HOOFDSTUK IX.

„Lizzy, Lizzy, waar blijf je toch! We wachten al een uur op je,” klinkt

gedempt Eefs stem onder aan de trap.

„'k Ben er al,” roep ik terug, met 'n zwaai 'n bonten cape-je werpend

over m'n nieuwe zwarte japon, die ik vanmiddag ter eere van 't kerstmaal

bij onze buren, voor 't eerst draag. 'n Muts heb ik al op; in 'n oogwenk

is 't licht uit en ren ik de trappen af.

„Stil, stil, denk aan 't kind. Ze slaapt net,” waarschuwt Eef, want

't kleintje, hoewel meegevraagd, blijft onder de hoede van ons tweede

meisje thuis, dan zal Eef 't na afloop van 't diner zelf even komen

uitkleeden en naar bed brengen. Dat is voor alle partijen gemakkelijker

en rustiger.

Moeder en Herman staan al in de open voordeur.

„Wat ben je weer op je teut! We wisten niet waar je bleef,” zegt Flip,

terwijl we achter elkaar 't huis verlaten en 't hekje bij de van

Slootens doorgaan.

„M'n haar wou niet goed zitten, en toen heb ik 't nog 's overgedaan,”

zeg ik, voelend, dat ik toch iets tot m'n verdediging moet aanvoeren,

want ik heb geruimen tijd boven doorgebracht, al kon ik ditmaal aan m'n

toilet al heel weinig tijd en zorg besteden.

Voor niets ter wereld zou ik willen bekennen wat de werkelijke reden van

m'n laat-zijn is! Zelfs moeder zou me uitlachen, en eigenlijk begrijp

ik zelf niet, hoe ik zoo dwaas kwam, maar voor ik me ging aankleeden

scharrelde ik in m'n linnenkastje, waar ik uit m'n oude handschoenendoos

'n ceintuurspeld wou opdiepen, die ik noodig had en dadelijk vond. In

diezelfde doos tusschen allerlei reliquieën lag echter ook 't kleine

zilveren ringetje, dat ik vroeger van Huib kreeg en ik kon ineens de

verzoeking niet weerstaan 't even aan te doen. 't Paste net aan m'n

pink; 't ging zelfs nogal stroef, maar ik schoof 't er toch aan en toen

wilde 't er niet meer af......

'k Was wanhopig. Ik kon dat kinderringetje toch niet aanhouden! Als 't

opviel—en daar was aan 'n diner heel veel kans op—zou ik me doodschamen,

want natuurlijk zouden ze 't herkennen. Ik droeg 't vroeger altijd;

heb zelfs nooit 'n anderen ring bezeten. Ik schold mezelf uit voor

eend en ezel, rukte en trok tot m'n pink vuurrood zag, hield m'n hand

in de hoogte om m'n vinger dunner te krijgen, maar niets baatte en in

vertwijfeling greep ik toen naar de nagelschaar en knipte 't door......

't Ging me aan 't hart van „le cher anneau d'argent,” maar 't was 't

eenige wat er op zat. De tijd drong bovendien. 't Is heusch 'n wonder,

dat ik zoo gauw klaar was met m'n toilet! Geteut heb ik allerminst! Ik

gloei van 't jachten en ben nog half buiten adem van den doorgestanen

schrik en die zonderlinge emotie, als we bij de van Slootens op de stoep

staan.

Herman belt en Flip neuriet van:

„Vol verwachting klopt ons hart,” geheel onbewust van 't zeer

toepasselijke van dit meer dan afgezaagde Sinterklaaslied, tenminste wat

_mijn hart_ betreft!

Moeder geeft me ongemerkt 'n hartelijk kneepje in m'n arm. Zij is de

eenige, die vermoedt wat er in mij omgaat, maar ik houd me taai en knik

haar even gerustellend toe, terwijl we in de vestibule ons goed afdoen.

Láf vind ik mezelf, om op te zien tegen dit kerstdiner, waarnaar ik zóó

verlangd heb.

Toch tril ik 'n beetje, als we in den salon gelaten worden, waar de

gastheer en gastvrouw met hun drie zoons bijeen zijn om den helder

opvlammenden haard, waarin groote houtblokken knetteren.

Hartelijk worden we begroet.

In Huibs blauwe oogen flitst even iets. Ik sla de mijne neer, terwijl ik

hem 'n hand geef, begin dan gauw 'n gesprek met Leo, die naar Eefje

vraagt.

We zijn nog niet uitgepraat, als de schuifdeuren geopend worden en we

naar tafel gaan.

