BESLUIT.

't Is einde Maart, en 't kleine van der Marckje, dat tegen dien tijd z'n

komst op 't wereldtooneel had aangemeld, werd op den eersten lentedag

geboren en is nu ruim 'n week oud.

Tot groote vreugd van ouders en grootouders, is 't 'n jongetje! Willem

heet 't, naar z'n grootvader van der Marck, maar we zeggen: Willy.

't Is 'n heerlijk, dik molletje met pikzwart haar, blauwe oogjes en

doddige, dikke knuistjes, waar 't aldoor mee ligt te wriemelen als 't

wakker is.

Bé en Aad zijn vreeselijk trotsch op hun zoon, die zich dan ook

voorbeeldig gedraagt, weinig huilt en veel slaapt, en z'n moedertje

maakt 't zoo goed, als maar eenigszins mogelijk is en heeft gisteren

zelfs al even mogen opzitten van den dokter.

Huib, die sinds eenige dagen terug is—hij kwam den 18en, den dag vóór

m'n twintigsten verjaardag thuis—is gisteren voor 't eerst meegeweest,

om kennis te maken met z'n kleine neefje en was er zóó over uit, dat Bé,

die anders doodsbang voor haar zoontje is, hem toestond 't kleine witte

pakje even van de verpleegster over te nemen, om te voelen hoe zwaar

Willy-tje wel was!

Toen Huib met 'n heel benauwd gezicht verklaarde: „Kolossaal, wat 'n

jongen al”, kenden haar trots en blijdschap geen grenzen, maar Roosje,

die er ook bij tegenwoordig was, gaf Huib beneden 'n standje.

„Schandelijk kan jij jokken. Hoe kôn je 't kind nu zwaar vinden! 't

Weegt net zeven pond!”

En daarop bekende Huib eerlijk, dat hij dit leugentje-om-bestwil niet

had durven binnenhouden, om Bé niet te beleedigen, en gingen we op zijn

verzoek allebei met hem mee, om 'n rammelaar voor Willy te koopen. De

tantetjes hadden zich zoo vermoeid met jurkjes en schortjes te borduren

en hij wou ook iets geven als rechtgeaard oom. Dát is hij!

„Oom Huib” is zeer in de gratie. De kinderen van Floor nemen hem zóó in

beslag als we er komen, dat ik niets aan hem heb en Eefje, die we de

vorige week in Amsterdam opzochten, gaf volgens groote Eef blijken hem

nog te herkennen.

Ze zitten er allergezelligst, Eef en Herman op hun bovenhuisje, en ze

halen hun hart op aan 't groote stadsleven, genieten van mooie concerten

en komedies, waar ze door hun verblijf in Indië den laatsten tijd zoo

geheel van waren verstoken. Eef ziet er, tot moeders onuitsprekelijke

verlichting, veel beter uit en is weer met ijver aan 't pianospelen, wat

ze daarginds heelemaal had laten varen, en kleine Eefje zit met groote

oogen te luisteren als haar moeder bezig is en vindt 't heerlijk met

haar kleine vuistjes op de toetsen te slaan, als Eef of Herman haar bij

de piano brengen.

Mijn lessen bij monsieur Durand zijn opgehouden. Tot eind Februari ben

ik nog bij hem gebleven, en genoot ik van de prettige manier, waarop hij

eenige Fransche schrijvers met me behandeld heeft. Daar had ik meer aan,

nu ik toch niet van plan was verder te studeeren, dan aan al die droge

grammaire, vond hij.

Tegenwoordig ga ik heel plichtmatig tweemaal in de week naar de

kookschool en geeft Huib me verder les in literatuur enz.

Het spijt me zoo, dat ik geen talent heb voor viool of zang, maar Huib

beweert, dat 't hem niets kan schelen, omdat ik veel van muziek houd en

z'n pianospel daarom toch wel op prijs weet te stellen.

„Had ik maar 'n stem als Annie Westenbergh,” zeg ik dan om hem woedend

te maken, want hij kán niet goed hebben, dat ik hem met haar plaag.

„Dat je me niet genoeg kende om te begrijpen, dat ik van niemand anders

dan van jou hield”, zegt hij nu, vergetend, dat hij 'n tijdje geleden

juist beweerde, mij des te liever te hebben om mijn jaloezie, die ik

toch onmogelijk had kunnen voelen, als ik niet net als zooveel anderen,

van de veronderstelling was uitgegaan, dat Annie hem lang niet

onverschillig was.

Men zegt wel eens dat wij vrouwen onlogisch zijn, maar hoe moet ik de

redeneering van mijn eigen man dan wel vinden?

