„Lizzy, Lizzy, waar blijf je toch! We wachten al een uur op je,” klinkt
gedempt Eefs stem onder aan de trap.
„'k Ben er al,” roep ik terug, met 'n zwaai 'n bonten cape-je werpend
over m'n nieuwe zwarte japon, die ik vanmiddag ter eere van 't kerstmaal
bij onze buren, voor 't eerst draag. 'n Muts heb ik al op; in 'n oogwenk
is 't licht uit en ren ik de trappen af.
„Stil, stil, denk aan 't kind. Ze slaapt net,” waarschuwt Eef, want
't kleintje, hoewel meegevraagd, blijft onder de hoede van ons tweede
meisje thuis, dan zal Eef 't na afloop van 't diner zelf even komen
uitkleeden en naar bed brengen. Dat is voor alle partijen gemakkelijker
en rustiger.
Moeder en Herman staan al in de open voordeur.
„Wat ben je weer op je teut! We wisten niet waar je bleef,” zegt Flip,
terwijl we achter elkaar 't huis verlaten en 't hekje bij de van
Slootens doorgaan.
„M'n haar wou niet goed zitten, en toen heb ik 't nog 's overgedaan,”
zeg ik, voelend, dat ik toch iets tot m'n verdediging moet aanvoeren,
want ik heb geruimen tijd boven doorgebracht, al kon ik ditmaal aan m'n
toilet al heel weinig tijd en zorg besteden.
Voor niets ter wereld zou ik willen bekennen wat de werkelijke reden van
m'n laat-zijn is! Zelfs moeder zou me uitlachen, en eigenlijk begrijp
ik zelf niet, hoe ik zoo dwaas kwam, maar voor ik me ging aankleeden
scharrelde ik in m'n linnenkastje, waar ik uit m'n oude handschoenendoos
'n ceintuurspeld wou opdiepen, die ik noodig had en dadelijk vond. In
diezelfde doos tusschen allerlei reliquieën lag echter ook 't kleine
zilveren ringetje, dat ik vroeger van Huib kreeg en ik kon ineens de
verzoeking niet weerstaan 't even aan te doen. 't Paste net aan m'n
pink; 't ging zelfs nogal stroef, maar ik schoof 't er toch aan en toen
wilde 't er niet meer af......
'k Was wanhopig. Ik kon dat kinderringetje toch niet aanhouden! Als 't
opviel—en daar was aan 'n diner heel veel kans op—zou ik me doodschamen,
want natuurlijk zouden ze 't herkennen. Ik droeg 't vroeger altijd;
heb zelfs nooit 'n anderen ring bezeten. Ik schold mezelf uit voor
eend en ezel, rukte en trok tot m'n pink vuurrood zag, hield m'n hand
in de hoogte om m'n vinger dunner te krijgen, maar niets baatte en in
vertwijfeling greep ik toen naar de nagelschaar en knipte 't door......
't Ging me aan 't hart van „le cher anneau d'argent,” maar 't was 't
eenige wat er op zat. De tijd drong bovendien. 't Is heusch 'n wonder,
dat ik zoo gauw klaar was met m'n toilet! Geteut heb ik allerminst! Ik
gloei van 't jachten en ben nog half buiten adem van den doorgestanen
schrik en die zonderlinge emotie, als we bij de van Slootens op de stoep
staan.
Herman belt en Flip neuriet van:
„Vol verwachting klopt ons hart,” geheel onbewust van 't zeer
toepasselijke van dit meer dan afgezaagde Sinterklaaslied, tenminste wat
_mijn hart_ betreft!
Moeder geeft me ongemerkt 'n hartelijk kneepje in m'n arm. Zij is de
eenige, die vermoedt wat er in mij omgaat, maar ik houd me taai en knik
haar even gerustellend toe, terwijl we in de vestibule ons goed afdoen.
Láf vind ik mezelf, om op te zien tegen dit kerstdiner, waarnaar ik zóó
verlangd heb.
Toch tril ik 'n beetje, als we in den salon gelaten worden, waar de
gastheer en gastvrouw met hun drie zoons bijeen zijn om den helder
opvlammenden haard, waarin groote houtblokken knetteren.
Hartelijk worden we begroet.
In Huibs blauwe oogen flitst even iets. Ik sla de mijne neer, terwijl ik
hem 'n hand geef, begin dan gauw 'n gesprek met Leo, die naar Eefje
vraagt.
We zijn nog niet uitgepraat, als de schuifdeuren geopend worden en we
naar tafel gaan.
