HOOFDSTUK VIII.

Sintniklaas is gelukkig achter den rug.

We hebben 't natuurlijk niet gevierd; we deden er toch niet veel meer

aan de laatste jaren. Alleen voor de kinderen, die hun schoentjes kwamen

zetten, hadden we 'n paar verrassingen.

Ik ben weer heelemaal beter en sinds 'n paar weken in m'n oude doen. Ik

kan weer tegen de dagelijksche vermoeienissen en mag uit door alle weer

en wind. Toch let moeder er streng op, dat ik geregeld m'n melk drink en

's middags rust, hoewel ik met 't laatste nogal 't handje licht, omdat

ik 't heusch overdreven vind. Ik voel me krachtig en opgewekt en ben

blij, dat ik wat van m'n abnormale dikte ga verliezen, al zag ik er toch

niet zóó vetgemest uit, als Max en Flip me voorspelden, dat ik wezen zou

als ik weer eenmaal opkwam. 't Verheugt me wel, want zwaarlijvigheid

vind ik zeer onaesthetisch.

We zijn druk bezig alles voor de komst van Eef en Herman en 't kleintje

in orde te maken. Aan 't eind van de volgende week zullen ze hier

zijn. Ze komen van Genua af over land, om de reis zooveel mogelijk

te bekorten. Half Januari pas moet Herman te Amsterdam in functie

treden, waar Max en Floor al 'n bovenhuisje voor hen gehuurd hebben;

maar vooreerst nemen ze hier hun intrek, in 't oude lieve huis, waar ze

zoo naar verlangen, zooals Eef schrijft. Nu, aan ruimte hebben we geen

gebrek!

Mijn vroegere slaapkamer, die ze indertijd met Bé deelde, wordt de hunne

en vaders studeerkamer zijn we voor Herman aan 't inrichten. 't Is zoo'n

prettig werk en moeder en ik zijn onvermoeid.

Op de slaapkamer heb ik enkele dingen uit Eefs jongemeisjestijd

bijeengebracht, waar ik weet dat ze aan gehecht is.

Haar oude toilettafel, die op de logeerkamer stond, den schommelstoel,

waar ze altijd in zat te lezen en 't daarbij behoorende verschoten

groen-damasten kussen, dat ik menigmaal met 'n stoeipartij naar m'n

hoofd kreeg, benevens 'n klein houten klokje, dat vader eens voor haar

meebracht uit Bern en dat geen mensch meer aan den gang kan krijgen.

Al deze oude dingen, waar zij stellig zwak op heeft, heb ik er heen

gesleept en boven 't afgedankte bedje van Loekie, dat Floor voor Eefje

heeft laten brengen, heb ik zelfs 'n verbleekte plaat gehangen uit 'n

oud Christmas-number van „the London News”; die hing er vroeger ook.

Beneden in de huiskamer staat de wieg al klaar, ook 'n oude van Loekie,

door Floor keurig opnieuw bekleed met lichtblauw satinet, en Liesje en

Bobbie zijn in de gulheid huns harten 'n pop en 'n houten paardje voor

't kleine nichtje komen brengen en dwongen Loekie, die niets van de

situatie begrijpt, 'n gekleurd elastieken balletje, waar hij zelf zoo

aan verknocht is, af te staan „voor 't kindje van tante Eef.”

't Was om medelijden mee te krijgen, zoo'n bedroefd snuitje als hij

zette, maar Floor vond 't wel goed, dat haar jongste zoon ook iets

offerde, want Loekie is zeer van den behoudenden kant en weet zoo klein

als hij is, 't altijd wel zóó te draaien, dat hij z'n eigen ikje nooit

te kort doet.

Liesje is sinds September met nog 'n paar andere kleintjes van haar

leeftijd aan 't fröbelen, en de juffrouw, die hun les geeft, is versteld

over haar vlug begrip en haar snelle vorderingen in 't lezen en

schrijven.