~Mijn eigen man~, zoo leuk-deftig klinkt dat, al is 't nog wel wat

voorbarig, want vóór 't volgende voorjaar zullen we wel niet trouwen.

Maar langer wil Huib niet wachten.

„Dan ben ik bijna zes- en jij één-en-twintig! Dán zou ik meenen, dat we

toch wel oud genoeg zijn om gelukkig met elkaar te worden”, verkondigt

hij, en dat heeft niemand hem nog tegengesproken.

Ik geloof zelfs niet, dat meneer en mevrouw van Slooten groote bezwaren

zouden maken, als we op éérder aandrongen, maar we laten 't om moeder.

Ze zou 't niet tegenhouden, och nee. „Une mère c'est l'abnégation”, is

haar lijfspreuk, die ze altijd trouw in practijk heeft gebracht, maar 't

zou wreed zijn, terwille van háár niet 'n jaartje geduld te hebben. Dat

is Huib volkomen met me eens.

De volgende maand verhuizen we. Dan zijn we geen buren meer. O, 't zal

'n héél ding zijn, voor ons allemaal, maar vooral voor moeder..... We

laten hier zooveel lieve herinneringen achter... Maar 't moet mòet.

't Is 'n klein, geriefelijk huis, vlak bij Floor en Max, waar we gaan

wonen, en in die buurt zijn meer dergelijke huizen in aanbouw.

„Geknipt voor ons,” vindt Huib, die wel weet, dat ik mijn nieuwe leven

liefst niet te ver van moeder af zou beginnen.

Hij is zoo goed en zoo fijngevoelig, en ik heb zoo'n wijd vertrouwen

in hem. Wat 'n heerlijke brieven schreef hij me van uit Hamburg; die

brachten me tot de ontdekking, dat hij me nog beter begrijpt dan ik

mezelf begrijpen kan......

Aan mijn uitzet ben ik begonnen, zoo gauw 't bewuste schortje voor Bé's

kindje af was. 't Is zoo'n prettig werk, en ik heb tijd genoeg om 't

meeste er aan zelf te doen. 't Lijkt me zoo heerlijk, als alles in ons

huisje later 'n eigen geschiedenis hebben zal!

„De strootjes voor 't nest,” noemde Vader vroeger al de dingen, die Bé

en Aad in hun engagementstijd kregen en zelf bijeensleepten.

Wij hebben ook al verscheiden strootjes!

Huibs boekenkast en piano, om met de voornaamste te beginnen, en dan al

de huishoudelijke cadeaux, die ik op m'n verjaardag kreeg!

'n Theetafel en theestoof met een ouderwetschen koperen ketel, 'n

ontbijtservies en 'n beeldig damasten tafellaken met een ontwerp van

vlinders en vier-en-twintig servetten met 't zelfde motief; zóó mooi,

dat ik 't nooit zal durven gebruiken, want ik zou danig uit m'n humeur

raken als iemand er op morste!

Van Huib kreeg ik...... m'n zilveren ringetje onherkenbaar terug. 't

Oude ringetje maakt nu de achterzijde uit van 'n zilveren ring met 'n

bovenstuk van juweelen.

„O, Huib, 't is veel te mooi voor mij,” protesteerde ik half, maar hij

zei, dat 't volstrekt niet waar was, als ik tenminste geen plannen

koesterde dezen ring in 'n bui van vertwijfeling weer met de nagelschaar

te bewerken! Dat heb ik hem op m'n eerewoord moeten beloven, en ik denk

dat ik die belofte wel zal kunnen houden.

Op 't oogenblik sta ik in onze serre op hem te wachten, gekleed en

gereed voor onze dagelijksche wandeling.

't Is zulk heerlijk weer; zóó zoel, of 't al voor goed lente was!

„Net weer om voor je plezier 'n beetje op 'n stoep te gaan zitten

huilen,” zooals Eef dat vroeger eens uitdrukte.

In ons tuintje knoppen al enkele heesters en de crocussen bloeien:

'n heele rij gele en enkele witte en paarse. 't Gras wordt er met

den dag groener, en 's avonds, tegen zonsondergang komt er 'n merel

fluiten......

O, ik verheug me zoo op 't voorjaar en den zomer. Wat 'n verrukkelijken

tijd zullen we hebben!

Hè, wat is dat? Ik deins terug, want tegen de serre-deur vliegt 'n

keitje.

Daar is Huib!

Ik doe de deuren open en treed hem tegemoet.

„Wat stond-je daar toch te peinzen? Schrikte je, meisje? Ben je heusch

'n klein beetje van me verschrokken?” plaagt hij met z'n handen op m'n

schouders.