Meneer van Slooten met moeder, Herman met mevrouw, Huib.... met Eef en
ik met Leo. Flip en Bernard ook gearmd, besluiten den optocht.
De ronde tafel, waaraan ik al menig klein dinertje heb meegemaakt—als
er veel menschen zijn, staat er 'n lange smalle—prijkt met 'n aardige
en smaakvolle versiering van hulst en mistletoe, waartusschen kaarsen
branden in mooie ouderwetsche kandelaars van gedreven zilver en verder
in de kamer op 't buffet, den schoorsteen, en boven de lijsten der
schilderijen glanzen de vroolijke roode hulstbessen en de bescheiden
witte van de mistletoe, die ik bijna nog mooier vind. 't Is 'n
feestelijke aanblik.
„Net 'n Engelsch kerstplaatje,” zegt Herman, terwijl we gaan zitten.
„Waarom Engelsch? Net zoo goed Hollandsch!” roept Eef.
„Weet je nog wel, 'n jaar of drie geleden, toen je hier een van de
kerstdagen voor 't eerst kwam met je aanstaanden man?” vraagt mevrouw
haar.
„Nou, of ze het nog weten,” en meneer van Slooten wijst veelbeteekenend
naar 'n hoekje bij den schoorsteen, „daar under the mistletoe, hé!
Voor jonge menschen is kerstmis eigenlijk net zoo geschikt als de
wunderschöne Monat Mai. Dat heb ik tóen gemerkt,” plaagt hij, en Eef en
Herman zien elkaar lachend aan.
Ik verbeeld me, dat Huib, die naast me zit, kleurt, maar heel zeker weet
ik 't niet. Ik kan hem alleen van terzijde zien en durf hem niet goed
waarnemen, hoewel m'n eigen wangen al zóó gloeien, dat ik niet bij
machte ben er nog 'n kleur overheen te krijgen. 't Is hier ook zoo warm!
„Help me onthouden, Lizzy, dat ik je na tafel 't cadeautje geef, dat ik
uit Hamburg voor je heb meegebracht. Je verdient 't, want je ziet er
_uitstekend_ uit,” zegt Huib 'n oogenblik later zacht en er licht iets
plagends in z'n oogen.
„Graag, hoor. 'k Ben erg benieuwd,” antwoord ik zoo gewoon mogelijk,
„want ik ben overtuigd dat mijn uitzicht meer dan welvarend is.”
Verder zeggen we niet veel tegen elkaar. Af en toe heeft hij 't eens
over Hamburg en vertelt tot m'n schrik, dat hij er misschien gauw wéér
voor 'n poosje heen zal moeten, maar 't meest praat hij met Eef en ik
met Leo, die aan m'n anderen kant zit en erg spraakzaam is en met
Bernard, die zich zeer gewichtig voelt in z'n ambt van voorsnijder en
met bewonderenswaardige handigheid den kalkoen weet te ontleden, totdat
er onverhoeds 'n stuk van de vork afglijdt en hij zichzelf en 't
tafellaken vol jus spat.
Ik moet onbedaarlijk lachen; ik zou om álles kunnen gieren, geloof ik,
maar dan beheersch ik me en verschik de tafelversiering wat over de
jusvlekken, terwijl hij met z'n servet de spatten van z'n jas tracht te
verwijderen.
„Als ik niet zoo ver van je af zat, zou ik je net als 'n klein jongetje
afvegen, maar nu moet je jezelf maar redden”, plaagt mevrouw van Slooten
haar jongsten zoon, die zich echter niet veel van 't ongeluk aantrekt,
maar mij verzekert, dat hij zich op me wreken zal, zoo gauw hij in de
gelegenheid is, omdat ik hem zoo heb zitten uitlachen.
En die gelegenheid heeft hij helaas gauw genoeg! Ik heb namelijk de
noodlottige gewoonte om als ik pantoffels of lage schoentjes aan heb,
zooals nu, daar aldoor mee te zitten balanceeren. Vooral als ze wat
wijd zijn, kan ik niet nalaten er af en toe eens in en uit te wippen
en ook nu, terwijl meneer van Slooten me iets heel ingewikkelds over
vliegmachines zit uit te leggen, betrap ik m'n voeten op 't spelletje,
dat ze weer onder tafel aan 't spelen zijn. Net als onze gastheer heeft
uitverteld, er even 'n algemeene pauze ontstaat en Léo zeer origineel
opmerkt:
„Daar gaat 'n dominé voorbij”, glijdt met 'n plof m'n linkerschoen tegen
den tafelpoot!