Meneer van Slooten met moeder, Herman met mevrouw, Huib.... met Eef en

ik met Leo. Flip en Bernard ook gearmd, besluiten den optocht.

De ronde tafel, waaraan ik al menig klein dinertje heb meegemaakt—als

er veel menschen zijn, staat er 'n lange smalle—prijkt met 'n aardige

en smaakvolle versiering van hulst en mistletoe, waartusschen kaarsen

branden in mooie ouderwetsche kandelaars van gedreven zilver en verder

in de kamer op 't buffet, den schoorsteen, en boven de lijsten der

schilderijen glanzen de vroolijke roode hulstbessen en de bescheiden

witte van de mistletoe, die ik bijna nog mooier vind. 't Is 'n

feestelijke aanblik.

„Net 'n Engelsch kerstplaatje,” zegt Herman, terwijl we gaan zitten.

„Waarom Engelsch? Net zoo goed Hollandsch!” roept Eef.

„Weet je nog wel, 'n jaar of drie geleden, toen je hier een van de

kerstdagen voor 't eerst kwam met je aanstaanden man?” vraagt mevrouw

haar.

„Nou, of ze het nog weten,” en meneer van Slooten wijst veelbeteekenend

naar 'n hoekje bij den schoorsteen, „daar under the mistletoe, hé!

Voor jonge menschen is kerstmis eigenlijk net zoo geschikt als de

wunderschöne Monat Mai. Dat heb ik tóen gemerkt,” plaagt hij, en Eef en

Herman zien elkaar lachend aan.

Ik verbeeld me, dat Huib, die naast me zit, kleurt, maar heel zeker weet

ik 't niet. Ik kan hem alleen van terzijde zien en durf hem niet goed

waarnemen, hoewel m'n eigen wangen al zóó gloeien, dat ik niet bij

machte ben er nog 'n kleur overheen te krijgen. 't Is hier ook zoo warm!

„Help me onthouden, Lizzy, dat ik je na tafel 't cadeautje geef, dat ik

uit Hamburg voor je heb meegebracht. Je verdient 't, want je ziet er

_uitstekend_ uit,” zegt Huib 'n oogenblik later zacht en er licht iets

plagends in z'n oogen.

„Graag, hoor. 'k Ben erg benieuwd,” antwoord ik zoo gewoon mogelijk,

„want ik ben overtuigd dat mijn uitzicht meer dan welvarend is.”

Verder zeggen we niet veel tegen elkaar. Af en toe heeft hij 't eens

over Hamburg en vertelt tot m'n schrik, dat hij er misschien gauw wéér

voor 'n poosje heen zal moeten, maar 't meest praat hij met Eef en ik

met Leo, die aan m'n anderen kant zit en erg spraakzaam is en met

Bernard, die zich zeer gewichtig voelt in z'n ambt van voorsnijder en

met bewonderenswaardige handigheid den kalkoen weet te ontleden, totdat

er onverhoeds 'n stuk van de vork afglijdt en hij zichzelf en 't

tafellaken vol jus spat.

Ik moet onbedaarlijk lachen; ik zou om álles kunnen gieren, geloof ik,

maar dan beheersch ik me en verschik de tafelversiering wat over de

jusvlekken, terwijl hij met z'n servet de spatten van z'n jas tracht te

verwijderen.

„Als ik niet zoo ver van je af zat, zou ik je net als 'n klein jongetje

afvegen, maar nu moet je jezelf maar redden”, plaagt mevrouw van Slooten

haar jongsten zoon, die zich echter niet veel van 't ongeluk aantrekt,

maar mij verzekert, dat hij zich op me wreken zal, zoo gauw hij in de

gelegenheid is, omdat ik hem zoo heb zitten uitlachen.

En die gelegenheid heeft hij helaas gauw genoeg! Ik heb namelijk de

noodlottige gewoonte om als ik pantoffels of lage schoentjes aan heb,

zooals nu, daar aldoor mee te zitten balanceeren. Vooral als ze wat

wijd zijn, kan ik niet nalaten er af en toe eens in en uit te wippen

en ook nu, terwijl meneer van Slooten me iets heel ingewikkelds over

vliegmachines zit uit te leggen, betrap ik m'n voeten op 't spelletje,

dat ze weer onder tafel aan 't spelen zijn. Net als onze gastheer heeft

uitverteld, er even 'n algemeene pauze ontstaat en Léo zeer origineel

opmerkt:

„Daar gaat 'n dominé voorbij”, glijdt met 'n plof m'n linkerschoen tegen

den tafelpoot!