„Als ik zes jaar ben in April, wil ik alléén 't boek van „Ot en Sien”

lezen,” zegt ze vastbesloten en als 't zoo doorgaat zal ze tegen dien

tijd wel zoo ver zijn. Thuis en op straat, overal waar ze maar kans

ziet, staat ze te spellen en zich te oefenen. Max vindt dien ijver

maar half goed. Hij is bang, dat ze haar kleine bolletje te veel zal

inspannen en begint haar dadelijk af te leiden en wilde spelletjes

met haar te doen, als hij haar bezig ziet met lezen of schrijven.

Laatst—Maartje was met 'n doode muis van den zolder komen

aandragen—kwam Liesje naar me toe met haar lei, waarop ze met bibberige

koeienletters had neergeschreven: _de muis is doot_.

„Niewaar tante, _dood_ schrijf je toch: _d oo t_,” vroeg ze, terwijl ze

me vol trots het geschrevene aanwees.

Tot m'n spijt moest ik antwoorden:

„Nee, dood is met 'n _d_. Je zegt immers ook _doode_ muis!” Waarop ze

heel ad rem weerlegde:

„Welnee, je zegt túúrlijk doo_ie_ muis!”

Floor en ik keken elkaar aan en hadden moeite ons goed te houden.

De questie, „dood” schijnt Liesje anders wel erg bezig te houden

tegenwoordig; niet alleen wat de spelling betreft, want toen moeder en

ik verleden bij Max en Floor theedronken en ik Liesje naar bed bracht,

op vereerend verzoek, vroeg ze, terwijl ik haar instopte met haar

armpjes om m'n hals:

„Zeg, tante Piep, weet je nou zéker, dat Opa dood is en nooit meer bij

ons terugkomt?”

En toen ik knikte, zei ze: „Ja, dat is erg naar, maar alles wat leeft,

gaat dood en alles wat niet leeft gaat kapot!”

't Kwam er uit als 'n orakelspreuk. Ik schrikte er van en begon maar

gauw over de nieuwe jurk van pop Dora om haar af te leiden.

Beneden verwekte haar gezegde nogal hilariteit toen ik er mee aankwam.

„'t Kind is wijzer dan ze zelf weet. Ze snapt de beteekenis van 'r eigen

woorden niet,” hield Floor vol, maar Max schudde 't hoofd over z'n

vroeg-wijze dochter.

„Als ze niet af en toe flink stout was, zou ik me werkelijk ongerust

maken,” zei hij.

Maar daar is heusch geen reden voor, want 't kind ziet er zoo heerlijk

gezond uit en is zooveel steviger geworden dezen zomer in Domburg,

evenals de beide jongens. Ik ben erg benieuwd wat Eef en Herman van hen

zeggen zullen.

Liesje was indertijd 'n groote lieveling van Herman en Eef sjouwde

altijd met Bobbie, die nauwelijks loopen kon, toen Herman wegging.

Loekie heeft hij niet meer gekend. Toen Eef trouwde, was Floors jongste

pas enkele maanden oud.

't Wordt zoo langzamerhand 'n gezellig troepje, maar m'n tante-lijke

plichten gaan er ook te zwaarder om wegen! Als in Maart Bé's kindje er

bij komt, heeft moeder al vijf klein-kinderen!

In 'n ijverige bui heb ik 't schortje, dat ik ruim drie jaar geleden

voor Loekie begon, voor den dag gehaald en werk er nu geregeld aan, want

ik heb me vast voorgenomen, dat 't eerste van der Marckje er mee prijken

zal!

Bé vraagt telkens: „Hoe staat 't met je gewrocht?” en is er lang niet

zoo dankbaar voor als ik vind, dat me toekomt. 't Is 'n barbaarsch werk,

al die schulpjes en gaatjes! 't Is waar, dat de eerste fraicheur er in

den loop der tijden, wat is afgeraakt, maar als 't eenmaal klaar is en

helder gewasschen, zal 't er wat aardig uitzien.