Iedereen begrijpt wat er gebeurt. Moeder kijkt me afkeurend aan en
ik wil 't dierbaar pand juist behendig met de punt van m'n voet weer
oppikken, als Bernard zich bukt en onder algemeen gelach met mijn schoen
opduikt.
„Mooi zoo, Lizzy, die mag ik zeker wel als doux souvenir aan dit
onvergetelijke kerstmaal bewaren! Och, och, wat 'n lieve voetjes heeft
dat buurmeisje van ons,” en hij bekijkt den schoen, die volstrekt niet
klein is, aan alle kanten. Ik schaam me diep. Huib en Leo naast me
schudden.
„Geef hier. Toe, geef nou hier,” smeek ik, maar Bernard is er niet
toe te bewegen en gaat er op zitten, zoo gauw de meid met de brandende
plum-pudding binnenkomt. Leentje heeft 't toch gezien of begrepen; er
speelt tenminste 'n lacherig trekje om haar mond. Onuitstaanbaar vind
ik 't, maar 'k zal net doen of 't me niet schelen kan, er niet meer om
vragen en m'n dwaas figuur zooveel mogelijk zien te redden door druk
te praten, en ik begin op mijn beurt tegen meneer van Slooten, die 'n
groot kunstliefhebber is, over 'n schilderijententoonstelling hier in
de stad, waar ik met Flip en Emmy van der Marck geweest ben. Meneer van
Slooten heeft medelijden met m'n hachelijken toestand en helpt me heel
goedig door oplettend te luisteren en me dan eenige bizonderheden te
vertellen van 'n schilder, dien hij persoonlijk kent en die ook 'n paar
schilderijen heeft ingezonden, waarvan er een verkocht is. 't Kan me
niets schelen, maar ik veins zoo'n levendige belangstelling in dien mij
gansch onbekenden man, dat Bernard er heelemaal de dupe van is en me na
tafel, als ik me op één schoen en één kous naar den salon begeven wil,
waar we de koffie zullen gebruiken met 'n: „Nou zou je 'n zeker iets nog
hier laten liggen,” mij mijn eigendom met 'n diepe buiging aanbiedt, en
ik me dus weer „fatsoenlijk gelaarsd en gespoord”, zooals Herman
opmerkt, bewegen kan.
Eef vraagt verlof om 't kleintje te gaan helpen en verdwijnt van 't
tooneel. De heeren, plotseling in de politiek verdiept, staan allen bij
elkander, behalve Huib, die met z'n kopje in de hand naast me komt
staan.
„Wil jij geen koffie?” en hij ziet me zoo innig aan, alsof hij iets
heel bizonders vroeg.
„Nee,” zeg ik zacht. Ik zou niets meer naar binnen kunnen krijgen, nu ik
voel, dat 't oogenblik, waarnaar ik zóó verlangd heb, genaderd is.
Hij zegt niets, staat stil naast m'n stoel in z'n kopje te roeren, zet
't dan afgetrokken neer, zonder 't uit te drinken, maar als zijn vader
de heeren verzoekt mee te gaan rooken, legt Huib vastberaden z'n hand op
de leuning.
„Ga je nu even mee naar m'n kamer? Dan zal ik je 't presentje uit
Hamburg geven!”
„Ja goed,” zeg ik opstaande en hem volgend, bevend op m'n beenen,
terwijl moeder en mevrouw van Slooten alleen bij den zacht knetterenden
haard achterblijven.
Ik kijk niet om, maar ik wéét dat zijn moeder net zoo goed als de mijne
begrijpt, wat er gebeuren gaat.... Zou Huib 't ook verteld hebben?..
Zwijgend loopen we achter elkaar de trap op naar zijn kamer, waar 't
licht brandt en de kachel gloeit. 't Is 'n klein, vierkant vertrek, rood
behangen met gordijnen in dezelfde warm-roode tint. 'n Schrijftafel vol
portretten, waaronder ik dadelijk 't bewuste kiekje in 't Parijsche
lijstje opmerk, en 'n eikenhouten boekenkast zijn er de voornaamste
meubelen. 'n Paar etsen en 'n rekje met oud-blauwe bordjes hangen
aan den muur. Op den schoorsteen staat de kleine wit-marmeren pendule
gejaagd te tikken tusschen twee antieke tinnen kannen. In één er van is
'n reuzenbos hulst en mistletoe geschikt.