Iedereen begrijpt wat er gebeurt. Moeder kijkt me afkeurend aan en

ik wil 't dierbaar pand juist behendig met de punt van m'n voet weer

oppikken, als Bernard zich bukt en onder algemeen gelach met mijn schoen

opduikt.

„Mooi zoo, Lizzy, die mag ik zeker wel als doux souvenir aan dit

onvergetelijke kerstmaal bewaren! Och, och, wat 'n lieve voetjes heeft

dat buurmeisje van ons,” en hij bekijkt den schoen, die volstrekt niet

klein is, aan alle kanten. Ik schaam me diep. Huib en Leo naast me

schudden.

„Geef hier. Toe, geef nou hier,” smeek ik, maar Bernard is er niet

toe te bewegen en gaat er op zitten, zoo gauw de meid met de brandende

plum-pudding binnenkomt. Leentje heeft 't toch gezien of begrepen; er

speelt tenminste 'n lacherig trekje om haar mond. Onuitstaanbaar vind

ik 't, maar 'k zal net doen of 't me niet schelen kan, er niet meer om

vragen en m'n dwaas figuur zooveel mogelijk zien te redden door druk

te praten, en ik begin op mijn beurt tegen meneer van Slooten, die 'n

groot kunstliefhebber is, over 'n schilderijententoonstelling hier in

de stad, waar ik met Flip en Emmy van der Marck geweest ben. Meneer van

Slooten heeft medelijden met m'n hachelijken toestand en helpt me heel

goedig door oplettend te luisteren en me dan eenige bizonderheden te

vertellen van 'n schilder, dien hij persoonlijk kent en die ook 'n paar

schilderijen heeft ingezonden, waarvan er een verkocht is. 't Kan me

niets schelen, maar ik veins zoo'n levendige belangstelling in dien mij

gansch onbekenden man, dat Bernard er heelemaal de dupe van is en me na

tafel, als ik me op één schoen en één kous naar den salon begeven wil,

waar we de koffie zullen gebruiken met 'n: „Nou zou je 'n zeker iets nog

hier laten liggen,” mij mijn eigendom met 'n diepe buiging aanbiedt, en

ik me dus weer „fatsoenlijk gelaarsd en gespoord”, zooals Herman

opmerkt, bewegen kan.

Eef vraagt verlof om 't kleintje te gaan helpen en verdwijnt van 't

tooneel. De heeren, plotseling in de politiek verdiept, staan allen bij

elkander, behalve Huib, die met z'n kopje in de hand naast me komt

staan.

„Wil jij geen koffie?” en hij ziet me zoo innig aan, alsof hij iets

heel bizonders vroeg.

„Nee,” zeg ik zacht. Ik zou niets meer naar binnen kunnen krijgen, nu ik

voel, dat 't oogenblik, waarnaar ik zóó verlangd heb, genaderd is.

Hij zegt niets, staat stil naast m'n stoel in z'n kopje te roeren, zet

't dan afgetrokken neer, zonder 't uit te drinken, maar als zijn vader

de heeren verzoekt mee te gaan rooken, legt Huib vastberaden z'n hand op

de leuning.

„Ga je nu even mee naar m'n kamer? Dan zal ik je 't presentje uit

Hamburg geven!”

„Ja goed,” zeg ik opstaande en hem volgend, bevend op m'n beenen,

terwijl moeder en mevrouw van Slooten alleen bij den zacht knetterenden

haard achterblijven.

Ik kijk niet om, maar ik wéét dat zijn moeder net zoo goed als de mijne

begrijpt, wat er gebeuren gaat.... Zou Huib 't ook verteld hebben?..

Zwijgend loopen we achter elkaar de trap op naar zijn kamer, waar 't

licht brandt en de kachel gloeit. 't Is 'n klein, vierkant vertrek, rood

behangen met gordijnen in dezelfde warm-roode tint. 'n Schrijftafel vol

portretten, waaronder ik dadelijk 't bewuste kiekje in 't Parijsche

lijstje opmerk, en 'n eikenhouten boekenkast zijn er de voornaamste

meubelen. 'n Paar etsen en 'n rekje met oud-blauwe bordjes hangen

aan den muur. Op den schoorsteen staat de kleine wit-marmeren pendule

gejaagd te tikken tusschen twee antieke tinnen kannen. In één er van is

'n reuzenbos hulst en mistletoe geschikt.