Mevrouw van Slooten, die er me aan zag borduren, vroeg tenminste, of Bé

niet erg in haar schik zou zijn met dat „beeldige schortje!”

Ze begreep niet, dat ik daar geduld voor had en er nog tijd voor

overhield bij al 't werk, dat monsieur Durand me opgeeft, want m'n

Fransche lessen zijn in vollen gang.

Iederen Dinsdagmorgen ga ik er heen, en nu ik aan hem begin te wennen,

vind ik wel, dat hij prettig les geeft. Ik voelde me de laatste keeren

volkomen op m'n gemak en vind hem iets minder schoolvosserig sinds ik

gemerkt heb, hoe aandoenlijk lief hij is voor z'n ziekelijke vrouw en

Juliette, z'n kleine, bleeke dochtertje, waar hij zoo vreeselijk trotsch

op is.

Als ik naar haar vraag, komt monsieur Durand heelemaal uit de plooi,

maar 't kind zelf blijft nog even schuchter voor me, mompelt 'n bijna

onverstaanbaar „bonjour”, terwijl ze me 'n trillend handje reikt en hòlt

weg.

Toch, hoe ik m'n best ook doe om me iederen morgen, als ik zit te werken

geheel bij m'n grammaire en thema's te bepalen, tóch betrap ik er mezelf

aanhoudend op, dat ik er overheen zit te droomen. Vooral de laatste week

heb ik schandelijk weinig uitgevoerd. Aldoor moet ik aan andere dingen

denken: aan het weerzien van Eef en Herman en aan kleine Eefje, die er

op haar portretje al zoo wijs uitziet, en last not least.... aan Huib,

die den 23sten thuiskomt, als Eef en Herman hier al wat op dreef zullen

zijn.

Aan Huib denk ik 't meest. Eigenlijk denk ik den heelen dag aan hem. Zou

hij ook aan mij denken.... naar me verlangen? O, ik geloof 't wel! Z'n

laatste brief was zoo hartelijk en bezorgd. Hij heeft zóó over me in

angst gezeten!

„Wees nu niet zoo onverstandig om te veel van je krachten te gaan

vergen, als je zuster en zwager komen. Ik vind 't natuurlijk heel

prettig voor jullie, maar denk er toch om, dat je pas ziek geweest bent

en neem niet te veel hooi op je vork! Als 't je naderhand opbreekt,

lever je je familie 'n leelijk koopje, in plaats van te helpen.

Op mijn schrijftafel staat je Parijsche lijstje met die kiek van je als

bruidsmeisje. Als je niet zorgt, dat je bij mijn thuiskomst weer net

zulke dikke wangen hebt als dáár, krijg je 't cadeautje niet, dat ik

voor jou meebreng uit Hamburg, hoor meisje!”

Hoe dikwijls ik die regels heb overgelezen zou ik niet kunnen zeggen....

Dat is toch méér dan vriendschap.... O, ik hoop zoo vurig, dat 't met

Kerstmis tusschen ons in orde zal komen.

Mevrouw van Slooten heeft moeder, Flip en mij en Eef en Herman met 't

kleintje te dineeren gevraagd voor den eersten Kerstdag, heel intiem, en

ik verheug er mij zóó op!

De van Slootens zijn zoo aardig voor ons; zulke hartelijke buren zullen

we wel nooit meer krijgen. Bernard kwam vanavond nog, uit naam van z'n

moeder, 'n tafelstoel brengen voor Eefje, als we dien gebruiken konden.

Het was zoo'n practisch model, al was hij niet fraai, maar ze hadden er

ook alle drie ingezeten en bedaarde jongetjes waren ze niet geweest,

getuigen de vele krassen!