„Dat is in lang niet gebeurd, dat we hier samen waren, hè Lizzy?”
„Nee, ik geloof met die gedichten voor Bé's bruiloft 't laatst. Weet
je nog wel dat souper boven bij ons in den salon, dien avond van de
vertooningen?” Ik zie Huib vol aan, volkomen rustig nu we samen zijn.
„Zoo fleurig als alles toen was bij jullie! Wie had kunnen denken, dat
't zoo gauw veranderen zou!”
„Nee, we dachten aan niets dan aan vroolijke dingen en toch was 't
verdriet al zóó dichtbij. Ik kan me niet begrijpen, dat 't nog maar
zoo kort geleden is! Zoo ontzettend veel als er in die enkele maanden
gebeurd is,” en onwillekeurig ril ik en houd m'n handen dichter bij 't
vuur.
„Heb je 't koud? Toe, ga even zitten,” en hij schuift 'n lagen,
makkelijken stoel bij de kachel, duwt er me zacht in en gaat dan in z'n
boekenkast scharrelen.
„Hier,” zegt hij, 'n klein pakje voor me op tafel leggend, „dat had ik
je toegedacht. Ik hoop niet, dat je 't kinderachtig vindt, maar ik hou
zelf zoo van de sprookjes van Andersen, dat ik niet kon nalaten dit
Duitsche exemplaartje voor je te koopen!”
„O Huib, hoe lief van je! Wat ben ik dáár blij mee,” en ik bewonder 't
fijne, zeer smaakvol ingebonden en geïllustreerde boekje, blader er in
met sidderende vingers. „Dank je wel hoor,” en ik steek hem m'n hand
toe, die hij grijpt in zijn beide handen en vasthoudt.
Ik zie naar hem op, even maar......
Dan buig ik 't hoofd, kijk strak naar 't boekje in m'n schoot. Nu is 't
gekomen, nu gaat hij 't zeggen...... Mijn hand trilt in zijn handen.
„Lizzy, o als je 's wist, hóe ik naar je verlangd heb! Hoe ongerust ik
over je geweest ben toen ze me schreven, dat je ziek was! O, ik heb
zulke vreeselijke dagen gehad daar in Hamburg! Zóó ver van je vandaan!
Als moeder niet geschreven had, dat je werkelijk buiten levensgevaar
was, was ik teruggekomen, zoo zeker als ik hier voor je sta. En nu _wil_
ik 't weten, vóór ik er misschien weer heen moet, al is 't dan ook pas
over veertien dagen en voor korter tijd! Toe, zeg me ronduit Lizzy, geef
je om me? Zou je van mij kunnen houden, zooals ik nu van jou hou? Toe,
zeg 't me!”
De sprookjes van Andersen glijden op den grond...... Ik sta op, sla m'n
armen om z'n hals en fluister bevend:
„Ja, Huib, ik hou van je.”
* * * * *
Wat er verder gebeurde zou ik niet goed onder woorden kunnen brengen, om
de eenvoudige reden, dat er voor zóó'n geluk als 't onze geen woorden
bestaan, maar we schrikten vreeselijk, Huib en ik, toen er geklopt werd
en Leentje dood-nuchter met de boodschap aankwam: of meneer Huib en de
juffrouw toch alsjeblieft beneden kwamen theedrinken!
Ik stóóf op zij, doch „meneer Huib” draaide met groote tegenwoordigheid
van geest 't licht uit en antwoordde:
„Goed Leentje, we komen.” Maar we kwamen nog niet. Proestend stonden we
in 't donker. We konden haast niet tot bedaren komen. Telkens maakten we
elkaar weer aan den gang.
„Schei er nou uit, Huib,” smeekte ik, en dan hij weer:
„Lizzy, hou op. Nou moet 't gedaan zijn, of ik ga Leentje halen,” en dan
gierden we 't weer allebei uit.
Toen hoorden we werkelijk voor de tweede maal iemand de trap opkomen en
dat kalmeerde ons voor goed.
„Kom nu,” zei Huib en hand in hand traden we op 't portaal.
„Zoo, zijn jullie daar eindelijk. We begrepen niet waar jullie bleven,”
en Léo zag ons even met bevreemding aan, lachte en liet ons toen
passeeren. We zeiden niets vóór we in den salon terug waren. Aller
blikken werden op ons gevestigd toen we midden onder de gastkroon staan
bleven en Huib duidelijk, maar toch met trillende stem zei:
„Mag ik hier aan alle aanwezigen mijn aanstaande vrouw voorstellen!”
