VOORWOORD.

Ieder, die veel met misdadigers in aanraking komt, weet, dat door

die lieden en hun aanhang woorden en zinnen gebruikt worden, waarvan

de beteekenis voor een oningewijde moeilijk of in het geheel niet te

begrijpen is.

Men noemt dit gebruik van verouderde, verbasterde, uit vreemde talen

al of niet gewijzigd overgenomen of andersgebruikte woorden of het

toekennen van een andere dan de gewone beteekenis aan overigens goed

Nederlandsch, het spreken van de boeventaal, ook wel dieventaal

of Bargoensch. De misdadigers spreken van de Gabbertaal (Gabber =

Kameraad).

Waar een groot deel der kroeghouders van het minste allooi,

slaapsteehouders, prostituées, opkoopers enz. enz., evenals

kwartjesvinders en beroepsmisdadigers zich van deze boeventaal bedienen

en laatstgenoemden zich zelfs zoozeer aan het gebruik daarvan gewend

hebben, dat zij het niet kunnen laten ook in het verkeer met personen,

die niet tot hunne vrienden gerekend kunnen worden, hunne eigenaardige

uitdrukkingen te bezigen, daar is het wenschelijk, dat in de eerste

plaats de politie, maar ook de justitie- en gevangenis-ambtenaren

moeite doen om die taal te leeren verstaan.

Voor de politie is dit wel in het bijzonder wenschelijk. Immers,

een enkele bijzondere uitdrukking in het Bargoensch, opgevangen in

het voorbijgaan, zal voor een politieman, die de taal kent, voldoende

zijn om te weten, dat hij te doen heeft met "jongens van de vlakte",

die in 't oog gehouden moeten worden. Ook wanneer misdadigers, die

bij hun "werk" op heeterdaad betrapt worden, elkaar in het Bargoensch

een aanwijzing geven voor de verder te volgen gedragslijn, zal de

politiebeambte, die de taal verstaat, beter zijn maatregelen kunnen

treffen dan hij die er nimmer iets van hoorde. Bij het verhooren

van publieke vrouwen, opkoopers, pandjeshuis-houders en dergelijke,

evenals bij het ondervragen van verdachten, zullen verschillende

uitdrukkingen nadere verklaring behoeven, wanneer de ambtenaar,

die het onderzoek leidt, niet met de dieventaal bekend is of geen

hulpmiddel bij de hand heeft, waarin hij de verklaring van de

onbekende uitdrukking kan opzoeken. Die nadere verklaring kan hij,

bij gemis van een woordenlijst, voorloopig alleen verkrijgen van

hem, die in verhoor is en deze wint dus, door het gebruik van zijn

eigenaardige taal, tijd, wat voor hem van groot belang is, omdat

hij er dan nog eens op zijn gemak over kan nadenken, wat hij den

ambtenaar op de mouw zal spelden. Later, voor den rechter, zal de

beroepsmisdadiger of de getuige tegen wil en dank--als blijkt dat

zijn opgaven niet juist geweest zijn--niet aarzelen te zeggen, dat

de politie hem misverstaan heeft en dat hij geheel te goeder trouw

was. Hij zal zelfs bereidwillig herhalen de uitdrukking, die hij

beweert gebezigd te hebben, en de politieman, die de taal niet kent,

zal zulks dan niet meer voldoende kunnen tegenspreken.

Ook de rechter, die te oordeelen heeft over de beteekenis van een

gebezigde Bargoensche uitdrukking, tast dikwijls in het duister,

omdat hij de taal niet verstaat en hij ook moeilijk een anderen

misdadiger als deskundige kan hooren.

Dat in gevangenissen door de bevolking heel wat besproken, afgesproken

en getikt kan worden, als de bewaarders niet met het Bargoensch bekend

zijn, behoeft geen betoog.

Een eenigszins betrouwbare woordenlijst van de Nederlandsche boeventaal

bestond tot heden niet, hoewel er wel behoefte aan gevoeld wordt.

Nu is het een gelukkig verschijnsel, dat in den laatsten tijd

verschillende ambtenaren--het groote belang dezer aangelegenheid

begrijpende--de woorden en uitdrukkingen uit het Bargoensch, die

zij bij de uitoefening van hun dienst hoorden gebruiken, hebben

opgeschreven met de beteekenis, die er algemeen aan gegeven wordt,

er bij. Dit heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van deze

woordenlijst die, hoewel niet volmaakt, toch reeds vrij volledig is.

Ik heb niet gerust voordat ik bewerkt had, dat deze vrucht van

voortdurende oplettendheid en nauwkeurige aanteekening, door de

drukpers vermenigvuldigd kon worden, opdat velen daarvan een nuttig

gebruik zouden kunnen maken, en ik heb dan ook niet geaarzeld te

voldoen aan het verzoek van den Uitgever om een aanbevelend woord

aan dit werkje te doen voorafgaan.

W. L. H. Köster Henke. Amsterdam, Mei 1906.

De Boeventaal Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte · 第 2 / 32 题