Bernard bleef 'n beetje praten en onwillekeurig begonnen we dingen van

vroeger op te halen:

Onze pic-nics in de dakgoot, de geheimzinnige verkleedpartijen en de

groene-zeep-glijbaantjes, die we op zolder maakten en dien keer, dat we

gerookt hadden, drie sigaretten met ons vieren! Toen we, bij gebrek

aan verderen voorraad, opgerolde vloeitjes en stelen van narcissen

tot sigaretten trachtten te promoveeren en 'n gat schroeiden in de

splinternieuwe gordijnen van de logeerkamer, waar we ons verstopt

hadden! Jongens, wat 'n pret hadden we toch, en dan die griezelige

verhalen en spookgeschiedenissen, waarmee we elkaar zóó wisten op te

beuren, dat we op 't laatst rillend en bevend met fluisterstemmen

begonnen te spreken en bijna niet naar bed durfden!

Moeder genoot van die herinneringen.

„Ja, dat was 'n gelukkige tijd toen jullie klein waren!”

„Weet je nog wel, Lizzy, dat je eens huilend naar huis liep, omdat Léo

je had wijsgemaakt, dat ouwe Trui „verborgen bokspooten” had?” vroeg

Bernard.

Ik schaterde 't uit. Ja, ik wist 't nog heel goed. Léo kon me 't best

bang maken. Die las op zeer jeugdigen leeftijd boeken als „Gösta

Berling” die z'n fantazie zóó aanwakkerden, dat 't hem niets geen moeite

kostte, de meest zonderlinge en angstwekkende histories te vertellen met

'n welsprekendheid, die ons—en mij vooral—deden ijzen en kippenvel

aanjoegen.

Op 't laatst kwam 't gesprek nog even op Huib. Hij had geschreven, dat

hij toch zóó naar huis verlangde! Den avond van den 23sten komt hij

heel laat aan. Ik bloosde tot achter m'n ooren, maar Bernard merkte 't

gelukkig niet, want ik keerde me om en begon gauw in den haard te poken,

die op 't punt was uit te gaan. Moeder zag 't wel!....

Toen Bernard weg was, bleven we nog 'n poosje zitten. Ik bladerde

wat in 'n nummer van de „Illustration” uit de portefeuille van 't

leesgezelschap.....

„Kindje,” zei Moeder ineens, haar hand op de mijne leggend, „ben je blij

dat Huib al zoo gauw komt? Verlang je naar 'm?”

En ze zag me zóó innig aan, dat ik voor 't eerst ronduit bekende:

„Ja, o ja, ik verlang vreeselijk naar Huib.”

„Sinds hij weg is, of hou je al lang van 'm?”

„O, al lang. Al zóó lang. Ik weet niet eens wanneer 't begonnen is. Ik

geloof, dat ik altijd van 'm gehouden heb. Niet zooals nú. Niet zóó

veel maar toch....”

„Dat dacht ik wel. Ik heb al lang vermoed, dat je van hem hieldt. Als

hij nu ook maar zooveel van jou houdt, lief kind! Toe, laten we er samen

over praten! Floor, Eef, Bé, allemaal hebben ze 't eerst bij mij hun

hart uitgestort. Alleen 't Piepkuikentje heeft tot nog toe gezwegen.

Denk je, dat Moeder te oud is om zoo iets met je mee te voelen?”

„Nee, nee, hoe kunt u dát denken, moesje! O zeg toch niet zulke

vrééselijke dingen,” snikte ik. „Ik wil u zóó graag álles vertellen,

maar ik kòn er niet eerder toe komen. O, als u eens wist wat ik al heb

doorgemaakt!”.... en toen bij den doovenden haard met mijn hand in de

hare, heb ik moeder alles eerlijk opgebiecht.

Mijn jaloezie op Annie Westenbergh, mijn blijdschap toen ik wist,

dat 't heelemaal ten onrechte was en mijn schaamte over die leelijke

gevoelens.. Niets verzweeg ik haar en moeder luisterde, heel haar lieve

gezicht één belangstelling en meeleven in 't geen mij zoo ter harte

ging.

't Was bij éénen toen we eindelijk naar boven gingen, maar ik voelde me

onuitsprekelijk verlicht.