„Dat is in lang niet gebeurd, dat we hier samen waren, hè Lizzy?”

„Nee, ik geloof met die gedichten voor Bé's bruiloft 't laatst. Weet

je nog wel dat souper boven bij ons in den salon, dien avond van de

vertooningen?” Ik zie Huib vol aan, volkomen rustig nu we samen zijn.

„Zoo fleurig als alles toen was bij jullie! Wie had kunnen denken, dat

't zoo gauw veranderen zou!”

„Nee, we dachten aan niets dan aan vroolijke dingen en toch was 't

verdriet al zóó dichtbij. Ik kan me niet begrijpen, dat 't nog maar

zoo kort geleden is! Zoo ontzettend veel als er in die enkele maanden

gebeurd is,” en onwillekeurig ril ik en houd m'n handen dichter bij 't

vuur.

„Heb je 't koud? Toe, ga even zitten,” en hij schuift 'n lagen,

makkelijken stoel bij de kachel, duwt er me zacht in en gaat dan in z'n

boekenkast scharrelen.

„Hier,” zegt hij, 'n klein pakje voor me op tafel leggend, „dat had ik

je toegedacht. Ik hoop niet, dat je 't kinderachtig vindt, maar ik hou

zelf zoo van de sprookjes van Andersen, dat ik niet kon nalaten dit

Duitsche exemplaartje voor je te koopen!”

„O Huib, hoe lief van je! Wat ben ik dáár blij mee,” en ik bewonder 't

fijne, zeer smaakvol ingebonden en geïllustreerde boekje, blader er in

met sidderende vingers. „Dank je wel hoor,” en ik steek hem m'n hand

toe, die hij grijpt in zijn beide handen en vasthoudt.

Ik zie naar hem op, even maar......

Dan buig ik 't hoofd, kijk strak naar 't boekje in m'n schoot. Nu is 't

gekomen, nu gaat hij 't zeggen...... Mijn hand trilt in zijn handen.

„Lizzy, o als je 's wist, hóe ik naar je verlangd heb! Hoe ongerust ik

over je geweest ben toen ze me schreven, dat je ziek was! O, ik heb

zulke vreeselijke dagen gehad daar in Hamburg! Zóó ver van je vandaan!

Als moeder niet geschreven had, dat je werkelijk buiten levensgevaar

was, was ik teruggekomen, zoo zeker als ik hier voor je sta. En nu _wil_

ik 't weten, vóór ik er misschien weer heen moet, al is 't dan ook pas

over veertien dagen en voor korter tijd! Toe, zeg me ronduit Lizzy, geef

je om me? Zou je van mij kunnen houden, zooals ik nu van jou hou? Toe,

zeg 't me!”

De sprookjes van Andersen glijden op den grond...... Ik sta op, sla m'n

armen om z'n hals en fluister bevend:

„Ja, Huib, ik hou van je.”

* * * * *

Wat er verder gebeurde zou ik niet goed onder woorden kunnen brengen, om

de eenvoudige reden, dat er voor zóó'n geluk als 't onze geen woorden

bestaan, maar we schrikten vreeselijk, Huib en ik, toen er geklopt werd

en Leentje dood-nuchter met de boodschap aankwam: of meneer Huib en de

juffrouw toch alsjeblieft beneden kwamen theedrinken!

Ik stóóf op zij, doch „meneer Huib” draaide met groote tegenwoordigheid

van geest 't licht uit en antwoordde:

„Goed Leentje, we komen.” Maar we kwamen nog niet. Proestend stonden we

in 't donker. We konden haast niet tot bedaren komen. Telkens maakten we

elkaar weer aan den gang.

„Schei er nou uit, Huib,” smeekte ik, en dan hij weer:

„Lizzy, hou op. Nou moet 't gedaan zijn, of ik ga Leentje halen,” en dan

gierden we 't weer allebei uit.

Toen hoorden we werkelijk voor de tweede maal iemand de trap opkomen en

dat kalmeerde ons voor goed.

„Kom nu,” zei Huib en hand in hand traden we op 't portaal.

„Zoo, zijn jullie daar eindelijk. We begrepen niet waar jullie bleven,”

en Léo zag ons even met bevreemding aan, lachte en liet ons toen

passeeren. We zeiden niets vóór we in den salon terug waren. Aller

blikken werden op ons gevestigd toen we midden onder de gastkroon staan

bleven en Huib duidelijk, maar toch met trillende stem zei:

„Mag ik hier aan alle aanwezigen mijn aanstaande vrouw voorstellen!”