Maar ik zie lachend naar hem op en plaag terug:

„Welnee, je bent al over je tijd. Je hadt er veel eerder moeten zijn met

dat mooie weer.”

„Wat, ben ik te laat? Maar dat kán niet, ik ben toch dadelijk van

kantoor naar huis gekomen,” en hij haalt zijn horloge uit. „Eén heele

minuut te laat, ik vraag je nederig excuus, maar laten we de schade dan

alsjeblieft zoo gauw mogelijk inhalen,” stelt hij voor, z'n hand door

m'n arm stekend, en vroolijk wuivend naar moeder, die boven voor 't

raam zit, stappen we 't tuintje door, gaan dan den stillen, zonnigen

buitenweg op, jubelend om de heerlijke dagen, die komen gaan.

[decoratieve illustratie]

+--------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: dag Lizzy, dan.” M'n zegen, |

| C: dag Lizzy, dan. M'n zegen, |

| B: Ik vindt haar juist |

| C: Ik vind haar juist |

| B: dat beeld, nietwaar? zeurt nicht. |

| C: dat beeld, nietwaar?” zeurt nicht. |

| B: „Flip, dol-nieuwsgierig naar |

| C: Flip, dol-nieuwsgierig naar |

| B: tafellaken vol morste. |

| C: tafellaken vol morste.” |

| B: 't in vredes naam in haar hoofd |

| C: 't in vredesnaam in haar hoofd |

| B: ineens over ze steken naar 't |

| C: ineens over te steken naar 't |

| B: „jardin des Tuileries, waar we even |

| C: „jardin des Tuileries”, waar we even |

| B: bezoek aan den Eifeltoren te |

| C: bezoek aan den Eiffeltoren te |

| B: twaalf uurtje: 'n prop vette papieren |

| C: twaalfuurtje: 'n prop vette papieren |

| B: in de „Comédie française” hebben |

| C: in de „Comédie française”, hebben |

| B: en parasols, kleer en haarborstels, |

| C: en parasols, kleer- en haarborstels, |

| B: allemaal weer „jadis” zucht Roos, |

| C: allemaal weer „jadis”,” zucht Roos, |

| B: ze gauwer terug zulle komme? |

| C: ze gauwer terug zulle komme?” |

| B: monster met de woedenste kattenoogen, |

| C: monster met de woedendste kattenoogen, |

| B: Aad, Roosje en Huib van |

| C: Ada, Roosje en Huib van |

| B: Gelukkig was 't pikdonder |

| C: Gelukkig was 't pikdonker |

| B: dites-moi ce qu 'on sent quand |

| C: dites-moi ce qu' on sent quand |

| B: fleurig, Piepkuikenje, scheelt er |

| C: fleurig, Piepkuikentje, scheelt er |

| B: aquarium in je kopje, plaagde Theo. |

| C: aquarium in je kopje,” plaagde Theo. |

| B: meneer Witsen, verscholen achter n |

| C: meneer Witsen, verscholen achter 'n |

| B: op den duur te kostbaaar worden. |

| C: op den duur te kostbaar worden. |

| B: beidjes over moeder en ik.... |

| C: beidjes over, moeder en ik.... |

| B: „And what didxyour father say?” |

| C: „And what did your father say?” |

| B: Als ik daar Ada bij vergelijk..... |

| C: Als ik daar Ada bij vergelijk.....” |

| B: willen vertellen, maar..... en dan zwijgt |

| C: willen vertellen, maar.....” en dan zwijgt |

| B: fatiguée, mademoiselle? vroeg hij, me |

| C: fatiguée, mademoiselle?” vroeg hij, me |

| B: opgewonden uit! Ik poper van |

| C: opgewonden uit! Ik popel van |

| B: aan zag borburen, vroeg tenminste, |

| C: aan zag borduren, vroeg tenminste, |

| B: stemmetje te vragen: Loetie is toch |

| C: stemmetje te vragen: „Loetie is toch |

| B: enz 'n gezicht werd purper. |

| C: en z'n gezicht werd purper. |

| B: pantoffels of lageschoentjes aan heb, |

| C: pantoffels of lage schoentjes aan heb, |

| B: maar k zal net doen of 't |

| C: maar 'k zal net doen of 't |

| B: Leentje, we komen. Maar we kwamen |

| C: Leentje, we komen.” Maar we kwamen |

| B: verzekerden allemaal, dat ze 't wel |

| C: verzekerden allemaal, „dat ze 't wel |

| B: als Annie Westenbergh, zeg ik dan om |

| C: als Annie Westenbergh,” zeg ik dan om |

| |

+--------------------------------------------------------+

Piepkuikentje · 第 14 / 15 题