Moeder houdt zooveel van Huib! Ze houdt van alle jongens van Slooten,

maar van Huib 't meest, omdat hij zoo eerlijk en eenvoudig is. Vader

mocht hem ook heel graag en moeder geloofde evenmin als ik, dat Huib me

zoo hartelijk schrijven zou, als hij niet echt om me gaf, maar raadde

me toch in m'n eigen belang aan, me niet al te veel illusies te maken.

Zoo'n vriendschap uit de kinderjaren werd meestal op den duur wel iets

anders, groeide heel dikwijls uit tot 'n mooier, dieper gevoel. Bij

vader en haar was 't ook zoo gegaan....

Maar wij waren nog zoo jong! Vier-en-twintig en negentien! Huib was wel

ernstig en nogal geposeerd voor z'n jaren, maar misschien dacht hij er

nog niet over me nù al te vragen....

Ik geloof, dat moeder dat alles maar zei uit voorzichtigheid, maar ze

kan natuurlijk gelijk hebben, al zou ik 't vreeselijk vinden nog langer

in onzekerheid te moeten blijven.

O, dat ellendige _afwachten_, dat toch 't eenige was, wat me overbleef.

Dat zag ik zelf duidelijk in! Maar wat zou er tegen zijn, als we 'n paar

jaar geëngageerd bleven, net als Bé en Aad? Dat begon nog veel vroeger!

Dát waren nog kinderen!

We gingen er verder niet op door. 't Gaf niets of we er al over

redeneerden. Moeder noch ik konden er iets aan doen....

Maar ik nam me vast voor: niemand dan moeder zal iets van de spanning,

waarin ik verkeer bemerken. Daarvoor ben ik te trotsch.

„_Ich bin's gewohnt, den Kopf recht hoch zu tragen!_” Hoe dikwijls had

ik dat Huib zelf niet hooren aanhalen!

Doch ineens schoot me 'n ander Heine-vers te binnen!

Sie liebten sich Beide, doch Keiner

Wollt'es dem Andern gestehn;

Sie sahen sich an so feindlich

Und wollten vor Liebe vergehn....

Toen moest ik even lachen. _Vijandig_ hadden we elkaar toch nog nooit

aangezien!

En dan die laatste brief! Neen, ik hoopte hartelijk en durfde ook wel de

veronderstelling wagen, dat 't met ons beter zal afloopen, dan met die

twee rampzalige gelieven, waarvan 't versje verder vermeldt:

Sie trennten sich endlich und sahn sich

Nur noch zuweilen im Traum;

Sie waren schon längst gestorben

Und wuszten es selber kaum.

Bij mezelf herhaalde ik deze regels en lag nog lang in 't donker te

staren, terwijl moeder naast me al rustig sliep.

* * * * *

Ze zijn er, Eef en Herman en kleine Eefje!

Al 'n heele week!

We zijn weer aan elkaar gewend en kunnen nu rustig van elkanders bijzijn

genieten. O, die heerlijke avonden, als alle zusters en zwagers mee in

den kring om den haard zitten; moeder tusschen Eef en Herman in!

Dan praten we over „den goeden ouden tijd” en over vader, dien we zóó

missen. Wat zouden we er niet voor geven als hij dit nog beleefd had....

Maar ondanks die ééne ledige plaats is er groote blijdschap om den

terugkeer van „onze Indianen” zooals Flip zegt.

Nooit zal ik vergeten dat oogenblik van aankomst!

Alleen Max ging hen van den trein halen, die 's avonds tegen negenen uit

Parijs hier aankwam.

Moeder was zichzelf niet van zenuwachtigheid en draafde met Floor

en Bé maar af en aan om de tafel in de huiskamer, waar 'n souper was

klaargezet, waaraan op 't laatste oogenblik nog van alles bleek te

ontbreken. Flip en Aad stonden den wijn te ontkurken en ik gilde net uit

de keuken:

„O, de pasteitjes zullen verbranden. Help toch!” toen we wielen over 't

grint hoorden aanratelen en na 'n harden belruk Eef, voordat 't rijtuig

nog goed en wel stilstond, de gang instormde en snikkend moeder om den

hals viel.