Eén oogenblik was 't doodstil; daarop barstten de gelukwenschen los en

verdrong iedereen zich om ons. Ik viel lachend en schreiend tegelijk

moeder om den hals, werd toen door meneer en mevrouw van Slooten

meegetrokken naar de andere kamer onder de mistletoe, waar ieder van

z'n privilege gebruik maakte en ik zoo gekust werd, dat m'n wangen nog

meer gingen gloeien, tot groot plezier van Eef en Herman, die 't meest

verrast bleken, want de anderen verzekerden allemaal, „dat ze 't wel

hadden zien aankomen.”

't Was 'n onbeschrijfelijke herrie. Léo haalde Champagne, en Flip en

Bernard zetten 'n „lang zullen ze leven” in, tot meneer van Slooten met

z'n glas in de hand ons begon toe te spreken, eenvoudig en hartelijk.

Hij hoopte dat moeder, hoewel er nog niet officieel om haar toestemming

gevraagd was, net zoo ingenomen zou zijn met haar aanstaanden

schoonzoon, als hij en zijn vrouw 't waren met hun aanstaande

schoondochter, die ze al zóóveel jaren kenden, dat 't hun niet moeielijk

zou vallen, haar als een eigen dochter in hun kring op te nemen. Wel

waren we allebei nog erg jong, zoodat er van trouwplannen vooreerst nog

wel niets zou komen, maar dat jong-zijn was 'n kwaal, die er met den

dag op verbeterde! Wij hadden zooveel jeugdherinneringen samen en zoo

ruimschoots de gelegenheid gehad elkaar te leeren kennen, dat hij geen

vrees koesterde voor 'n verbintenis als de onze, die uit geen enkele

andere overweging kón zijn voortgekomen, dan uit wederzijdsche zuivere

genegenheid, waar 't ten slotte toch eigenlijk alleen op aankwam en na

onze handen plechtig in elkaar gelegd te hebben, hief hij z'n glas op

om te drinken op ons geluk, waarin ze zich allen oprecht verheugden.

't Klonk zoo spontaan, zoo echt hartelijk-gemeend, dat we allen onder

den indruk waren en bléven tot er afscheid genomen werd.

„Mag ik morgen en alle verdere dagen, die ik nog in de stad ben, vroeg

komen en héél lang blijven, om zooveel mogelijk aan m'n meisje te

hebben, mevrouw,” vroeg Huib zich naar moeder overbuigend.

„Natuurlijk, beste jongen. Je zult altijd welkom zijn,” en moeder kuste

hem, zooals ze 't Flip gedaan zou hebben......

Nu, Huib houdt haar wel aan haar woord!

's Morgens, soms onder 't ontbijt al, hoor ik z'n fluitje en komt hij

over 't hekje klimmen, waarna ik natuurlijk onmiddellijk overeind vlieg

en de serre-deuren open om hem binnen te laten, hoewel Flip beweert,

dat dat engagement van mij hem nog stijf van de rheumathiek zal maken,

tenminste als ik hem de heele vacantie door zoo op den tocht zet. Maar

zoo'n vaart zal 't wel niet loopen.

Hij dreigt ons, dat hij zich ter vertroosting nu misschien ook maar gauw

'n meisje zal aanschaffen, want in de rol van „overgeschoten brokje”

heeft hij geen zin. 't Wordt wél tijd voor hem, vinden we!

„Al bijna meerderjarig man en nòg niets in 't zicht”, plaagt Max hem.

Maar dan krabbelt Flip terug, zegt, dat de tijden zoo verbasteren en dat

hij 't laatste jaar eigenlijk geen enkel aardig meisje ontmoet heeft en

er niet willens en wetens, zooals Huib en de zwagers, wil invliegen.

Zijn vrijheid is hem toch wel veel waard, en dan neemt hij zich voor,

zich voorloopig nog maar met moeder tevreden te stellen en verlaat ons

met 'n:

„En amuseeren jullie je nou maar verder met de sprookjes van Andersen!”

Die sprookjes van Andersen! Daar moeten Huib en ik wat van hooren! We

zouden ze samen lezen en ze liggen dan ook altijd klaar met 'n keurig

linnen omslagje om 't teere bandje, zoodat er niets aan kan komen, maar

we hebben elkaar zooveel te vertellen, dat we tot nog toe geen

gelegenheid tot lezen konden vinden....

Ons engagement is publiek. Er was geen enkele reden 't langer geheim te

houden. Natuurlijk is er geen receptie. De kaartjes zijn eergisteren in

zee gegaan en de eerste visites bij de zusters en zwagers en bij tante

Suze hebben we gemaakt.

