeris legt je af. (Een agent bespiedt je).
Aflenzen, afloeren.
Afloeken, afloeren. Als het gajes (volk) weggaat, zullen we afloeken,
of het nobel (veilig) is.
Afroojemen, afloeren.
Aftrekken, onanie plegen.
Aftrekker, onanist.
Aksie en refaksie, last en schade. Ga jij maar pleite (weg) met de
kooler (trein), ik ga met de batterik (boot) dan heb je niks geen
aksie of refaksie.
Amper, nauwelijks.
Arres, vrees, angst. In arres zitten. (In angst zitten).
Askelen, handelen; koopen en verkoopen.
Askenen, stelen, bestelen. Zeg mokkeltje, ik heb een mooie gooser
voor je meegebracht, dien kan je askenen. Wel 60 goosers zijn dien
dag geaskend.
Attenoj, hemel, zeg, kijk, als uitroep. Attenoj donder op (zeg ga
weg). Attenoj daar komen Heintje en Pastoortje. (Hemel, daar komen
twee bekende rechercheurs).
Averkoot, zak, beurs.
Azen, twee éénen werpen (bij 't dobbelen).