Herman met 't slapende kindje op den arm volgde, en niet voor 't

kleintje wakker werd en begon te huilen, kwamen we eenigszins tot ons

zelf.

De schok van 't weerzien greep ons bijna net zoo hevig aan, als 't

oogenblik van afscheid; maar 't afscheid was 't begin van 'n groot

verdriet, en 't weerzien 'n vreugde, zóó groot, als we zonder vader maar

bij mogelijkheid voelen konden.

„Ik kan niet zeggen hoe zalig 't is om weer thuis te zijn! Ik kán 't

niet op!” riep Eef maar, nu den een dan den ander omhelzend, terwijl

moeder Eefje op schoot hield, en Herman de kamers rondliep en er zich

over verheugde, dat alles er nog bijna eender uitzag als in den tijd van

hun verloving.

„Vrouwtje, kijk toch 's, daar staat warempel op 't buffet dat groene

gemberpotje met van diezelfde gele chrysanthen er in, als op den middag

dat ik je officieel kwam vragen!”

„Ja! O, ik zie 't je nog omgooien in je agitatie toen ik binnenkwam! Al

't water liep in je manchet,” lachte Eef en toen tot ons: „hebben jullie

't daar expres neergezet of is 't toeval?”

„Nee, geen toeval. Ik deed 't,” glimlachte moeder, „en bij deze doe

ik 't jullie cadeau. Ik had niet gedacht, dat je 't zóó gauw zoudt

opmerken, maar dat jullie er zwak op zoudt hebben, dát wist ik wel.”

Eef en Herman aanvaardden het dankbaar en 't bewuste gemberpotje prijkt

nu op Herman's kamer en krijgt natuurlijk 'n eereplaats in hun

Amsterdamsche huisje.

Herman ziet er tamelijk gezond uit en beweert door de zeereis heelemaal

te zijn opgeknapt. De dokter zegt dan ook, dat hij van z'n malaria zoo

goed als genezen is en wel gauw zal zijn aangesterkt.

Eef is 't meest veranderd. Haar frissche wangen zijn bleek en mager

geworden; ook is ze stiller dan vroeger, maar af en toe komt de oude Eef

toch weer boven! Dan schitteren haar oogen van plaaglust en verkondigt

ze de malste dingen.

„En wat zeggen jullie nou van m'n botergele dochter; zij kan niet

helpen, dat ze geen roze wangetjes heeft, zooals Hollandsche kindertjes,

maar heeft ze geen lief snoetje? Ze is wat minnetjes hè, voor 'r tien

maandjes, maar dat zal wel bijkomen hier. Vooruit, ga maar naar oom

Flip,” en dan wordt Eefje aan Flip overgedaan, die veel doodelijker is

van dit kleine, bleeke kindje, dan hij ooit van een van Floors kinderen

was. Telkens haalt hij 't stilletjes uit de wieg, tot verontwaardiging

van groote Eef.

't Is ook 'n dotje ondanks haar „botergele” gezichtje. Ze heeft groote,

bruine oogen, net als haar vader, en zacht, goudblond haar, dat aan de

tipjes, gaat krullen en zoo aandoenlijk zoet is ze! Ze huilt bijna niet

en is in 't geheel niet verlegen voor al die vreemde menschen, die haar

komen bekijken.

Gelukkig beginnen de bezoeken nu 'n beetje te luwen. De bel stond niet

stil de eerste dagen.

„Wat 'n gedoe voor zulke eenvoudige zielen als wij,” zei Herman

hoofdschuddend na dien eersten visite-dag, maar hij vond 't toch wel

aardig net als Eef.