Eén oogenblik was 't doodstil; daarop barstten de gelukwenschen los en
verdrong iedereen zich om ons. Ik viel lachend en schreiend tegelijk
moeder om den hals, werd toen door meneer en mevrouw van Slooten
meegetrokken naar de andere kamer onder de mistletoe, waar ieder van
z'n privilege gebruik maakte en ik zoo gekust werd, dat m'n wangen nog
meer gingen gloeien, tot groot plezier van Eef en Herman, die 't meest
verrast bleken, want de anderen verzekerden allemaal, „dat ze 't wel
hadden zien aankomen.”
't Was 'n onbeschrijfelijke herrie. Léo haalde Champagne, en Flip en
Bernard zetten 'n „lang zullen ze leven” in, tot meneer van Slooten met
z'n glas in de hand ons begon toe te spreken, eenvoudig en hartelijk.
Hij hoopte dat moeder, hoewel er nog niet officieel om haar toestemming
gevraagd was, net zoo ingenomen zou zijn met haar aanstaanden
schoonzoon, als hij en zijn vrouw 't waren met hun aanstaande
schoondochter, die ze al zóóveel jaren kenden, dat 't hun niet moeielijk
zou vallen, haar als een eigen dochter in hun kring op te nemen. Wel
waren we allebei nog erg jong, zoodat er van trouwplannen vooreerst nog
wel niets zou komen, maar dat jong-zijn was 'n kwaal, die er met den
dag op verbeterde! Wij hadden zooveel jeugdherinneringen samen en zoo
ruimschoots de gelegenheid gehad elkaar te leeren kennen, dat hij geen
vrees koesterde voor 'n verbintenis als de onze, die uit geen enkele
andere overweging kón zijn voortgekomen, dan uit wederzijdsche zuivere
genegenheid, waar 't ten slotte toch eigenlijk alleen op aankwam en na
onze handen plechtig in elkaar gelegd te hebben, hief hij z'n glas op
om te drinken op ons geluk, waarin ze zich allen oprecht verheugden.
't Klonk zoo spontaan, zoo echt hartelijk-gemeend, dat we allen onder
den indruk waren en bléven tot er afscheid genomen werd.
„Mag ik morgen en alle verdere dagen, die ik nog in de stad ben, vroeg
komen en héél lang blijven, om zooveel mogelijk aan m'n meisje te
hebben, mevrouw,” vroeg Huib zich naar moeder overbuigend.
„Natuurlijk, beste jongen. Je zult altijd welkom zijn,” en moeder kuste
hem, zooals ze 't Flip gedaan zou hebben......
Nu, Huib houdt haar wel aan haar woord!
's Morgens, soms onder 't ontbijt al, hoor ik z'n fluitje en komt hij
over 't hekje klimmen, waarna ik natuurlijk onmiddellijk overeind vlieg
en de serre-deuren open om hem binnen te laten, hoewel Flip beweert,
dat dat engagement van mij hem nog stijf van de rheumathiek zal maken,
tenminste als ik hem de heele vacantie door zoo op den tocht zet. Maar
zoo'n vaart zal 't wel niet loopen.
Hij dreigt ons, dat hij zich ter vertroosting nu misschien ook maar gauw
'n meisje zal aanschaffen, want in de rol van „overgeschoten brokje”
heeft hij geen zin. 't Wordt wél tijd voor hem, vinden we!
„Al bijna meerderjarig man en nòg niets in 't zicht”, plaagt Max hem.
Maar dan krabbelt Flip terug, zegt, dat de tijden zoo verbasteren en dat
hij 't laatste jaar eigenlijk geen enkel aardig meisje ontmoet heeft en
er niet willens en wetens, zooals Huib en de zwagers, wil invliegen.
Zijn vrijheid is hem toch wel veel waard, en dan neemt hij zich voor,
zich voorloopig nog maar met moeder tevreden te stellen en verlaat ons
met 'n:
„En amuseeren jullie je nou maar verder met de sprookjes van Andersen!”
Die sprookjes van Andersen! Daar moeten Huib en ik wat van hooren! We
zouden ze samen lezen en ze liggen dan ook altijd klaar met 'n keurig
linnen omslagje om 't teere bandje, zoodat er niets aan kan komen, maar
we hebben elkaar zooveel te vertellen, dat we tot nog toe geen
gelegenheid tot lezen konden vinden....