Ada, Roosje en Emmy van der Marck kwamen ons feliciteeren, evenals nicht

Georgine en de Verhooghjes, die 't al wisten vóór ze de kaartjes

kregen!!

We zijn zoo gelukkig! 't Is nu alles zoo rustig, zoo heerlijk vertrouwd

tusschen Huib en mij....

Ik heb hem gezegd wat 'n verdriet ik gehad heb om die praatjes over

hem en Annie Westenbergh. Hoe vreeselijk jaloersch ik was en hoe lang,

hoe héél lang ik al van hem hou. Die jaloezie vond hij wel niet mooi,

maar eigenlijk heeft hij er me nu des te liever om. „'t Streelt m'n

ijdelheid”, plaagt hij.

't Kapotte ringetje, waarvan ik hem vertelde, heb ik hem op z'n dringend

verzoek teruggegeven. Hij wou 't zóó graag hebben en we dragen nu toch

ieder 'n echten verlovingsring, dus stond ik 't hem maar af, overtuigd

dat 't bij hem goed bewaard is.

Nu weet ik ook, dat hij me al had willen vragen vóór hij naar Hamburg

ging. 't Viel hem hard zoo lang en zoo ver weg te moeten en geen

volkomen zekerheid te hebben, of ik van hem hield en op hem wilde

wachten. Maar hij durfde niets zeggen, omdat ik pas zoo'n groot verdriet

gehad had en er uitzag, of ik voor niets anders vatbaar was. Hij voelde

zich nooit zóó ellendig als dien avond toen hij afscheid kwam nemen

en Léo en Bernard op z'n eigen verzoek meekwamen, daar hij er te veel

tegenop zag, mij alleen goeiendag te zeggen. En dan die angst toen hij

hoorde, dat ik ziek was! Hij rilde, terwijl hij zich daarin verdiepte,

maar ik troostte hem:

„Kom, malle jongen! 't Was heusch zoo erg niet met me. En nu ben ik weer

zoo sterk als 'n paard!”

Ik moet hem telkens beloven, dat ik zorgen zal er even gezond uit te

zien als nu, wanneer hij in Maart—vóór mijn verjaardag, die den 19en

is—voor goed terugkomt.

Den 6en Januari moet hij al weer weg; vróeger dan we eerst gedacht

hadden, maar 't kan niet anders en hoewel de teleurstelling erger is dan

ik wil laten blijken, ben ik er toch trotsch op, dat ze hem daarginds

noodig hebben, omdat hij de aangewezen persoon is, om 't bijkantoor van

zijn vaders bankierszaak, dat in Hamburg wordt opgericht, in orde te

brengen.

We doen ons best nog maar niet te veel aan die scheiding van enkele

maanden te denken. We willen wijs zijn en van 't tegenwoordige genieten.

Morgen begint 't nieuwe jaar.

't Oude met al z'n verdriet en geluk is bijna ten einde. Nog nooit heb

ik 'n tijd beleefd, waarin verdriet en geluk elkaar zóó afwisselden.

Voor Huib is 't ook 'n lang en 'n moeilijk jaar geweest, en toch is 't

ons beiden zoo lief....

Vanavond komen de zusters en zwagers hier. We zullen de klok van twaalf

niet afwachten, zooals andere jaren, maar moeder wil toch even alle

kinderen om zich heen hebben, ondanks die ééne ledige plaats....

Wat vader wel zeggen zou van den ~nieuwe~, die er is bijgekomen?

Hij hield zoo van Huib. Hij zou er zeker blij om zijn en net als moeder

de overtuiging hebben, dat hij 't Piepkuikentje aan geen trouwere handen

zou kunnen overgeven....

Samen zitten we bij 't vuur, Huib en ik.

'n Groote bouquet van witte rozen en seringen, die Liesje en Bobbie ons

gisteren zijn komen brengen, geurt er op tafel. 't Is al donker. Buiten

sneeuwt 't en er waait 'n ijzige noordoosten wind. Maar 'n sombre dag

als deze deert ons niet. Wij zitten hier veilig, hand in hand, en

luisteren naar 't loeien van den wind in den schoorsteen en zien elkaar

aan, zwijgend met stralende oogen, vol vertrouwen, dat 't goed en mooi

zal blijven tusschen ons, wát er ook gebeurt.

[decoratieve illustratie]

Piepkuikentje · 第 13 / 15 题