Hij heeft zelf bijna geen familie hier in Holland. Zijn ouders zijn al

jaren dood en van zijn twee broers is er een in Transvaal en de ander in

Amerika. 't Gezellige van 'n grooten familiekring heeft hij eigenlijk

nooit gekend, dus stelt hij 't zijn hier in huis zeer op prijs, en

hoewel hij ons maar enkele maanden gekend heeft vóór z'n vertrek naar

Indië, voelen we ons allen even goed met hem op dreef.

De kinderen van Floor zijn dol op „oom Her,” die zoo leuk vertellen kan.

Ze zijn niet van hem af te slaan, nu hij 'n poppenhuis voor hen

getimmerd heeft, dat zóó groot is, dat ze er alle drie tegelijk mee

spelen kunnen!

Eefje is met gejuich in hun kringetje opgenomen en Liesje moedert zóó

handig over 't kleine ding, als 't zoet tusschen hen in op den grond zit

te spelen, dat Eef beweert heusch geen kindermeid noodig te hebben, als

Liesje er bij is.

„Als ik in Amsterdam op orde ben, moet je maar bij tante Eef komen

logeeren. Dan gaan we samen naar Artis. Wil je dat wel,” vroeg Eef haar

eens, maar Liesje ontweek heel handig:

„'k Zal nog 's zien. Zie je, ik denk niet, dat Paats en Moekie goed

zullen vinden, dat ik niet na' de les ga, want dat kan dan tuurlijk niet

en dan komen de andere kinderen me vóór,” en toen keek ze met 'n schuin

oogje naar haar moeder.

Eefje is heel lief, maar om Paats en Moekie in den steek te laten, daar

heeft Liesje geen lust in!

Bobbie, goedzak als hij is, komt met al z'n speelgoed aangesjouwd en

zelfs den olifant-op-wieltjes zou hij aan Eefje afstaan.

Laatst had hij in 'n kleverig papiertje twee flikjes bewaard, die hij

Eef kwam overhandigen met de boodschap: „Voor Eefje as ze zoet geslaapt

heeft!”

Loekie vond 't eerst niet goed; dat er zooveel notitie van Eefje genomen

werd, en als ze eens huilde, zette hij van den weeromstuit ook 'n keel

op.

Nu is hij er overheen; alleen komt hij af en toe naar de groote menschen

gedribbeld om met 'n smeekend stemmetje te vragen: „Loetie is toch oot

wel lief?”

En als hij dan even aangehaald wordt, is hij tevreden.

Eef en Herman zijn druk bezig aankoopen voor hun huishoudentje te doen

en al 'n paar maal op en neer naar Amsterdam geweest, waar Herman

telkens zijn moet met 't oog op z'n nieuwe betrekking.

't Is maar goed, dat monsieur Durand tot vijf Januari vacantie houdt,

want kleine Eef neemt vooral door dit reizen en trekken zóóveel van

m'n tijd in beslag, dat ik tot werken niet veel gelegenheid zou hebben,

als m'n lessen geregeld doorgingen en dan zou ik er nu m'n hoofd in 't

geheel niet bij kunnen houden, want.... Huib is terug! Gisteren avond

kwam hij thuis en ik heb hem vanmorgen gezien en gesproken, al was 't

maar heel even!

Ik liep in den tuin, met Eefje goed ingepakt op m'n arm. Er scheen net

'n bleek zonnetje en ik had er zoo'n voorgevoel van, dat Huib me wel

zien zou, als ik er op en neer liep. Ik deed 't dus eigenlijk met opzet,

maar toch schrikte ik, toen ik hem voor 't raam van z'n kamer zag staan

en hij tegen me begon te wuiven.

Ik wuifde, zoo goed en zoo kwaad als 't ging terug met 'n slip van den

wollen doek, waarin Eefje gepakt zat, en toen schoof hij 't raam op en

riep:

„Bonjour, Lizzy, hoe gaat 't? Wacht even, dan kom ik beneden! Dan maken

we vast 'n praatje over 't hekje.”