Ons engagement is publiek. Er was geen enkele reden 't langer geheim te
houden. Natuurlijk is er geen receptie. De kaartjes zijn eergisteren in
zee gegaan en de eerste visites bij de zusters en zwagers en bij tante
Suze hebben we gemaakt.
Ada, Roosje en Emmy van der Marck kwamen ons feliciteeren, evenals nicht
Georgine en de Verhooghjes, die 't al wisten vóór ze de kaartjes
kregen!!
We zijn zoo gelukkig! 't Is nu alles zoo rustig, zoo heerlijk vertrouwd
tusschen Huib en mij....
Ik heb hem gezegd wat 'n verdriet ik gehad heb om die praatjes over
hem en Annie Westenbergh. Hoe vreeselijk jaloersch ik was en hoe lang,
hoe héél lang ik al van hem hou. Die jaloezie vond hij wel niet mooi,
maar eigenlijk heeft hij er me nu des te liever om. „'t Streelt m'n
ijdelheid”, plaagt hij.
't Kapotte ringetje, waarvan ik hem vertelde, heb ik hem op z'n dringend
verzoek teruggegeven. Hij wou 't zóó graag hebben en we dragen nu toch
ieder 'n echten verlovingsring, dus stond ik 't hem maar af, overtuigd
dat 't bij hem goed bewaard is.
Nu weet ik ook, dat hij me al had willen vragen vóór hij naar Hamburg
ging. 't Viel hem hard zoo lang en zoo ver weg te moeten en geen
volkomen zekerheid te hebben, of ik van hem hield en op hem wilde
wachten. Maar hij durfde niets zeggen, omdat ik pas zoo'n groot verdriet
gehad had en er uitzag, of ik voor niets anders vatbaar was. Hij voelde
zich nooit zóó ellendig als dien avond toen hij afscheid kwam nemen
en Léo en Bernard op z'n eigen verzoek meekwamen, daar hij er te veel
tegenop zag, mij alleen goeiendag te zeggen. En dan die angst toen hij
hoorde, dat ik ziek was! Hij rilde, terwijl hij zich daarin verdiepte,
maar ik troostte hem:
„Kom, malle jongen! 't Was heusch zoo erg niet met me. En nu ben ik weer
zoo sterk als 'n paard!”
Ik moet hem telkens beloven, dat ik zorgen zal er even gezond uit te
zien als nu, wanneer hij in Maart—vóór mijn verjaardag, die den 19en
is—voor goed terugkomt.
Den 6en Januari moet hij al weer weg; vróeger dan we eerst gedacht
hadden, maar 't kan niet anders en hoewel de teleurstelling erger is dan
ik wil laten blijken, ben ik er toch trotsch op, dat ze hem daarginds
noodig hebben, omdat hij de aangewezen persoon is, om 't bijkantoor van
zijn vaders bankierszaak, dat in Hamburg wordt opgericht, in orde te
brengen.
We doen ons best nog maar niet te veel aan die scheiding van enkele
maanden te denken. We willen wijs zijn en van 't tegenwoordige genieten.
Morgen begint 't nieuwe jaar.
't Oude met al z'n verdriet en geluk is bijna ten einde. Nog nooit heb
ik 'n tijd beleefd, waarin verdriet en geluk elkaar zóó afwisselden.
Voor Huib is 't ook 'n lang en 'n moeilijk jaar geweest, en toch is 't
ons beiden zoo lief....
Vanavond komen de zusters en zwagers hier. We zullen de klok van twaalf
niet afwachten, zooals andere jaren, maar moeder wil toch even alle
kinderen om zich heen hebben, ondanks die ééne ledige plaats....
Wat vader wel zeggen zou van den ~nieuwe~, die er is bijgekomen?
Hij hield zoo van Huib. Hij zou er zeker blij om zijn en net als moeder
de overtuiging hebben, dat hij 't Piepkuikentje aan geen trouwere handen
zou kunnen overgeven....
Samen zitten we bij 't vuur, Huib en ik.
'n Groote bouquet van witte rozen en seringen, die Liesje en Bobbie ons
gisteren zijn komen brengen, geurt er op tafel. 't Is al donker. Buiten
sneeuwt 't en er waait 'n ijzige noordoosten wind. Maar 'n sombre dag
als deze deert ons niet. Wij zitten hier veilig, hand in hand, en
luisteren naar 't loeien van den wind in den schoorsteen en zien elkaar
aan, zwijgend met stralende oogen, vol vertrouwen, dat 't goed en mooi
zal blijven tusschen ons, wát er ook gebeurt.
[decoratieve illustratie]