„Goed, dan kan je meteen Eefs kind bewonderen,” riep ik terug, en in

minder dan geen tijd stonden we van aangezicht tot aangezicht en had de

kennismaking plaats tusschen Huib en Eefje, die vriendelijk tegen hem

kraaide en 'n handje gaf, één van haar laatste kunstjes.

„'t Beviel je daarginds uitstekend hè, tenminste zoo naar je brieven te

oordeelen,” zei ik, Eefje op m'n anderen arm overnemend.

„O ja; Hamburg is 'n pracht-stad en ik heb er enkele goeie vrienden

gemaakt, maar toch ben ik liever thuis op den duur. Zeg, je ziet er

welvarend uit, hoor! Ik kan heusch niet aan je zien, dat je zoo ziek

geweest bent! Ben je nu héélemaal weer beter?”

't Klonk zoo bezorgd en hij zag me aan op 'n manier, die m'n hart deed

bonsen en 't bloed naar m'n wangen joeg.

„Zóó ziek ben 'k niet geweest. 't Was alleen wat bloedarmoede en

overspanning. 'k Ben al lang weer in m'n gewone doen,” zei ik, me

zooveel mogelijk achter Eefje verschuilend.

„Arm kind. Jullie hebt ook zoo'n zware tijd gehad. Heerlijk, dat je

zwager en zuster weer hier zijn en dit kleine, wijze diertje! Toe, geef

'r eens hier, of gaat ze dan huilen?”

„'k Denk 't niet. Ze is nogal veel in vreemde handen. Een, twee, drie,

daar gaat ze! Zoo, hou die wollen doek goed om haar heen, anders krijgt

ze 't koud,” en Huib nam Eefje handig van me over.

Ze vond 't blijkbaar 'n heerlijk grapje, want ze gierde 't uit van pret.

Daar gingen de serre-deuren open, en Eef met haar oude onstuimigheid

kwam naar buiten en verstoorde ons tête à tête.

„Zeg, Huib, wil jij wel 's van m'n dochter afblijven,” riep ze lachend.

„O, pardon, mevrouw Roelofs. Hoe gaat 't u?” zei Huib ineens plechtig,

en z'n gezicht werd purper. Onbeholpen als 'n verlegen schooljongen,

stond hij daar met Eefje in z'n armen. Ik zag hem nog nooit zóó

verlegen.

Eef en ik schaterden 't uit.

„Huib, Huib, dat is te gek! Mevrouw Roelofs! Noem me alsjeblieft

onmiddellijk weer Eef, net als vroeger, of vind-je dat ik er te oud

uitzie? We verschillen anders als 'k me goed herinner maar één jaartje!”

„Dat weet ik wel. Je bent nog precies dezelfde en ik wil heel graag weer

Eef zeggen. Mag ik je 's gauw 'n deftige visite komen maken?”

„Dat mag je, als je me nu gauw m'n kind teruggeeft.”

„Nee, dat gaat eerst mee naar m'n moeder, dan breng ik 'r straks netjes

door de voordeur weer binnen, of heb je werkelijk liever niet, dat ik 'r

even meeneem?”

„Wel, ga je gang maar. Ze vindt 't heel geschikt bij jou,” en Huib holde

met 't kind, dat 't uitschaterde van pret, 't huis in, om 't na verloop

van enkele minuten zorgvuldig ingebakerd terug te brengen.

Eef, totaal onbewust van 't teere punt, dat ze aanroerde, was erg uit

over Huib.

„'t Is zoo'n mán geworden, en wat heeft hij 'n prettig gezicht en wat

beweegt hij zich goed! Leuk trio die drie lange, blonde jongens, maar

Huib vind 'k toch 't sympathiekst,” zei ze, Eefje die slaperig werd in

de wieg leggend.

Moeder en ik wisselen 'n snellen blik van verstandhouding en lachten

tegen elkaar......

[decoratieve illustratie]

Piepkuikentje · 第 12 / 15 题